Staatssecretaris Ross-Van Dorp (VWS) mist ‘noaberhulp’ tussen instellingen: ‘Welzijnswerk werkt buitengewoon preventief’

Staatssecretaris Clémence Ross-Van Dorp is amper aan regeren toegekomen. Ze wilde werk maken van de modernisering van de AWBZ en deze maand had ze graag de nieuwe Welzijnsnota uitgebracht. Maar ze is alweer een paar maanden demissionair. Ross-Van Dorp blikt terug op haar beleidsterrein. Over vermaatschappelijking, de welzijnssector en de rol van het ministerie van VWS. ‘Ik ben allergisch voor mensen die roepen dat ze zonder extra geld niet kunnen samenwerken.’

Na het gezinsdrama in Roermond – waarbij in juli vorig

jaar zes kinderen in een brand omkwamen – greep staatssecretaris Clémence

Ross-Van Dorp in om de rol van gezinscoaches bij wet te regelen. De bewindsvrouw

– nummer 4 op de CDA-kandidatenlijst – ziet deze regeling in de nieuwe wet op de

Jeugdzorg als een van haar belangrijkste ‘wapenfeiten’ tijdens de korte

regeerperiode van Balkenende.

Ross-Van Dorp: ‘Een brand kun je niet voorkomen, maar wel dat de hulp stokt

of dat de samenwerking tussen organisaties ophoudt. Om de hulp te blijven

vragen, moet er iemand in het gezin zijn die dat helpt ondersteunen. Dat kun je

gezinscoach noemen, omdat die term is ingeburgerd. Dat moet je in de wet

vastleggen. Een gezin kan een gezinscoach kiezen, maar is niet vrijblijvend.

Minister Donner en ik vinden dat je geen keuze moet opdringen. Als een gezin

dermate grote problemen heeft dat er een onder toezichtstelling bij Justitie

dreigt, dan zal dat gezegd worden. Van drang kom je dan in dwang terecht. Zo’n

keuze moet preventief werken om mensen uit het justitiële circuit te

houden.’

Wat vindt Ross-Van Dorp andere verdiensten van het afgelopen jaar? ‘Door de

kolommen van VWS heen, zowel door gehandicaptenzorg, geestelijke gezondheid,

verpleging en verzorging hebben we afspraken gemaakt over de wachtlijstenaanpak.

We willen regionaal beleid stimuleren, we hebben keiharde afspraken om

overbodige regelgeving en bureaucratie aan te pakken, over kwaliteitsbeleid.

Over twee jaar moet iedere instelling een kwaliteitsbeleid voeren, waarop de

inspectie op kan toezien en de cliënten volledig inzicht in hebben. Uiteindelijk

moet je in een soort Michelingids kunnen zien in welke instelling je zorg wilt

krijgen.’

Onder welke voorwaarden kan de vermaatschappelijking in de zorg

doorgaan?

‘Je moet niet alleen praten over de omslag van aanbodsturing naar

vraagsturing, het systeem daarop inrichten. Onze eerste zorg moet zijn dat we

weten wat de klant wil. De indicatie moet onafhankelijk zijn, de klant moet niet

gebonden zijn aan een zorgaanbieder. Bij extramuralisering moet de kwaliteit van

dienstverlening ook buiten de muren van een instelling geleverd worden. Dat is

deels nog pionieren.’

De staatssecretaris vraagt zich af of alle zaken die in de AWBZ zijn

gestopt wel zo bijzonder zijn. ‘De wooncomponent hoort eigenlijk niet bij de

zorg als je thuis blijft wonen. We denken na over de regelgeving over de

scheiding wonen-zorg. Er zijn ook zaken die je gemeentelijk kunt regelen, zoals

tafeltje dekje. Hoe zorg je ervoor dat dat zo sluitend is dat mensen niet

onnodig in de AWBZ terechtkomen. Gemeenten moeten dat preventief regelen, het

liefst bij één loket, waar je met elke hulpvraag terecht kunt. Dat is de

frontoffice en backoffice. Daar moeten een heleboel diensten aanwezig zijn.

Daarnaar moet je door de deskundigen in het frontoffice verwezen worden.’

Extramurale zorg wordt gefinancierd uit de zogeheten

reikwijdteregeling. VWS-ambtenaren stellen dat hiervoor uit preventief oogpunt

ook wachtlijstgeld gebruikt kan worden.

‘Geld voor de wachtlijsten is voor wachtlijsten bedoeld en we hebben geld

voor reikwijdteregeling waarmee delen van de extramurale zorg kunnen regelen. We

werken aan een subsidieregeling en straks aan een Dienstenwet, met middelen voor

zorg die niet in de algemene wet bijzonder ziektekosten thuishoort. Je moet niet

doen alsof alles in die AWBZ thuishoort. Dat is bedoeld voor langdurige

bijzondere ziektekosten.’

