Een onsje meer visie, mag dat?

01 Januari 2000 Of het nu gaat om voorrangszorg of marktwerking, om lokaal sociaal beleid of privatisering in de sociale zekerheid: Paars II kan nauwelijks worden beschuldigd van een sturende, bevlogen visie op deze maatschappelijke tendensen. Het kabinet wacht af en probeert waar nodig wat bij te sturen. Is het wel goed zo, of kan de sector zorg en welzijn best wat meer inspiratie en perspectief vanuit Den Haag gebruiken? Een ronde langs politiek en werkveld.


Door Eric de Kluis – Het is inmiddels een vertrouwd beeld. Op Prinsjesdag

telt het kabinet zijn zegeningen, geven ministers elkaar schouderklopjes en

wordt een algeheel gevoel van welbehagen over de goede resultaten van het

afgelopen jaar uitgedragen. Natuurlijk wordt in de troonrede nog even aangestipt

dat het niet met iedereen even goed gaat. De tekorten in de gezondheidszorg

baren het kabinet zorgen, evenals de honderdduizenden mensen die ondanks de

werkgelegenheidsgroei nog altijd aan de kant staan. Vervolgens gaat het kabinet

weer over tot de orde van de dag. Paars II past op de winkel zoals het een goed

kruidenier betaamt. Richtinggevende ideeën over de aanpak van hardnekkige

maatschappelijke problemen lijken in Den Haag een schaars artikel. De politiek

van visie en sturing heeft plaatsgemaakt voor een laissez-faire houding. Alleen

als het uit de hand dreigt te lopen grijpt het kabinet met technocratische

instrumenten in. Verder laat men zoveel mogelijk beleid over aan lagere

overheden, werkveld en private partijen.

‘We hebben te maken met een spijtoverheid,’ meent Jos van der Lans, Eerste

Kamerlid voor GroenLinks. ‘Het kabinet heeft vele zaken middels marktwerking en

decentralisatie in de uitverkoop gedaan. Nu is er geen weg terug meer. Het

eerste Paarse kabinet werd enthousiast onthaald omdat het de gelegenheid bood om

van de door het CDA gedomineerde bestuursstijl af te komen. Dat kabinet gaf nog

blijk van enig elan, met begrippen als sociale cohesie en sociale

infrastructuur. Maar die echo van inspiratie is in het tweede Paarse kabinet aan

het uitsterven. De termen hebben geen nadere invulling gekregen en zijn

verworden tot technocratische beleidsbegrippen.Er is geen visie meer op wat

je de ‘kwaliteit van leven’ kan noemen. Wat betreft het welzijnsbeleid komt het

ministerie niet verder dan dat het ‘stuurt op doelen en faciliteert op

instrumenten’. Dat is managersjargon. Maar in de hoofdpunten van het

regeringsbeleid is niets terug te vinden over welke kant het bijvoorbeeld met de

multiculturele samenleving op zou moeten. Ik pleit er al een jaar voor om

‘culturele openheid’ als visiebegrip te hanteren. Daar kan je veel

visie-elementen instoppen. Het zegt iets over hoe mensen zich tot elkaar

verhouden. Dergelijke begrippen geven nieuwe impulsen. Paars II is echter

inhoudelijk doodgebloed en kan de samenleving geen inhoudelijke sturing meer

bieden.’

Als voorbeeld noemt Van der Lans de decentralisatie van het welzijnsbeleid.

De landelijke overheid heeft gemeenten de opdracht gegeven lokale

structuurplannen op te stellen. Voor 1 november moeten zij aangeven hoe zij de

lokale problemen met samenhangend beleid denken aan te pakken. ‘Door gebrek aan

landelijke sturing krijg je overal hetzelfde. Iedere gemeente werkt met een

standaardplan dat een beetje op de lokale situatie wordt toegespitst. Het is een

spel tussen ambtenaren, professionals en extern ingehuurde deskundigen.

Beheersing zonder inhoud. Ik wil niets afdoen aan de goede bedoelingen achter

bijvoorbeeld het Grotestedenbeleid, maar het is niet meer dan een technocratisch

denkkader. Het maakt niet kwaad, er gaat geen impuls vanuit. Het maakt alleen

maar treurig.’

