Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

HET RUGZAKJE ‘In die tijd huilde ik vaak aan de piano’

Eva Prins
Redacteur Zorg+Welzijn
'Een levensinvulling', zo ziet de jonge Ernst Jansz de zorg voor zijn door de oorlog getraumatiseerde vader. Als zijn vader overlijdt, belandt Ernst, dan 17, in een zwart gat. Pas decennia later komt hij daaruit, met dank aan de muziek. En een psychiater.

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs41185-021-1163-1/MediaObjects/41185_2021_1163_Fig1_HTML.jpg Ernst Jansz © Carilijne Pieters

‘Mijn vader was heel snel uit zijn evenwicht, hij trok zich dan letterlijk en figuurlijk terug; hij was niet meer bereikbaar. Dus de kunst was om die momenten ofwel uit te stellen, ofwel te verhelpen en ik was daar erg goed in. Ik ging met hem schaken, of vogels kijken. Of ik speelde Chopin voor hem op de piano, zijn lievelingscomponist. En ik deed mijn best voor hem op school – ik was een heel goeie leerling. Ik deed alles voor mijn vader; dat was mijn levens- invulling.’

Ernsts vader is in de jaren ’30 vanuit Indonesië, toen officieel nog Nederlands-Indië, naar Nederland gekomen om Nederlands te studeren. Op een dansavond ontmoet hij Ernsts moeder. Ze trouwen en zijn van plan naar Indonesië te gaan (‘Ze hadden de tickets voor de boot al’), maar dan breekt de oorlog uit: samen sluiten ze zich aan bij een verzetsgroep van voornamelijk Indische jongens.

Tegen het eind van de oorlog worden ze beiden gepakt. Zijn moeder zit vijf weken gevangen in het beruchte Oranjehotel in Scheveningen, zijn vader belandt via de dodencel aan de Amsterdamse Weteringschans in kamp Amersfoort. Hij komt eruit als een gebroken en getraumatiseerd man, blijkt in de loop van de tijd. Soms ‘schuilt’ hij thuis achter een boekenkast die hij van de muur heeft geschoven, of hij staat huilend in een hoek van de kamer, vertelt Ernst in een filmpje gemaakt voor War Child.
Je moeder was niet getraumatiseerd?
‘Wonderlijk genoeg heeft zij er niets aan overgehouden. Ze was een zeer lichtvoetige, open, sprankelende vrouw. Misschien ook een beetje als tegenwicht tegen mijn vader, die heel zwaar op de hand en somber was. En overbezorgd naar mij en mijn zus.’
Wisten jullie als kind waardoor dat gedrag van je vader kwam?
‘Door de oorlog – dat is ons denk ik wel eens verteld. We wisten ook dat ze in het verzet hadden gezeten. Daar vertelden ze wel eens over, maar alleen de stoere verhalen, niet de nare, traumatische ervaringen. En misschien dat de term kampsyndroom later ook wel eens is gevallen, toen mijn vader naar een psychiater ging. Dat hij daar heen ging, wisten we wel, maar verder werd daar eigenlijk niet veel over gesproken.’
Was er ook hulp voor jullie als gezin?
‘Nee. Achteraf gezien had ik het misschien wel fijn gevonden om er met iemand over te praten. Anderzijds, op dat moment had hulp het misschien ook juist zwaarder gemaakt, me doen beseffen hoe naar het was – en dat ik als kind die rol natuurlijk niet hoorde te hebben. Maar ik ging er niet onder gebukt om voor hem te zorgen. Ik vond dat een goede rol, die ik met blijmoedigheid vervulde. Ik was geen ongelukkig kind, ik werd pas ongelukkig toen mijn vader overleed.’

Met de dood van zijn vader, die overlijdt aan kanker, is Ernst het doel in zijn leven kwijt. ‘Ik wist echt niet meer wat ik met mezelf en mijn leven aan moest.’ De grootste klap komt echter als zijn zus in een Bijbel een aan hem gerichte brief van zijn vader vindt. ‘Hij schreef daarin onder andere over zijn eenzaamheid en dat ik hem, als laatste, ook verlaten had. Dat kwam aan als een doodsklap: dat hij dat zo gevoeld had, vond ik verschrikkelijk. En ik kon het natuurlijk niet meer goedmaken. Ik heb me daar jarenlang enorm schuldig over gevoeld.’

