Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Dai Carter: ‘Af en toe een gecontroleerd vechtpartijtje kan duidelijkheid scheppen ’

Opgegroeid in een achterstandswijk in Amsterdam leerde Dai Carter hoe hij moest overleven: vechten, voetballen en van je afbijten. ‘Daar is een begin gelegd van mijn weerbaarheid’, vertelt de trainer van de tv-serie Kamp van Koningsbrugge. En over hoe hij heeft geleerd zijn explosieve karakter onder controle te krijgen.

Bij het Korps Commandotroepen leerde Dai Carter over hoe je mentale kracht kunt ontwikkelen. In zijn boek Nu of nooit vertelt hij daarover. Voor de tv-serie Kamp van Koningsbrugge traint hij burgers die willen bewijzen dat ze geschikt zijn voor de special forces van de landmacht. Dit is zijn verhaal.

In je boek schrijf je over de pleintjesmentaliteit in jouw woonwijk in Amsterdam. Wat moet ik me daarbij voorstellen?

‘Ik speelde altijd op het pleintje voor de deur, samen met Marokkaanse, Turkse, Antilliaanse en Surinaamse jongens. Als je daar wilde overleven was het belangrijk dat je kon vechten, voetballen en van je afbijten met woorden. Voetballen kon ik niet, knokken moest ik leren en praten ook. Ik was me, hoe jong ook, erg bewust van hoe ik moest overleven op dat pleintje. Daar is het begin gelegd van mijn weerbaarheid.’

Uit wat voor gezin kom je?

‘Mijn moeder is een sterke, geëmancipeerde vrouw, maar ze komt uit een gebroken gezin met een geschiedenis zullen we maar zeggen. Mijn vader is Brits, en heeft dan ook een Britse opvoeding gehad. Een van de stiff upper lip. Over emoties praatte hij niet. Hij is een product van de jaren zestig, zeventig en tachtig in Brittannië. Dat resulteerde erin dat hij zich in zijn adolescentie ging verzetten in de vorm van punk. Hij wilde weg uit Londen en kwam toen in de Amsterdamse punkscene terecht. Daar ontmoette hij mijn moeder. Hij zegt altijd dat hij op haar viel omdat ze met één hand een sjekkie kon draaien. Kortom, mijn ouders waren behoorlijk anti-gevestigde orde. Mijn moeder had al een dochter uit een eerdere relatie. Op mijn zevende gingen mijn ouders scheiden. Mijn vader heeft met zijn nieuwe vrouw een dochter gekregen.’

Hoe viel die pleintjescultuur thuis?

‘Daar praatte ik niet over thuis. Ik kan me nog een keer herinneren dat ik drie of vier jaar oud was en met een vriendje aan het spelen was op het plein. Er kwamen twee ouderen jongens en die zeiden “kom eens hier, dan zal ik je wat laten zien”. Ik bleef staan, maar mijn vriendje ging kijken. Ze pakten hem vast en zetten een mes op zijn keel. Bij wijze van spelletje. Ik moest huilen en vond het verschrikkelijk eng. Maar ik kan me niet herinneren dat ik dat thuis deelde.

Maar als ik zulke akkefietjes had gehad op het pleintje, en dat was bijna elke dag, kwam ik wel boos of bang of verdrietig thuis. Dat merkte mijn moeder natuurlijk. Dan rende ze naar buiten om die jongens op hun flikker te geven. Wat niet echt hielp, want als ik dan weer ging buitenspelen vroegen ze: “Wat ga je doen? Ga je je moeder roepen?”‘

Je zei: ‘Vechten moest ik leren.’ Heb je dat geleerd?

‘Pas toen ik ouder was, een jaar of vijftien. De toenmalige vriend van mijn moeder zei: “Je moet niet met je laten sollen, jongen. Je moet de grootste jongen van het plein op zijn bek slaan.” Dus toen ik op dat pleintje Achmed tegenkwam – mijn aardsvijand, een jongen die altijd de pik op me had – zijn we op de vuist gegaan. Iedereen was erbij. Drie minuten lang hebben we elkaar de hersens ingetrapt. Toen waren we uitgeput, we keken elkaar aan, alle jongens waren stil, we gaven elkaar een hand en toen was het klaar. We werden zelfs vrienden. Hij heeft me jaren later ook uitgenodigd voor zijn trouwerij!

Op het speciaal onderwijs heb ik hetzelfde meegemaakt. Twee jongens hadden de hele tijd ruzie met elkaar. Tot de gymleraar zei: “Jullie trekken bokshandschoenen aan en gaan het uitvechten waar de hele klas bij is.” Na drie minuten was het klaar. De pikorde was duidelijk, de ene had gewonnen en de andere verloren.’

Zou je het jongerenwerkers aanraden om bij tijd en wijle een vechtpartijtje te organiseren?

‘Als je een relatie hebt met die jongeren en weet dat ze stoppen als jij zegt stop, dan kan het duidelijkheid scheppen. Mits je als jongerenwerker de omstandigheden kan controleren. Dus geen vechtpartijtje maar eerder gecontroleerd sparren met een winnaar aan het eind.’

Op donderdag 1 december is het Zorg+Welzijn Wijkteam congres. Onderwerp: Samenwerken in de praktijk, met burger, met professionals en domeinoverstijgend samenwerken. Je kunt je hier aanmelden voor het Wijkteam congres>>

In Zorg+Welzijn magazine nr 5 kun je het hele verhaal van Dai Carter lezen>>

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.