Sint Juttemis

VOG-voorzitter Han Entzinger kijkt minder somber aan tegen de

kabinetsinspanningen om de kwaliteit van de samenleving te verhogen. Hij vindt

dan ook dat welzijnsorganisties niet moeten wachten op inhoudelijke initiatieven

van de landelijke overheid, maar zelf het heft in handen moeten nemen. En daar

biedt Paars II volgens hem legio mogelijkheden voor.’Ik vind dat het kabinet

op dit moment duidelijk maakt dat het met alle kracht wil werken aan de

kwaliteit van de samenleving. Het investeert terecht fors in de versterking van

de sociale infrastructuur en allerlei terreinen die met maatschappelijk welzijn

te maken hebben. Extra geld voor kinderopvang, voor de jeugdzorg, voor het

grotestedenbeleid en voor de instroom van werklozen. Ondernemers in de

welzijnssector moeten de kansen die hun nu van allerlei kanten geboden worden,

grijpen. Ze moeten gebruik maken van de verschillende geldstromen en brede

beleidskaders van Rijk, provincie en gemeenten. Samenwerkingsverbanden creëren

en gezamenlijk oplossingen bedenken.De sector hoeft niet te wachten tot het

beleid van de verschillende departementen op elkaar is afgestemd en de

coördinatie optimaal is, want dan kun je wachten tot Sint Juttemis.’

Tandengeknars

Entzinger is niet de enige die vindt dat de sector niet moet wachten op

visie en sturing vanuit Den Haag, maar zelf de kansen moet grijpen om tot

vernieuwing en innovatie te komen. Het grand design-denken is achterhaald, vindt

ook Tom Zijlstra, directeur van de Rivas Zorggroep en per 1 november directeur

van het NZi. Een onsje meer visie van de overheid is, vreest hij, teveel

gevraagd.’De regeringen van ons land lopen – zeker de laatste decennia – nu

eenmaal altijd achter de muziek aan. Het is een kenmerk van een postmoderne

staatsmacht om niet op ontwikkelingen vooruit te lopen, om de loop der dingen

eerst maar eens af te wachten. Zolang het geweeklaag en tandengeknars niet de

drempelwaarde van een crisis bereikt, gaat het immers helemaal niet zo slecht.

Pas als het kalf verdronken is, dempt men de put. En wacht tot de opschudding

weer wegebt. Dat geldt ook voor de sector zorg en welzijn. Denk bijvoorbeeld aan

de kwestie Jolanda Venema.’

Zijlstra meent dat niemand zich hoeft te verbazen over de

incidentalistische benadering van de overheid. ‘Een voorbeeld is de aanpak van

de wachtlijsten in de zorg. Het helaas niet ondubbelzinnig volhouden van de

afwijzing van de tweedeling in de zorg en voorrang voor werknemers getuigt van

het geleidelijk meegeven aan maatschappelijke ontwikkelingen. Het regeerakkoord

van Paars II was daar al duidelijk over: in deze kabinetsperiode geen majeure

wijzigingen van het stelsel van verzekering en financiering van de zorg. Hooguit

werden moeizame meerjarenafspraken gemaakt en mogen er, tegen het eind van de

regeringsperiode, want regeren is vooruitschuiven, maximaal twee experimenten

komen met ontschotting tussen ziekenfondswet en AWBZ.

Ook deze medaille heeft twee kanten. De aarzelende opstelling van de

regering biedt ruimte voor allerlei commerciële beunhazerij, maar gaat

anderzijds niet gepaard met een restrictieve houding tegenover belangrijke

vernieuwingen die her en der ontstaan. Dat geeft goede kansen voor

maatschappelijk verantwoord ondernemen, voor tal van initiatieven op het vlak

van specialistenhonorering, zorgvernieuwing, transmuraal werken en

zorgketenvorming. Het kabinet lijkt dat zelfs aan te moedigen en loopt de sector

minder voor de voeten met blauwdrukken en regelingen. De vorming van de RIO’s,

die blokkerend werkt op transmurale ontwikkelingen, is daarbij dan een

ergerlijke uitzondering. Al met al is de kans reëel dat op sommige locaties in

Nederland oplossingen worden bedacht om het hoofd te bieden aan de ontwrichting

van de zorg die in het komende decennium zal ontstaan als gevolg van de

vergrijzing. Oplossingen die dan als voorbeeld kunnen dienen voor een wal om ook

elders het schip te keren.’

Struisvogelpolitiek

Anke van Blerck, Tweede Kamerlid voor de VVD, heeft geen moeite met het

pragmatisme van Paars. ‘Visies zijn niet zaligmakend. Het zou jammer zijn als er

jaren voorbij gaan met het vinden van consensus op basis van al lang bekende

politieke ideologieën op dit terrein. Het oplossen van problemen heeft

prioriteit.’