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs41185-021-1163-1/MediaObjects/41185_2021_1163_Fig2_HTML.jpg
© Carilijne Pieters
Waar kwam dat gevoel bij je vader vandaan denk je?
‘Toen ik naar de middelbare school ging, ging er een heel nieuwe wereld voor me open. Voor het eerst had ik een echte vriend, en vriendinnetjes op wie ik stapelverliefd was. Ik kreeg daardoor wat meer een eigen leven. Dat zal hij moeilijk hebben gevonden. Ik was nog steeds zo trouw als wat aan mijn vader, maar dat heeft hij blijkbaar niet gezien of gevoeld – dat is het trieste.’
En het was natuurlijk ook niet jouw taak of verantwoordelijkheid om zijn eenzaamheid of somberheid te verlichten.
‘Dat klopt – en dat weet ik nu. Maar toen vond ik het zo verschrikkelijk dat hij was gestorven met het gevoel dat ik hem in de steek had gelaten. En ik kon niet met dat verdriet en schuldgevoel omgaan: ik ben als een oester dichtgeklapt.’
Je sprak er met niemand over? Ook niet met je moeder of zus?
‘Nee. Mijn vriendinnetje probeerde me wel te troosten, maar dat lukte niet, ze bereikte me niet. Ze had het overigens vlak voor mijn vader overleed, uitgemaakt – daar had ik ook veel verdriet van. Maar ik was voor niemand bereikbaar – net als mijn vader vroeger.’
Ernst gaat ‘heel braaf’ studeren: biologie en organische scheikunde, omdat zijn vader studeren heel belangrijk vond. Maar in de studiebanken voelt hij zich niet gelukkig. ‘Het enige dat me overeind hield in die tijd, was de band waar ik voor was gevraagd door een jongen van de middelbare school: Joost Belinfante. De jongens in de band werden heel goede vrienden en het spelen gaf me weer een soort identiteit: ik had weer een rol. En in de muziek kon ik me wel uiten: in die tijd huilde ik vaak aan de piano. Ik was nog steeds depressief, maar had door die band ook weer momenten van geluk.’
Die hele band, CCC Inc., verhuist op een gegeven moment, met aanhang, naar een afgelegen boerderij in het Brabantse Neerkant, waar ze een commune stichten om ‘dag en nacht met elkaar muziek te kunnen maken.’ Hippies zijn ze, met alle clichés als lang haar en blowen. En natuurlijk: veel muziek. Ernst, die altijd in de boerderij is blijven wonen, kijkt op die hippieperiode terug als ‘een enorm leuke tijd’. ‘Ik voelde me opgenomen in die beweging van liefde, vrede, vrijheid.’
Ernst Jansz (Amsterdam, 1948) werd beroemd als toetsenist en zanger van Doe Maar, de band die hij in 1978 oprichtte en die een van de succesvolste bands uit de Nederlandse popgeschiedenis zou worden.

Behalve veelzijdig muzikant en singer-songwriter, is Jansz ook schrijver en illustrator van vijf boeken, waarvan drie autobiografisch. Ernst is getrouwd en vader van een zoon (27) en een dochter (26). Komend seizoen speelt hij de theatertour In Concert en zal Doe Maar ook weer enkele concerten geven. www.​ernstjansz.​com 

Dat was jouw verlate pubertijd?
‘Nu je het zegt. Ik had nooit gepuberd; daar was ik veel te braaf voor. Maar dat lange haar zou mijn vader vreselijk hebben gevonden, en dat ik mijn studie had afgebroken ook. Dus ja, misschien was het wel een soort van verlate pubertijd, maar niet bewust. Het was geen afzetten, ik liet me eerder meedrijven.’
En je moeder? Hoe was je band met haar?
‘Ik had een heel lieve, leuke moeder, maar dat zag ik eigenlijk pas na het overlijden van mijn vader. Daarvoor was ik te veel op mijn vader gericht geweest. Daardoor had ik misschien ook niet echt een moeder-kindrelatie met haar, het was eerder vriendschappelijk. Ze was mijn grootste fan en heeft me altijd door dik en dun gesteund. Daarin is ze voor mij een heel mooi voorbeeld geweest. Ook ik heb geprobeerd altijd vierkant achter mijn kinderen te staan.’
Wist zij dat je depressief was?
‘Niet echt, denk ik.’
En de mensen in de commune?

‘Ook niet. In de groep en in de band ging het ook goed: daar had ik mijn plek. En de groep was een mooie paraplu om onder te schuilen. Maar één-op-één, met vriendinnen bijvoorbeeld, dat vond ik moeilijk. Ik had wel behoefte aan een relatie, aan samenzijn en delen, en soms ging het ook een tijdje goed, maar elke keer als ik werd aangesproken op mijn verantwoordelijkheid, trok ik me terug. Zie je wel, dacht ik dan: ik kan het niet, ik stel toch iedereen teleur, ik doe het niet goed, ik ben niet goed. En daar voelde me dan weer schuldig over. Ik had enorm last van schuldgevoel – dat was een steeds terugkerend thema, en daar werd ik steeds depressief van. En mensenschuw: op een gegeven moment durfde ik, buiten de mensen in de commune, met niemand meer contact te maken.’

