
Wat heeft het sociaal werk in de praktijk nodig? Janny Bakker, bestuursvoorzitter van Movisie, en Hilde van Xanten, senior adviseur bij Movisie, pleiten voor een koerswijziging waarin vertrouwen en continuïteit centraal komen te staan en het inkopen van zorg en welzijn op een andere manier wordt ingericht. Wij vroegen hen hoe ze dit voor zich zien en wat hiervoor nodig is.
Voor de duidelijkheid: jullie vinden niet dat aanbesteden in zorg en welzijn altijd verkeerd is, toch?
Janny Bakker: ‘Aanbesteden kan heel nuttig zijn. Bij de huishoudelijke hulp bijvoorbeeld, kan het gebeuren dat er door fusies en overnames één hele grote zorgorganisatie ontstaat. Dan kunnen de prijzen flink oplopen. Daar had ik in de twaalf jaar dat ik wethouder in Huizen was ook ervaring mee. Dus natuurlijk moet je scherp zijn op kwaliteit en tarieven. Ook om te voorkomen dat er onnodig veel geld naar overhead gaat. Maar als je het echte sociaal werk in de wijk, dus het opbouwwerk, het jongerenwerk, als je dat elk jaar door een andere organisatie laat doen, dan weet je niet half wat je verliest.’
Hilde van Xanten: ‘En dat zit vooral in het belang van continuïteit, van duurzame relaties. Sociaal werkers die al jaren in de wijk zitten weten precies wat er leeft. Bovendien hebben zij een jarenlange vertrouwensband opgebouwd met andere sleutelpersonen in de wijk, zoals huisartsen, wijkverpleegkundigen, wijkagenten en trekkers van burgerinitiatieven. Dat netwerk komt door continu aanbesteden van sociaal werk onder druk te staan. Natuurlijk gaat een deel van de medewerkers altijd wel mee naar de nieuwe organisatie, maar je ziet ook een groot verloop. De structuur verandert ook, waardoor van alles gaat schuiven. Dat is voor inwoners heel lastig.’
Bakker: ‘En het kost ook echt jaren voor je dat vertrouwen hebt opgebouwd met bewoners, en ook met andere hulpverleners. De medische taal van huisartsen is een hele andere taal dan de taal van sociaal werkers. Dus die huisarts en die sociaal werker moeten elkaar wel verstaan. Welzijn op Recept sluit goed aan bij de taal die huisartsen spreken. Maar het werkt alleen als de huisarts begrijpt wat er dan aan welzijn geboden wordt, en wie daarin ondersteunt. Daarom is investeren in duurzame relaties zo belangrijk.’
Maar door sociaal werk wél aan te besteden, houden we grip op efficiëntie en kwaliteit, zullen gemeenten misschien antwoorden.
Bakker: ‘Maar het is niet zo dat sociaal werkorganisaties zonder die aanbesteding op hun lauweren gaan rusten. Sociaal werk is een vak he. Politiewerk besteden we ook niet aan. En van scholen vragen we ons ook niet af of die wel voldoende efficiënt en innovatief zijn. Het is doorgeschoten marktdenken om ervan uit te gaan dat vertrouwen van inwoners binnen een paar jaar opnieuw kan worden opgebouwd. Wat dat betreft is wat het sociaal werk betekent nog te veel een black box voor gemeenten.’
Van Xanten: ‘Natuurlijk kan het een enkele keer zo zijn dat een sociaal werkorganisatie niet goed presteert. Dan kan een instrument als een aanbestedingstraject helpen de boel even op te schudden. Maar verder is het vooral belangrijk om eerst met partijen in de gemeente te bespreken welke maatschappelijke resultaten je wilt bereiken. Dat gesprek over, waar werken we met elkaar naartoe in buurten en wijken, dat wordt nog veel te weinig gevoerd.’