Van Blerck signaleert dat het huidige systeem kampt met tal van problemen

die volgens haar samenhangen met het sturingsmechanisme van de overheid. ‘Als de

Kamer besluit 5,6 miljard extra in te zetten om de wachtlijsten weg te werken,

gebeurt dat dan ook? Decentralisatie van verantwoordelijkheden in het veld van

de gezondheidszorg zou ervoor hebben gezorgd dat alle betrokkenen ook

aanspreekbaar zijn op de uitvoering van beleid. De minister is dan niet tot in

detail verantwoordelijk, maar maakt het raamwerk en stelt de randvoorwaarden

vast waarbinnen zorg verleend wordt. Nu laten de minister en de Kamer zich te

gemakkelijk aanspreken op onderwerpen waar zij niet verantwoordelijk voor zijn.

Bovendien hebben ze steeds meer de neiging om ontwikkelingen die in de

samenleving al lang gaande af te remmen of zelfs tegen te houden. Recent

voorbeeld: snelle hulp voor werknemers. De Kamer zegt dit niet te willen, maar

in de praktijk gebeurt dit toch. Daar kun je je ogen niet voor sluiten. Je moet

daar op een volwassen manier mee omgaan.’

Van Blerck wil een visie op de zorg ‘waar we de komende decennia mee

vooruit kunnen’ en maakt de vergelijking met de ontwikkelingen in sociale

zekerheid. ‘Daar zijn ideeën als de vangnetconstructie, privatisering en

ministelsel inmiddels gerealiseerd, in de volksgezondheid nog niet. Laten we in

de zorg geen struisvogelpolitiek bedrijven. Enerzijds is er beleid gericht op

kostenbeheersing, anderzijds zijn er oplopende kosten ten gevolge van de

vergrijzing en de hogere eisen van cliënten. We zien nu al dat ouderen die via

de AWBZ niet voldoende hulp krijgen uitwijken naar particuliere verzekeringen

waar men te kiezen heeft.’

Tegenvoeters

Het ontbreekt de politiek niet zozeer aan visie, maar het

kabinetsbeleid is gebaseerd op een opeenhoping van compromissen. Dat krijg je nu

eenmaal wanneer sociaal-democraten gaan samenwerken met hun tegenvoeters. Dat

vindt Bert Middel, Tweede Kamerlid voor de PvdA. ‘Maar zelfs als visie en

sturing zouden worden uitgestrooid over lagere overheden, instellingen en

organisaties, leidt dit nu eens tot weinig en dan weer tot niets. Op doorwrochte

beschouwingen en ideologisch getinte vergezichten zitten slechts weinigen te

wachten, zeker als de fel begeerde bijgewenste financiën ontbreken.

Decentralisatie van beleid blijkt haar prijs te hebben, wat niet wil zeggen dat

zij moet worden teruggedraaid. Daarentegen is het hoog tijd strategische

allianties tussen verschillende bestuursniveaus, maatschappelijk initiatief en

marktpartijen te bewerkstelligen. Zo kan een integraal beleid worden ontwikkeld,

los van de schotten tussen de departementale geldstromen en het

gemeentefonds.’

De sector zit volgens Middel dan wel niet te wachten op ideologische

verhalen, dat betekent echter evenmin dat marktwerking en privatisering de

oplossing zijn voor alle problemen. ‘Experimenten in de wereld van zorg en

welzijn lijken de laatste jaren meer een doel op zich dan dat zij bijdragen tot

efficiency en kwaliteitsverbetering. Marktwerking, privatisering en

voorrangszorg leiden vooral tot het tegendeel van wat beoogd wordt. Het besef

dat zorg en welzijn op mensen, met name gewone mensen, betrekking behoort te

hebben, verdient een sterker en breder politiek draagvlak.’

Paars II doet niet aan grote verhalen. Die diagnose is juist, vindt Peter

van Lieshout, directeur van het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn. Hij

vraagt zich echter af of dat alleen het kabinet te verwijten valt. ‘Uit de vraag

“Een onsje meer visie, mag dat?” spreekt een duidelijke teleurstelling. Dat kan

duiden op twee zaken: of er is onvoldoende gepresteerd, of de verwachtingen

waren (te) hoog. Dat laatste lijkt me in ieder geval waar. In de afgelopen

decennia is ons verwachtingspatroon ten opzichte van de overheid steeds verder

gegroeid. Niet in de zin dat we hogere geluksaspiraties zijn gaan koesteren –

eerder is het omgekeerde het geval – maar wel dat onze tolerantie voor fouten

steeds minder is geworden. De steeds innigere vervlechting van media en politiek

maken dat problemen sterk geprofileerd worden. Om het cynisch uit te drukken: we

zijn niet ver meer verwijderd van het moment dat de kamer van reces wordt

teruggeroepen om mevrouw Borst ernstig te ondervragen over het feit dat een

verstandelijk gehandicapte in Emmen-Zuid in vijf graden te warm badwater is

gedompeld.’