Maar is de reikwijdteregeling qua middelen niet te beperkt voor

al die groepen die extramurale zorg moeten krijgen?

De staatssecretaris wijst op de eigen verantwoordelijkheid van gemeenten.

‘Het zou mooi zijn als we daar meer middelen voor hadden, maar dat is op dit

moment niet het geval. Met die 31 miljoen gebeuren hele goede dingen. Allerlei

gemeenten doen hele creatieve dingen. Ik vind dat we moeten oppassen dat het

rijk het allemaal zou moeten regelen en subsidiëren.’

VNG en brancheorganisatie MO-groep waarschuwen dat de

extramuralisering stagneert omdat er te weinig geld is.

‘Instellingen kunnen nog meer doen, maar dan moet je dat samen met de

gemeenten doen. Een subsidieregeling is een manier om het proces vlot te

trekken. Soms moet je ook gewoon durven zeggen: dit is van de gemeenten, dit is

niet van het rijk. Een volgend kabinet moet zich bezinnen op de kosten als we

die taakverdeling rond hebben. Bijvoorbeeld: hoe kun je beter netwerken? Op

gemeentelijk niveau is daarmee een flink inverdieneffect te bereiken.’

VWS trok aan het kortste eind in de onderhandelingen met

Financiën.

De staatssecretaris kijkt zuur. ‘Als het economisch niet fantastisch gaat,

kun je forse claims op tafel leggen, maar je krijgt niet alles. Het is een

verdelingkwestie. Als je het hier uit je eigen begroting haalt, gaat dat van een

stuk zorg af. Iedereen heeft gelijk: als je zo’n stelsel maakt en je hebt zo’n

subsidieregeling, dan moet het uitgebreid worden.’

Hoe ziet u de rol van welzijnsactiviteiten bij de preventie van

zorg?

‘Die rol is natuurlijk groot. Mensen klagen vaak dat ze eenzaam zijn of

zich niet veilig voelen: “Misschien moet ik toch maar naar een verzorgingshuis.”

Mensen gaan door een gebrek aan welzijnsvoorzieningen, wegvallen van sociale

netwerken, door gebrek aan aandacht in hun omgeving, verlangen naar een

intramurale voorziening. Tegelijk zouden ze liever op hun eigen stekkie

blijven.’

Een NIZW-rapport stelt dat zorggerelateerde welzijnsdiensten

tussen de wal (gemeentelijk welzijnsbeleid) en het schip (de AWBZ) vallen. Hoe

kan daar samenhang in komen?

‘Regionaal en lokaal moeten mensen de ruimte krijgen daarvoor oplossingen

te verzinnen. Bij een woonzorgproject in Doetinchem hoorde ik dat mensen heel

wat horden hebben moeten nemen om te komen tot de meest wenselijke vorm van zorg

en welzijn. Ze moesten in de slag met de bouwvoorschriften van het college Bouw.

Vervolgens ging het over de vraag: hoe lever ik de ziekenzorg aan huis? Mag een

verpleeghuisarts wel buiten het verpleeghuis optreden? Ze zijn daar een beetje

met de rug naar Den Haag gaan staan, want ze wilden het gewoon gaan doen. Ik

zei: willen jullie wel een beetje met het gezicht naar Den Haag gaan staan om

mij te vertellen waar jullie last van hebben? Ik wil jullie graag ondersteunen

en iedereen laten profiteren, van wat jullie hebben bereikt, bijvoorbeeld via

een website.’

Is er niet een stimuleringsregeling nodig om

welzijnsinstellingen aan te zetten in te spelen op de

vermaatschappelijking?

De bewindsvrouw slaakt een zucht. ‘Er zijn ook mensen die het gewoon doen,

zonder steeds bij mij te komen met de vraag of ik daar geld voor heb. Je gaat

gewoon bij elkaar buurten en overlegt: hoe doe je dat nou? Als je dat wilt moet

dat niet alleen maar afhankelijk gesteld worden van geld.’

En u heeft geen geld.

‘Natúúrlijk is daar geld voor,’ zegt ze met luide stem. ´Maar ik heb er een

hekel aan dat mensen bij me komen en zeggen: heb je geld, dan kan ik iets doen.

Ik draai het liever om: als je weet wat je wil, kan je bij mij ook om geld

komen. Als ik duidelijk in beeld heb wat de opbrengst is, ben ik in het kader

van de nieuwe Welzijnsnota bereid dat te steunen. Ik ben een beetje allergisch

voor mensen die alleen maar roepen: ik heb geld nodig, anders kan ik niet

samenwerken.’

Is dat uw CDA-achtergrond met vertrouwen in samenwerking door

het particulier initiatief?

