MOVISIE Een grote uitdaging voor samenleving en werkgevers

Statushouders kampen met een achterblijvende arbeidsparticipatie ten opzichte van andere bevolkingsgroepen in Nederland. Waar ligt dat aan, en hoe kunnen zij duurzaam aan een passende baan worden geholpen? Movisie verrichtte onderzoek naar wat werkt bij de arbeidsdeelname van deze groep.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

Uit cijfers blijkt dat zelfs na meerdere jaren in Nederland statushouders veel vaker werkloos zijn dan autochtone Nederlanders en andere Nederlanders met een migrantenachtergrond. Reden dus om extra in te zetten op de arbeidsparticipatie van statushouders. Dat gaat om arbeidstoeleiding, maar ook om ervoor te zorgen dat zij duurzaam aan de slag blijven. Marijke Booijink, onderzoeker bij Movisie: ‘Het is een algemeen probleem in Europa. Ik ken geen land waar het niet speelt.’

Taalles en praktijkervaring

Niet verrassend wellicht, maar uit de Movisie-publicatie blijkt taal een van de werkzame elementen te zijn voor de arbeidsdeelname van deze groep. Bora Avric´, beleidsadviseur bij Movisie: ‘Je ziet daarbij dat het verschil maakt waar mensen vandaan komen. Hoeveel kans je hebt om hier snel de taal te leren en een opleiding te volgen, heeft te maken met waar je roots liggen. In Nederland komt waarschijnlijk 60 tot 70 procent van de statushouders uit Syrië. Die hebben eerder een baan dan mensen die bijvoorbeeld komen uit Eritrea of andere gebieden. Waar dat aan ligt? Het beeld is dat mensen uit Syrië beter zijn opgeleid, maar die bewering wordt steeds meer ontkracht. Een grote groep is ook gemiddeld of laag opgeleid.’

Booijink: ‘Er is nog te weinig onderzoek gedaan naar deze nieuwe groepen, Syriërs en Eritreërs, om er uitspraken over te doen. Maar een taal leren is één ding, het zo goed kunnen spreken om er ook professioneel mee uit de voeten te kunnen, is wat anders. Uiteraard is dat afhankelijk van het niveau waarop je werkt.’

Een belangrijk advies van Booijink en Avric´ is om taalles met praktijkervaring te combineren. Booijink: ‘Uit ons onderzoek blijkt dat die combinatie belangrijk is. Een Zweedse studie heeft aangetoond dat wanneer een migrant ongeveer 500 uur taalonderwijs heeft gehad, zijn kans op een baan niet toeneemt wanneer je nog meer taallessen aanbiedt, zonder dat je parallel daaraan bezig gaat met werken.’

Avric´: ‘Gemeenten proberen met het mkb afspraken te maken om statushouders in dienst te nemen. Het is logisch dat vanuit de potentiële werkgevers die wat extra handjes nodig hebben, gevraagd wordt om enige taalbeheersing als het gaat om stage- of werkervaringsplekken. Als je bij een schilder stage loopt, is het wel handig dat wanneer hij vraagt: mag ik een kwast van jou, je ook weet wat een kwast is. Taallessen moeten op een gegeven moment toegespitst zijn op de sector waar de persoon gaat werken. Daar moeten extra woordjes voor worden geleerd.’

Booijink: ‘In de grote sectoren waar behoefte is aan arbeidskracht, bijvoorbeeld de schoonmaakindustrie, de techniek en de zorg, komen relatief veel mensen terecht met een migrantenachtergrond. Daar zie je duale trajecten ontstaan waarvan je zegt: ja, zo zou het moeten zijn. Die grote bedrijven bieden zelf Nederlandse lessen aan met beroepsgerichte taal. Uiteraard kunnen alleen grote, stevige bedrijven dat aanbieden, maar het is wel een mooie ontwikkeling.’