Die toegenomen verwachtingen gelden ook het beleid op het gebied van zorg

en welzijn. Van Lieshout noemt het opvallend dat het publieke discours over de

zorg er een is van wachttijden en verschraling, terwijl uit de cijfers blijkt

dat er de afgelopen decennia steeds meer uren thuiszorg per inwoner en meer

verpleegkundigen per opgenomen patiënt zijn. ‘Die discrepantie kun je niet

verklaren uit het feit dat mensen niet zouden begrijpen wat er echt aan de hand

is. De achtergrond is dat onze ideeNn over wat goede zorg is, zijn veranderd. De

kwaliteit van de zorg is wel gestegen, maar ons – legitieme –

verwachtingspatroon nog sterker.’

Herideologisering

Paars II, de regeringsploeg zonder grootse en meeslepend programma,

representeert het tijdsgewricht. ‘Waar Paars II geen grote verhalen heeft, heeft

het CDA al evenzeer moeite om die (weer) te ontwikkelen. Veel van de

aantrekkingskracht van GroenLinks en de SP zit ook in het feit dat ze er en

tenminste ten dele in slagen om tegemoet te komen aan de behoefte aan grote

verhalen. Paars-II is een representant van de jaren negentig: een bij uitstek

pragmatische periode waarin fatsoen en neo-liberalisme aan elkaar werden

geknoopt. Wanneer dat tijdperk ten einde is, weet ik niet, maar het zou mij

verbazen als het komende decennium niet weer een herideologisering te zien gaf,

of beter gezegd, als er niet weer pogingen gedaan zouden worden om grote

perspectieven te schetsen. Een visie op vervoers-infrastructuur bijvoorbeeld die

niet bol staat van de compromissen, een aansprekend idee over de betekenis van

leren en onderwijs als infrastructuur in de samenleving, een idee over wat een

wijk nu eigenlijk is en welke functies op dat niveau ondergebracht moeten

worden, een aansprekend perspectief op hoe de laatste levensjaren prettig

doorgebracht kunnen worden.’

Als van Lieshout zelf een prioriteitenlijstje moest samenstellen, dan

zouden daar in ieder geval twee groepen op voorkomen die er naar zijn mening nu

bekaaid vanaf komen: WAO’ers en ouderen. ‘We zijn enthousiast over de daling van

de werkloosheid en we blijven ook zwaar inzetten op constructies als de CWI’s om

nog betere arbeidsbemiddeling tot stand te brengen. Maar nu de werkloosheid

onder de 200.000 komt en er in steeds meer sectoren sprake is van krapte op de

arbeidsmarkt, zou de beleidsenergie zich moeten verplaatsen naar de veel

omvangrijker groep van bijna 1 miljoen WAO’ers. Er gebeurt weliswaar het een en

ander – denk aan PEMBA en REA – maar dat blijven instrumenten die vooral gericht

zijn op het verminderen van instroom. De categorie zittende WAO’ers zal maar

mondjesmaat van die instrumenten profiteren. En een miljoen mensen is simpelweg

een te grote groep om geen ideeën over te hebben.’

Een tweede speerpunt voor Van Lieshout zijn de arrangementen die we in het

leven zouden kunnen roepen om de oude dag voor iedereen tot een relatief

aangename periode te maken. ‘De ideeën daarover zijn de afgelopen jaren sterk

gewijzigd – het verzorgingshuis voldoet voor steeds minder mensen – maar de

vraag hoe een adequate ondersteuningsstructuur opgezet kan worden, krijgt nog

steeds niet die zwaarte die het toekomt. Verdringing, gebrek aan sense of

urgency, ontkenning van de snelle opkomst van een grote groep assertieve en

bemiddelde ouderen, gebrek aan ideeën? Wie zal het zeggen; het blijft echter een

majeure opgave voor de politiek om ook op dit vlak een aansprekend perspectief

neer te zetten.’

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.