‘Ik woon in de Achterhoek en daar hebben we “samen buurt”. Daar vraag je

elkaar of je buur wil worden en als je dat doet, dan staan er bepaalde sociale

verplichtingen tegenover. Dat doe je niet voor geld, als er iemand ziek is dan

help je gewoon.’ De staatssecretaris vindt dat ‘noaberhulp’ het uitgangspunt

zijn voor de samenwerking tussen instellingen. ‘Tussen professionele

organisaties zijn vaak problemen omdat ze gericht zijn op zichzelf, in plaats

van op het netwerk dat ze moeten ondersteunen. Organisaties die wachtlijsten

willen oplossen moeten samen om de tafel. Dat werkt, bijvoorbeeld in

Nijmegen-Dukenburg. Verpleging, verzorging, RIO, zorgkantoor zaten daar om

tafel. Samen met de verpleeghuisarts gingen ze op pad en keken welke mensen er

nu op de wachtlijsten stonden. Ze doorbraken de schotten. Dat ging gewoon.’

Wat vindt u dan van AWBZ-koploper projecten zoals die in

Amsterdamse buurthuizen waar ze demente bejaarden begeleiden om ze langer thuis

te laten wonen? Zorg- en welzijnsinstellingen hebben dat samen met het

zorgkantoor opgezet. Moet je dat niet met landelijke regels

stimuleren?

´Ik denk dat dat wel een goede richting is. Het zit op het raakvlak van:

wat vind je nog welzijn en wat vind je nu AWBZ? Dan zeg ik: dit lijkt mij een

normale welzijnsdienst, die je kunt aanbieden op gemeentelijk niveau.´

Dan zeggen welzijnsinstellingen dat het nieuwe doelgroepen

zijn, die nieuwe deskundigheid vragen buiten hun bestaande

programma.

´Misschien moet je daar dan extra geld in investeren, als we het over een

subsidieregeling hebben, kan ik me voorstellen dat je het daarvoor besteedt.

Maar vervuilen we de boel niet als we alles in de AWBZ, de bijzondere

ziektekosten, zouden onderbrengen? Daarom moeten we een goede Welzijnsnota

hebben en daarover overleggen met gemeenten en instellingen.’

In hoeverre heeft het ministerie daar nog capaciteit voor?

Onlangs is besloten om de directie Sociaal Beleid in vier jaar te halveren. De

aandacht lijkt meer naar zorg en wachtlijsten te gaan dan naar

welzijn.

Ross-Van Dorp zegt afgemeten dat het ministerie ‘zeer slagvaardig’ is met

die capaciteit. ‘We hebben eerst gesproken over hoe we omgaan met de nieuwe

Welzijnsnota. Het departement wil niet alles topdown in de samenleving landen.

Als je partner wil zijn van gemeenten hoef je hier niet een hele zware overhead

te hebben. Je moet slagvaardig zijn.’

Heeft u een voorbeeld van dat partnerschap?

‘We willen als rijksoverheid faciliteren. In de nota benoemen we vijf

pijlers waarbij het bij welzijn om draait,’ zo schetst ze de opzet van de nieuwe

Welzijnsnota die begin 2003 zou verschijnen. Ondanks aandringen wil ze niet op

de inhoud ingaan, want dan loopt ze haar lokale partners voor de voeten. ‘Op de

inhoud kan ik niet ingaan, echt niet. Dan zou ik de gemeenten door de wielen

rijden en al de mensen die erover nadenken. Dan zit ik weer topdown te vertellen

wat ik belangrijk vind. Welzijn is niet van de rijksoverheid, maar van de

samenleving.’ Bij die thema’s komt budget ter beschikking waarop lokale partners

kunnen inschrijven. ‘Met dat geld mag je geen grote externe onderzoeken doen.

Het is niet nodig om daarmee een duur adviesbureau te financieren, kort door de

bocht gezegd.’

Hoe ziet u de rol van de welzijnssector bij veiligheid? Volgens

politiecommissaris Bik zijn cultureel werk en opbouwwerk cruciaal bij de

preventie van criminaliteit.

‘Dat is zo en ook bij de preventie van eenzaamheid. Welzijnswerk is

buitengewoon preventief. Bij jou in de buurt kan een onveilig gevoel bestaan,

omdat er geen sociale netwerken zijn. Of omdat jongeren alleen maar kunnen

rondhangen, in plaats van dat ze een plek hebben waar ze zich vermaken. Dat is

een kwestie van welzijn organiseren, buurtwerk stimuleren. Als Kamerlid ben ik

vier jaar geadopteerd door Nijmeegse wijken. Waar het welzijnswerk niet van de

grond kwam, bijvoorbeeld door ingrepen in de ruimtelijke ordening, daar had de

politie het ook lastiger. De link welzijn-veiligheid is er. Fijn dat politie en

justitie dat ook steeds vaker zeggen.’/Martin Zuithof

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.