Twee jaar na de oudejaarsbrand in café ’t Hemeltje: De littekens van Volendam

Volendam, twee jaar na de ramp. Veertien jonge mensen kwamen om bij de brand en tientallen raakten zwaar gewond. Het dorp lijkt de draad weer op te pakken, maar de gevolgen zijn nog duidelijk zichtbaar. Hulpverleners vertellen hun verhaal over wat zij de afgelopen twee jaar hebben kunnen doen en hoe het er nu voor staat. ‘Lang niet alles is nog naar boven gekomen.’

‘Toen ik de steekvlam zag, dacht ik: dit gaat

helemaal mis. Ik zag dat het plafond brandde. Het kwam zo snel, zo fel over je

heen. Het is ongelofelijk. Dan kun je alleen nog maar hopen dat het heel snel

voorbij gaat op de een of andere manier. Toe ik bijkwam – ik ben even weggeweest

– lag ik op de vloer. (…) Ik wist het niet zo goed. Ik deed niets. Toen klom

ik maar via de brandtrap naar beneden en daar kwam ik aan de voorkant. Toen

stond ik opeens in een kring van ambulance personeel en politie. Ik wou iets

vragen, maar de mensen begonnen te huilen toen ze me zagen.’*

December 2002. Pastoor Jan Berkhout heeft net een rouwdienst geleid in de

Volendamse St. Vincentiuskerk. Het achttienjarig meisje dat overleden is, was

aanwezig toen de brand twee jaar geleden op oudejaarsnacht uitbrak in café ’t

Hemeltje. Kort na de brand kreeg zij kanker. Volgens Berkhout roept deze

gebeurtenis bij de slachtoffers en nabestaanden weer veel emoties op. ‘Over het

algemeen willen de slachtoffers weer een gewoon leven leiden en ook de aandacht

van de gemeenschap verflauwt. Maar bij een heftige gebeurtenis – zoals het

overlijden van dit meisje of de discussie of het café weer open moet – komen de

gevoelens weer naar de oppervlakte. De eerste maanden is er veel aandacht en

wordt er samen gerouwd, maar na verloop van tijd raken sommigen in een

isolement. De beschadigde jongeren moeten het uiteindelijk toch in hun eentje

verwerken. Bovendien komen er andere problemen bij, zoals verhoudingen in het

gezin. Nee, we zijn er nog lang niet overheen.’ Berkhout heeft in zijn rol als

pastoor na de brand een belangrijke taak gehad. Niet alleen de rouwdiensten en

herdenkingsbijeenkomsten leidde hij, maar vooral het bijstaan van de getroffen

gezinnen ziet hij als zijn voornaamste taak. Maar veel jongeren kunnen er

volgens de pastoor maar moeilijk over praten. Terwijl de meeste slachtoffers een

flink trauma hebben opgelopen. ‘Je moet ervan uit gaan dat nog lang niet alles

naar boven is gekomen. Dat kan nog jaren duren.’

In eerste instantie bleek er weinig animo te zijn voor de herdenkingsdienst

van 1 januari jongstleden. Berkhout vermoedt dat jongeren de confrontatie liever

uit de weg gaan. ‘Gelukkig kwam er uiteindelijk toch meer belangstelling voor de

dienst. Ik vind het heel belangrijk dat rituelen als een dienst of een stille

tocht een mogelijkheid tot huilen en herdenken biedt.’

Sociale steun

‘Dat zal iedereen wel zeggen, dat het allemaal weer normaal moet

worden. Dat wil je zelf ook eigenlijk. Maar het komt steeds terug. Het blijft.

Dat psychisch ermee bezig zijn. Dat je er over gaat nadenken. Dat je denkt hoe

liep dit en hoe liep dat. Eerst wilde ik steeds dat het over was, dat denken.

Maar nu denk ik maar dat het erbij hoort. Misschien wordt het minder en

misschien ook niet.’*

Jongerenwerker Bianca Vos was ook meteen na de ramp betrokken bij de

hulpverlening. Ze werkt op jongerencentrum Pius X, waar veel Volendamse jongeren

hun vrije tijd doorbrengen. Het jongerencentrum diende de eerste uren na de ramp

als noodopvang. Er werd medische hulp verstrekt, maar ook paniekerige jongeren

en ouders kwamen er voor informatie over hun familie en vrienden. De volgende

dag was Pius X weer open voor de opvang van jongeren. ‘Er was slachtofferhulp

aanwezig, maar ik merkte dat veel jongeren daar geen behoefte aan hadden. Ze

wilden gewoon bij elkaar zijn en spelletjes spelen. Onze taak hebben we beperkt

tot het bieden van een ontmoetingsruimte. De jongeren hadden een ruimte nodig

waar ze niet per se hoefden te praten en waar ze rust konden vinden. Later

hebben we voorlichtingsavonden en andere activiteiten georganiseerd.’ Toch bleek

daar na verloop van tijd niet veel animo meer voor te zijn. Vos: ‘Ze wilden geen

slachtoffer meer zijn en niet apart gezet worden. Daarom zijn we later ook

activiteiten voor alle jongeren gaan organiseren. De instelling van de jongeren

verbaast me wel eens. Ze maken er het beste van en dat is echt bijzonder om te

zien.’