Bakker: ‘Precies. Kijk, misschien is er wel een hele belangrijke innovatie gewenst voor een hele specifieke behoefte. Dat zou je kunnen aanbesteden. Maar ga je nu eerst eens verdiepen in wat er al gebeurt in buurten en wijken. Hoe diep zitten organisaties in de wijk, wat denken zij dat er nodig is? Vervolgens is het in mijn ogen het meest verstandig om via een langjarige subsidierelatie een sociaal werk organisatie de ruimte te geven haar werk goed te doen en om burgerinitiatieven in de wijk aan te jagen of te faciliteren. En heb je dan toch nog hele specifieke deskundigheid nodig, bijvoorbeeld voor ggz-problematiek, dan kun je nog nadenken of je dat wilt inhuren.’
Maar dus eerst in de wijk verkennen wat er al gebeurt en wat er nodig is. Hoe doe je dat?
Van Xanten: ‘Betrek inwoners vanaf het begin bij het inkoopproces. In de gemeente Haarlem is er bijvoorbeeld voor gekozen om aanbieders, inwoners en de participatieraad samen aan tafel te brengen. De gemeente gunde de opdracht aan een consortium na een uitgebreide dialoogfase over de beoogde outcome, die aan de contractering voorafging.’

En dan?
Van Xanten: ‘Dan ga je met alle partijen, dus gemeente, aanbieders, participatieraad, uitgebreid bespreken wat de beoogde outcome moet zijn. En partijen die inschreven gaven duidelijk aan hoe ze de maatschappelijke doelen kunnen realiseren. In Haarlem waren er eerst 100 aanbieders, nu is er 1 aanbieder, Buurts, een samenwerkingsverband van zes partijen. De gemeente heeft Buurts een contract van acht jaar gegeven. Dat geeft rust voor iedereen. Natuurlijk zijn er wel bepalingen waardoor de gemeente het contract kan ontbinden als er echt iets niet goed gaat. Maar de gemeente en Buurts zijn partner, geen opdrachtgever en opdrachtnemer. Ze leren van elkaar en monitoren samen of de doelen gerealiseerd worden. Ook in Utrecht en andere gemeenten kiezen ze voor zo’n dialooggerichte aanpak.’
Bakker: ‘De crux is om veel gerichter te kijken naar wat je wilt bereiken en welke vorm daarbij past. Dus niet zomaar klassiek aanbesteden, maar bespreken wat er gebeurt en wat er nodig is. Een mooi voorbeeld uit mijn tijd als wethouder is het geheugenhuis dat Versa Welzijn wilde opzetten. Dat was voor mensen met beginnende dementie en hun mantelzorgers. Toen heb ik gezegd, ga dit maar doen en we gaan het eerst persoonsvolgend bekostigen. Dus voor elke deelnemer kreeg Versa Welzijn een bedrag. De afspraak was: bij meer dan tien inschrijvingen gaan we verder praten. Binnen een maand waren er dertig aanmeldingen. Toen is het een voorziening vanuit het sociaal werk geworden, waardoor het veel goedkoper is voor de gemeente en belangstellenden niet steeds een indicatie hoeven te krijgen. We konden er een algemene voorziening van maken omdat we hadden gezien dat er veel behoefte aan was.’
Moeten sociaalwerkorganisaties dan ook niet zelf duidelijker uitspreken wat ze in de gemeente voor elkaar kunnen krijgen? Soms lijken ze wel heel dienstbaar; de gemeente komt met het plan en zij voeren uit.
Bakker: ‘Dat dienstbare herken ik. Toen ik wethouder was zeiden organisaties ook nog wel eens, zegt u maar als gemeente wat wij moeten doen. Maar dat is de wereld op zijn kop. Gemeenten moeten die vraag aan sociaal werkers stellen en vertrouwen hebben in de professionaliteit van het sociaal werk. Net zoals ze dat hebben in de kwaliteit van het onderwijs, waar ze zich ook alleen maar met de gebouwen bemoeien en niet met de inhoud. Tegelijk is het aan de sociaal werkorganisatie om duidelijk te laten zien wat professionals met hun kennis en creativiteit kunnen bereiken.’
