De afgelopen jaren hebben een groot aantal partijen onderzoek gedaan naar de houdbaarheid van de Wmo. Dat deden ze in opdracht van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Rijk. Het ministerie van VWS deed vervolgens een samenhangende analyse. Het eindresultaat is de eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek 2015, die staatssecretaris Pouw-Verweij op 26 november naar de Tweede Kamer stuurde.
Maatschappelijke ondersteuning piept en kraakt
Een van de belangrijkste conclusies is dat de maatschappelijke ondersteuning piept en kraakt. Dat komt deels door hoe de Wmo momenteel in elkaar zit, maar ook door factoren van buitenaf. Een gebrek aan bestaanszekerheid, de woningnood en problemen op de arbeidsmarkt zijn daar voorbeelden van. Verder voeren de onderzoekers ook de complexe ggz-problematiek in wijken aan als reden waarom Wmo-medewerkers zo’n taai karwei hebben. En waar soms de ene partij kosten moet maken, levert die investering een andere partij juist weer geld op.
Zelfredzaamheid en de Wmo
Daarnaast is het versterken van zelfredzaamheid, een van de belangrijkste uitgangspunten van de Wmo, een flinke uitdaging. Dat komt deels omdat inwoners toch blijven benadrukken dat zij recht hebben op ondersteuning. En als in een gemeente sommige voorzieningen wel worden aangeboden maar in een buurgemeente niet, is het voor burgers in die buurgemeente moeilijker te begrijpen waarom zij ‘zelfredzaam’ zouden moeten zijn. Ook sommige ingrepen van het Rijk en jurisprudentie maakt het versterken van zelfredzaamheid lastiger.
342 gemeenten voeren Wmo uit
Een ander probleem is dat eigenlijk niemand een goed overzicht heeft van wat welke Wmo-hulp nu precies oplevert, en waar het eventueel bijvoorbeeld efficiënter zou kunnen. Dat komt mede omdat de Wmo uitgevoerd wordt door 342 gemeenten en dat er talloze regionale en lokale aanbieders bij betrokken zijn. ‘Eigenlijk heeft niemand echt zicht op het geheel’, is de conclusie in het rapport. Eenduidige data en monitoring ontbreken. ‘Dit maakt het ook lastig voor het Rijk en gemeenten om in gezamenlijkheid te sturen op de houdbaarheid van de Wmo.’
Ervaringen bewoners met de Wmo
Het bredere plaatje is dat de meeste inwoners tevreden zijn met de Wmo-ondersteuning die ze nu krijgen. Tegelijk zijn er ook mensen in kwetsbare situaties die relatief vaak tekortkomingen ervaren. Dat blijkt bijvoorbeeld uit Aanknopingspunten versterken uitvoering Wmo, een rapport dat ook bij de Kamerbrief werd gevoegd.
Onderzoekers van EMMA spraken met inwoners en professionals over hun ervaringen met de Wmo. Zij hoorden veel positieve verhalen, vooral over de inzet van sociaal werkers en Wmo-consulenten, en mooie praktijkvoorbeelden. Maar ze hoorden ook veel minder positieve ervaringen, die wel een grote impact hebben op het dagelijks leven. En dan gaat het niet zozeer over wel of geen voorziening krijgen, maar meer over de vraag, krijg ik wat ik nodig heb om een fijn leven te kunnen leiden.
Afhankelijkheidspositie
De onderzoekers verwoorden het in algemene zin zo: ‘Cliënten en naasten bevinden zich in een afhankelijkheidspositie. Zij hebben het gevoel dat zij niet over hun eigen leven kunnen beslissen. Dit besef zit naar onze mening in het algemeen nog onvoldoende ‘onder de huid’ bij velen en zou veel meer het uitgangspunt mogen zijn voor beleid en uitvoering van de Wmo.’
Hoe de Wmo beter kan volgens bewoners en professionals
Meer praktische aanbevelingen van bewoners voor een toekomstbestendige Wmo:
- Een professional die echt de spin in het web kan zijn, en idealiter is dat van begin tot eind dezelfde functionaris.
- Meer eenduidigheid in de uitvoering van de Wmo. Zoals landelijke afspraken over
de regierol, een verplichting tot een contactmoment bij de aanvraag, een basispakket met voorzieningen die geldt voor alle gemeenten en langdurige en integrale indicaties. - Een verschuiving van zorg naar welzijn. Maar niet met een overschatting van wat preventie en samenredzaamheid kunnen brengen.
- Investeren in de vakmanschap van professionals.
Aanbevelingen van de staatssecretaris over de Wmo
Die aanbevelingen zijn eigenlijk allemaal wel in meer of mindere mate ook terug te vinden in de lijst aanbevelingen die de staatssecretaris meegeeft. Ook die vindt namelijk bijvoorbeeld dat meer samenhang tussen zorg en het sociaal domein essentieel is.
Een heldere afbakening van de Wmo is ook een vereiste. Inwoners moeten veel duidelijker kunnen zien waar, hoe en welke ondersteuning ze kunnen krijgen. Dat betekent ook dat gecommuniceerd moet worden waar mensen rekening mee moeten houden waar het gaat om ‘de oude dag’. En een verdere professionalisering van het sociaal werk is nodig, ‘dat een ankerpunt vormt in het collectiviseren en wijkgericht- en opbouwwerk’.