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs41185-021-1163-1/MediaObjects/41185_2021_1163_Fig3_HTML.jpg© Carilijne Pieters
Toch richtte je in die tijd Doe Maar op. Hoe is dat te rijmen?
‘Op een podium durfde ik me juist wel te geven. Dat is het mooie, of schizofrene. CCC Inc. was officieel gestopt in 1974 – al bestaan we eigenlijk nu nog. En ik wilde muziek blijven maken. Liefst reggae en Nederlandstalig. Dat werd Doe Maar. Ik had daarbij het kleine clubcircuit voor ogen, maar door de komst van Henny Vrienten enkele jaren later werd het, wat mij betreft per ongeluk, zo’n enorm, bizar succes.’
Met bij elk optreden duizenden uitzinnige en flauwvallende tienermeisjes…
‘Ik heb het beleefd als een roes. Het was nooit mijn intentie om beroemd te worden, maar het bracht me ook wel iets. Door Doe Maar werd ik natuurlijk door heel veel mensen aangesproken, dus moest ik wel gesprekjes voeren – iets wat ik daarvoor, buiten de commune, dus lange tijd niet had gedurfd.’
Toch zal het nog tot na zijn veertigste duren, Doe Maar is dan al officieel gestopt, voor Ernst ‘echt met zichzelf aan de slag gaat,’ zoals hij het noemt, en naar een psychiater gaat. ‘Elke keer als mijn vader of mijn eerste liefde ter sprake kwam, voelde ik me weer zo verloren en verdrietig. Het werd tijd om daar iets aan te gaan doen.’
Was er een aanleiding voor om juist toen naar een psychiater te gaan?
‘Mijn zus had me haar al eens aangeraden, maar mijn geliefde toen – ze is nog steeds mijn vrouw – heeft me uiteindelijk het beslissende zetje gegeven. Zij confronteerde mij ermee dat ik me de steeds terugtrok. Ik wilde haar niet kwijt, en ik had ook geen zin meer in dat patroon: terugtrekken, verbroken relatie, schuldgevoel – en de depressie die daar vaak op volgde.’
Hielp het?

‘Heel erg. Mijn vader heeft de tijd niet gehad om af te rekenen met zijn demonen. Ik ben zeer blij dat ik die tijd, en de kracht wel heb gehad, want het heeft me veel opgeleverd. Wat me het meest is bijgebleven, is dat ik mezelf moest visualiseren. Eerst zag ik helemaal niets. Bij een volgende sessie zag ik een schim, weer later alleen een lichaam. Op een gegeven moment had ik er een hoofd bij, maar zonder ogen. En ik kan me het moment nog herinneren dat ik mijn ogen erbij zag. Het was alsof ik mezelf voor het eerst écht zag, onafhankelijk van anderen. Daarvoor bestond ik alleen maar via anderen. Ook zag ik dat jongetje weer dat ik ooit was geweest: een open kind vol levensvreugde dat nergens bang voor was en overal op afstapte. Ik dacht: zo ben ik eigenlijk: een kom-maar-optype, niet dat bange jongetje dat met niemand contact durft te maken. Vanaf toen vond ik mezelf leuk en ging ik van mezelf houden. En ook toen pas was ik er klaar voor om een kind op de wereld te zetten, om zelf vader te worden. Sindsdien heb ik ook nooit meer last gehad van schuldgevoelens: wat een bevrijding!’

Ati Jansz (75), de zus van Ernst

‘Het kan me nog steeds emotioneren als ik eraan denk, of in Ernsts boeken teruglees. Hoe verantwoordelijk hij zich heeft gevoeld voor onze vader, hoe hij zichzelf wegcijferde omdat hij hoopte en dacht dat hij onze vader minder verdrietig kon maken. Dat is te veel en te zwaar voor een kind, maar voor ons was dat normaal.
Eerst, eigenlijk al vanaf dat ik geboren was, claimde onze vader vooral mij. Maar ik heb me daar zo tegen het eind van de lagere school van los weten te maken. Daarna verschoof zijn focus naar Ernst, die hem ook erg toegewijd was. Toen onze vader overleed, was ik het huis al uit. Op mijn zeventiende ben ik zwanger geworden en getrouwd.
Ook als een vlucht uit huis, denk ik. We hebben toen een tijd weinig contact gehad. Ernst ging studeren en later in de commune wonen en ik woonde met twee kinderen in Amsterdam. Maar onze band is altijd hecht geweest; hij was en is de liefste broer van de wereld.
Op een gegeven moment was ik in therapie – ik kampte ook met depressies – en toen heb ik Ernst erg gepusht ook naar die psychiater te gaan. Daardoor is het gelukkig helemaal goed gekomen, met ons allebei. Maar dat gaat niet vanzelf; daarvoor moet je echt in de diepte willen afdalen.’

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.