Een constante stress

Een obstakel dat een snelle deelname aan werk in de weg staat is dat statushouders kunnen kampen met een slechte gezondheid. Zowel fysiek als mentaal. Avric´: ‘Statushouders hebben vaak een lange, moeilijke reis afgelegd. Een reis vol onzekerheid. Er is van alles gebeurd, sommigen hebben onderweg familieleden verloren. Dat heeft heel veel impact. En dan kom je in een land waar al snel wordt ingezet op inburgering. Maar voor wat zij hebben meegemaakt en nog meemaken, is vaak geen aandacht. De procedure voor een verblijfsvergunning verloopt langzaam en dat knaagt aan mensen. Die zorgt voor een constante stress. Er wordt gestart met allerlei trajecten en dan zie je opeens een terugval. Dan moeten zij Nederlands leren, terwijl zij niet eens weten of ze in Nederland mogen blijven. De meeste statushouders hebben wel de focus op hier settelen, en de taal leren. Maar er kan een kantelmoment ontstaan waarop ze een baan aannemen en die lessen laten voor wat ze zijn. Omdat ze gewoon geld nodig hebben.’

Booijink: ‘Dat is opnieuw een pleidooi voor duale trajecten. Naast werk ook taallessen aanbieden.’

Avric´: ‘Met de nieuwe inburgeringswet komt de regie terug bij de gemeenten. De gemeente die toch al in overleg is met ondernemers kan meer op kwaliteit en flexibiliteit sturen. Voor de taal en inburgering is dat een positieve ontwikkeling. Je ziet dat klantmanagers bij de gemeente steeds meer richting maatwerk gaan. Als jij extra taalles nodig hebt, dan krijg je extra taalles. Jij bent meer gebaat bij werk, dan gaan we voor jou een werkervaringsplek regelen. Ik zie daar wel een verbetering in.’

Het spel beter beheersen

Booijink en Avric´ hopen stellig dat het onderzoek en de verbetertool voor professionals (zie rode tekst) een bijdrage leveren aan het vergroten van de arbeidsdeelname van statushouders. Booijink: ‘Er ligt een grote uitdaging bij de samenleving en de werkgevers. Voor werkgevers is er een duidelijk belang, zij hebben menskracht nodig. Toch kunnen zij terughoudend zijn bij het aannemen van statushouders. Onwennigheid, vooroordelen en discriminatie kunnen een rol spelen. In Katwijk heb ik iemand gesproken van het werkgeversservicepunt, zelf met een migrantenafkomst, die de bedrijven daar in de Bollenstreek heel goed tegen elkaar uitspeelde. Zo van: jullie hebben tekorten, wil je dat de concurrent er met dit arsenaal aan werknemers vandoor gaat? Of wil je ook je graantje meepikken? Zij liet die bedrijven wennen aan statushouders, zonder dat zij een groot financieel risico liepen. Dus eerst een werkervaringsplek bieden, en als de werknemer bevalt, kan die in dienst worden genomen. Dat trok menigeen over de streep. Degenen die bemiddelen bij het plaatsen van werknemers moeten dit spel ook beter leren te beheersen.’

Avric´: ‘Een franchisenemer van een Amerikaanse restaurantketen in Lelystad heeft het gedurfd. Hij zei: ik ga gewoon statushouders aannemen, en ik ga ze begeleiden. En ja, het gaat. Ze doen het goed, werken hard, en komen afspraken na. Ik geloof dat hij inmiddels alleen met statushouders werkt. Hij doet het zo goed dat hij zelfs in Amerika is uitgenodigd om zijn succesverhaal te delen over hoe hij als ondernemer met een moeilijke doelgroep aan de slag is gegaan. Ja, het kan aanvankelijk lastig zijn, zegt hij, maar je krijgt er zoveel voor terug.’

Het dossier Wat werkt bij het bevorderen van arbeidsparticipatie van statushouders kan hier gedownload worden. Hier staat ook een verbetertool. Deze vertaalt wetenschappelijke kennis naar de praktijk. En geeft gemeenten inzicht hoe ze de arbeidsparticipatie van statushouders kunnen vergroten.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.