Communities that care moet problematisch gedrag jongeren beteugelen: De probleemloze wijk op papier

In hoeverre is probleemgedrag van jongeren op wijkniveau aan te pakken? De aanpak 'Communities that care', die uit Amerika afkomstig is, moet bewijzen dat dit goed lukt. Belangrijke voorwaarde is dan wel een hechte relatie met familie, leeftijdsgenoten, school en de wijk. Er is nu bijna twee jaar ervaring met pilotprojecten in vier Nederlandse steden. 'Instanties moeten méér de straat opgaan.'

‘Als er Marokkaanse jongens in de speeltuin zijn,

sturen ze de andere kinderen weg. Je hoeft er niks van te zeggen, want je krijgt

een grote mond.’ De 65-jarige Dirk Groen, vrijwilliger bij het buurtbeheer in de

Van der Pekbuurt in Amsterdam-Noord, heeft de buurt flink zien veranderen de

afgelopen jaren. Vroeger was het er rustig. Er kwamen steeds meer allochtonen

wonen in de relatief goedkope huurhuizen. Nu is 51 procent van de bewoners

allochtoon en de allochtone jongeren overheersen de straat. Dirk is al vanaf

1993 actief op de buurtpost. Hij is als bewoner lid van het preventieteam, dat

als spil fungeert voor het in gang zetten van de nieuwe strategie om

probleemgedrag van jongeren aan te pakken: Communities that Care. Het kenmerk

hiervan is dat alle betrokken instanties en organisaties met elkaar om tafel

zitten. Niet de welzijnsorganisatie of de politie lanceert een programma om iets

te doen aan bijvoorbeeld de overlast die hangjongeren veroorzaken. Maar elke

instantie die ook maar iets met jongeren te maken heeft praat mee, beoordeelt

mee en besluit mee over de programma’s die in de wijk worden ingezet.

Keten van acties

Begin 2000 zijn vier pilots geselecteerd in wijken in Amsterdam, Arnhem,

Zwolle en Rotterdam. Na bijna twee jaar is men nog steeds in de ‘papieren’ fase,

het maken van een plan van aanpak. Niettemin, het werkt, vinden de direct

betrokkenen. ‘We weten nu waarom we keuzes maken voor bepaalde sociale

programma’s,’ zegt projectleider Ido de Vries, beleidsambtenaar jeugdbeleid van

het stadsdeel Amsterdam-Noord. ‘We kiezen op basis van cijfers en analyses van

de wijk. We krijgen een overzicht van de programma’s die al in de wijk lopen,

wat er goed en niet goed aan is. Zo bepalen we wat er meer nodig is om de vier

grootste risicofactoren aan te pakken.’ In wijken in Amsterdam-Noord zijn

bijvoorbeeld vier grootste benoemd voor probleemgedrag van jongeren: problemen

in de omgang van de ouders met hun kinderen, gebrek aan binding met school, de

jonge leeftijd waarop probleemgedrag begint en de geringe binding met de wijk.

‘Veel hulpverleners liepen aan tegen de vraag: zijn we bezig met de druppel op

de gloeiende plaat? Nu gaan we de effecten van de in te zetten sociale

programma’s meten. Dat is ook nodig omdat je aan de bewoners moet aantonen dat

je dingen doet die kloppen.’

‘We gaan uit van een bepaald onderwerp en overleggen met alle betrokken

instanties in het preventieteam over de juiste aanpak,’ zegt Robbie van Rijssel,

regiomanager bij de Stichting Buurtwerk Amsterdam Noord. ‘Neem bijvoorbeeld de

leerachterstand. Je kunt dat van verschillende kanten aanpakken:

huiswerkbegeleiding op school, opvoedingsondersteuning, politie die op straat op

treedt. Alle relevante instanties pakken hun deel van de verantwoordelijkheid en

er ontstaat een keten van acties in de wijk. Tot nu toe deed iedere instantie

afzonderlijk iets. En is er te weinig naar het effect van de eigen sociale

programma’s gekeken. Men begon ergens aan, dan werd er halverwege mee gestopt

omdat het niet bleek aan te slaan.’