Wat de hulpverlening in Volendam zo bijzonder maakt, is de inzet van

vrijwilligers. Na een bezoek van hulpverleners uit het Zweedse Göteburg, waar

zich een vergelijkbare ramp had voltrokken, werd besloten een soortgelijk

hulpverleningssysteem op te zetten. Het sociale steunsysteem van Göteburg werd

in Volendam vertaald naar een vrijwilligersproject. Karin Hoogeveen werkt op het

Advies- en Informatiecentrum Het Anker. In het nieuwe pand van Het Anker zijn

verschillende organisaties gevestigd die zich met nazorg en andere vormen van

hulpverlening bezighouden. Hoogeveen is coördinator van dit supportersproject.

Na een oproep in de krant meldden zich 225 vrijwilligers om familie, vrienden en

kennissen te helpen. Slachtoffers konden als zij daar behoefte aan hadden, een

beroep doen op een soort buddy. Deze vrijwilliger zou hen helpen bij allerlei

zaken en ook proberen te zorgen voor een snellere toeleiding naar professionele

hulp. Daarnaast kwamen er makelaars die supporters en slachtoffers aan elkaar

koppelden. De vrijwilligers kregen advies en training van professionals en zijn

na twee jaar nog erg actief.

Hoogeveen: ‘Elk groepje vrijwilligers kreeg een coach waar ze met vragen

terecht konden. Ook moesten ze leren waar hun eigen grenzen lagen.

Uitgangspunten van het supportersproject zijn psychosociale steun,

kennisoverdracht en een brugfunctie naar professionele hulp. De coach leerde de

vrijwilligers hoe ze dit konden doen. Ze kwamen ook geregeld bij elkaar om

moeilijkheden te bespreken. Nog steeds krijgen de groepen workshops over

onderwerpen als rouwverwerking en hoe om te gaan met pubers.’ Naast hulp in het

gezin organiseerden de supporters ook veel uitjes voor de slachtoffers om

drempels te overwinnen en er weer op uit te gaan. ‘Ik hoop dat we binnenkort in

elk gezin een casemanager hebben, die helpt bij scholing, werk en het aanpassen

van woningen. We moeten er met z’n allen voor zorgen dat de hulp laagdrempelig

blijft. Inmiddels is er een andere fase aangebroken in Volendam. Nu is het de

tijd van de realiteit. Dat brengt nieuwe problemen met zich mee.’

Vluchtgedrag

‘Ja, wie bepaalt nou wie er slachtoffer is. Het hele dorp is

slachtoffer en ook weer niet. Dan vind je de ouders van wie een kind dood is het

ergst, of die jongeren die vingers missen, of verbrand zijn in hun gezicht. Maar

ja, er zijn ook jongeren die niet kunnen slapen om wat ze gezien hebben die

nacht. Is dat dan erg, zijn zij dan ook slachtoffer? (…) Dit is mijn laatste

gesprek over de brand met iemand. Want ik wil dat het allemaal normaal wordt en

door dit soort gesprekken moet ik er steeds over denken. Eigenlijk was het nog

normaler in het ziekenhuis, dan nu de maanden erna. Nu is iedereen het zat om

erover te praten, terwijl de problemen er nog steeds zijn.’*

Nu de slachtoffers hun leven weer langzaam oppakken, lopen ze tegen veel

problemen aan. Gewonde handen maken hun oude werk onmogelijk en ook andere

lichamelijk inspanning kan te veel zijn. Henny Karman, van oorsprong docent,

werkt op Het Anker waar hij de jongeren helpt bij het zoeken naar een andere

opleiding of baan, maar ook bij psychosociale problemen. Veel jongeren hebben

last van concentratiestoornissen, agressief gedrag en, zoals Karman het

omschrijft, ‘ongecontroleerd weekendgedrag’. ‘Veel jongeren nemen in het weekend

veel drugs en alcohol. Men spreekt zelfs van tussen de vijftig en tachtig

procent van de jongeren. Ik verwacht dat dit getal in werkelijkheid wat lager

ligt, maar het is zeker vluchtgedrag van de jongeren. Ik probeer dit te

signaleren en gesprekken aan te gaan met jongeren. Het eerste jaar probeer je de

fysiek gewonden weer op de rails te krijgen, maar nu blijken er veel weggedrukte

gevoelens te zijn. Veel jongeren voelen zich meer alleen staan en ze komen ook

andere problemen tegen. Mislukte hersteloperaties, het niet kunnen vinden van

een vriendje. Door deze zware problemen zien ze vaak het nut niet in van een

opleiding, het zit allemaal heel diep. Die neerwaartse spiraal moeten we

doorbreken. Steeds meer jongeren zitten er mentaal zo doorheen en het wordt

alleen maar erger.’

* Citaten van slachtoffers uit de publicatie: Was alles maar weer normaal.

Over leven na de brand in Volendam, door M. Janssen e.a. Instituut voor

Psychotrauma, Zaltbommel, ISBN 9080 747 51 3./Ester Mijnheer

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.