Van Xanten: ‘Allemaal waar. Tegelijk is het ook aan de politiek om zich te verdiepen in wat sociaal werk nu eigenlijk inhoudt. Dat gebeurt op lokaal niveau soms al wel, maar de landelijke politiek doet dat nog onvoldoende. Al worden er nu met het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord wel stappen gezet.’
En sociaal werkers zelf? Zijn die misschien ook iets te bescheiden? Ten opzichte van de zorg vooral?
‘Van Xanten: ‘Het is natuurlijk belangrijk dat sociaal werkers de schroom van zich afgooien. En vooral dat zij de trots op hun vak uitdragen.’
Bakker: ‘Zij hebben natuurlijk ook hun belangenorganisaties die hun positie verdedigen. Maar die zijn een stuk kleiner dan belangenorganisaties in andere sectoren. Terwijl je in de praktijk ziet dat zelfs als verpleegkundigen wegvallen sociaal werkers fantastische ontwikkelingen voor elkaar krijgen. Een voorbeeld: er werd bezuinigd op een buurtinitiatief, Koffie om de Hoek, dat was voor mensen met ggz-problematiek. De twee verpleegkundigen die erbij zaten werden door de zorgverzekeraar niet meer bekostigd. Iedereen in paniek. De sociaal werker heeft het overgenomen, met de mogelijkheden die zij zelf had, en het is een bruisend buurtcentrum geworden, waar nog steeds veel mensen met ggz problematiek graag naartoe komen. Zij was niet getraind in het begrenzen van gedrag. Maar zij had wel de kwaliteit om mensen te stimuleren bij elkaar te komen en activiteiten op te zetten.’
Van Xanten: ‘Dat is een heel mooi voorbeeld, maar wel tegen de verdrukking in. Ik weet dat bij soortgelijke initiatieven sociaal werkers moeite moeten doen om daarvoor uren te krijgen. Iedere keer moet daarvoor een strijd geleverd. Dus hopelijk, nu met het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord, krijgt het sociaal werk de erkenning die het verdient.’
Janny, jij schreef op LinkedIn dat een wet voor het sociaal werk misschien zou helpen. Beroepsvereniging BPSW pleit daar al langer voor. Krijgen we dan niet vooral meer bureaucratie?
Bakker: ‘Dat schreef ik nadat ik namens de CDA-fractie in de Eerste Kamer instemde met het wetsvoorstel verbetering gastouderopvang. Zitten gastouders daar wel op te wachten, dacht ik eerst, inderdaad, meer regels en bureaucratie? Maar ik werd van alle kanten benaderd om vóór dit voorstel te stemmen. Ook door gastouders zelf, omdat zij verwachten dat het vak van gastouder hierdoor meer aanzien krijgt. Misschien is het voor de professionalisering van sociaal werk ook wel nodig, een wet op het sociaal werk, waarin je kwaliteitseisen en het vereiste vakmanschap verankert. Om meer jonge mensen te enthousiasmeren om dit vak te kiezen en sociaal werkers de erkenning te geven die ze verdienen.’
Twee weken geleden werd het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) ondertekend. Positief voor het sociaal domein?
Bakker: ‘Het is zeker een gunstige ontwikkeling dat nu eindelijk geld vanuit het zorgbudget wordt overgeheveld naar het sociaal domein. Movisie heeft hier ook al heel lang voor gepleit. We weten dat iedere euro die we besteden aan welzijn vijf tot zes euro bespaart aan zorgkosten. Maar the proof of the pudding is in the eating. Om dit te laten slagen is een goede sociale infrastructuur én een duurzame relatie met het sociaal werk in de gemeente een must. De vernieuwing gaat niet uit de zorg komen. Gemeenten kunnen nog veel beter dan nu het geval is gebruik maken van de beschikbare kennis over het functioneren van de sociale basis. Sociaal werkers zijn daarbij onmisbaar.’