Toekomstig falen

Kritisch over de wijkaanpak is Jan Willem Duyvendak, bijzonder hoogleraar

Samenlevingsopbouw en directeur van het Verwey-Jonker Instituut, dat onderzoek

doet naar vraagstukken in de zorg- en welzijnssector. Het uitgangspunt om de

problemen in de wijk aan te pakken is volgens hem niet altijd het juiste. Hij

plaatst twee kanttekeningen: ‘Zijn de risicofactoren terug te voeren naar de

wijk, oftewel: in hoeverre ligt het aan de wijk? Of is er ook oog voor armoede,

werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, taalachterstand en dergelijke: dat zijn

factoren die wel problemen met zich meebrengen in de wijk, maar niet op dat

schaalniveau kunnen worden opgelost. De mensen zijn niet arm, arbeidsongeschikt,

of werkloos omdat ze in die wijk wonen, maar wonen in die wijk omdat ze arm

zijn’.

Verder zet Duyvendak vraagtekens bij de motieven voor preventie. ‘Heel veel

projecten in het kader van Communities that Care zien er veelbelovend uit. Maar

vooral als ze worden uitgevoerd als normale integratieprojecten en niet onder

het mom van criminaliteitspreventie. Dat laatste is stigmatiserend en heeft een

negatief effect op mensen. Je spreekt ouders bij voorbaat aan op het toekomstige

falen van hun opvoedkundige kwaliteiten. Zouden we ook bij autochtonen naar

binnen durven stappen met de mededeling dat hun dreumes naar de voorschoolse

opvang moet om een toekomstige criminele carrière te voorkomen?’

Inmiddels zijn de pilots ruim anderhalf jaar bezig en men is toe aan het

maken van een plan van aanpak. Is het niet frusterend dat er in de wijk nog niks

gebeurd? ‘Ja, ik denk wel ‘s, ik wil nu ook daadwerkelijk iets doen,’ erkent

bewoner Dirk Groen. ‘Maar we overleggen met het preventieteam bijna elke maand,

er gebeurt wel wat.’ ‘De inventarisatie van de risico- en beschermfactoren in de

wijk, het verzamelen van cijfermateriaal en de analyses kosten veel tijd’,

verklaart beleidsambtenaar Ido de Vries.

‘Ik snap niet dat instanties niet méér de straat op gaan,’ kritiseert Jan

Willem Duyvendak de overlegcircuits. ‘De integrale aanpak heeft tot nu toe

weinig resultaat geboekt. Het ontbreekt instanties aan een “sense of urgency”.

We moeten tempo maken, de problemen moeten aangepakt worden. Te veel mensen

zitten in beleidsfuncties, te weinig goed opgeleide mensen werken in de

uitvoering. Dat heeft te maken met de enorme bezuinigingen uit het verleden. Het

welzijnswerk drijft op ID-banen. Er moet meer waardering, meer geld en een beter

imago, komen voor de mensen die bezig zijn met de uitvoering van het

welzijnswerk.’

Communities that Care is een wetenschappelijke aanpak om problemen bij

jongeren te signaleren en te voorkomen. Het is een lange termijn strategie –

minimaal 15 jaar – en niet gericht op het aanpakken van symptomen. Er wordt een

verband gelegd tussen een aantal risicofactoren in het gezin, op school, in de

jeugd en in de wijk, en het probleemgedrag van jongeren: geweld, criminaliteit

alcohol- en drugsgebruik, schooluitval en tienerzwangerschappen. Verder is CTC

gericht op het versterken van beschermende factoren in gezin, school, jeugd en

wijk. Kenmerkend in de werkwijze is dat een ‘coalitie van sleutelfiguren,

organisaties, instanties en bewoners in een wijk’ – samen in het preventieteam –

actief deelnemen in de analyse van de problemen (wijkprofiel) en het plan van

aanpak dat daarvoor opgesteld dient te worden. Het Nederlands Instituut voor

Zorg en Welzijn begeleidt het Communities that Care- project./Carolien

Stam

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.