Miljoenennota 2001: Geld is er, plannen volgen

Twee dingen zijn tijdens Prinsjesdag zeer duidelijk geworden. Er is geld om de kernproblemen waar de samenleving momenteel mee kampt aan te pakken en het kabinet heeft ook een duidelijk beeld waar die problemen zitten. Van een totaal gebrek aan visie - zoals de regering in de afgelopen herhaaldelijk voor de voeten is geworpen - is dan ook geen sprake. Maar hoe het beschikbare geld precies moet worden ingezet, daarover geeft het kabinet weinig duidelijkheid. Beslissingen over een nieuw financieringsstelsel in de zorg, over nieuwe impulsen om de sociale pijler van het Grotestedenbeleid vorm te geven en over een op de dilemma's van deze tijd afgestemde werkgelegenheidsaanpak schuift het kabinet voor zich uit.

Extra uitgaven van vijftien miljard gulden, een daling

van de staatsschuld met 21 miljard en een begrotingsoverschot van 6,3 miljard.

Eén ding is duidelijk bij de presentatie van de miljoenennota: aan het geld zal

het niet liggen. Goed, in bijvoorbeeld de zorg zal de 3,7 miljard extra (2,2

miljard meer dan in het regeerakkoord was voorzien) niet voldoende zijn om alle

problemen op het gebied van wachttijden, werkdruk en ziekteverzuim op te lossen.

En datzelfde geldt voor zowel de 800 miljoen gulden voor werkgelegenheid en

inkomensbeleid als de 600 miljoen gulden voor Nederlandse achterstandswijken.

Maar er zijn in ieder geval forse bedragen beschikbaar om de problemen ter hand

te nemen.

Het kan het tweede Paarse kabinet niet worden ontzegd dat ze de

kernproblemen – het opkrikken van de publieke sector, de omschakeling van het

werkgelegenheidsbeleid van het creëren van banen naar activering en een

versterkte inzet voor veiligheid en leefbaarheid in de grote steden – goed weet

aan te geven. Ook realiseert het kabinet zich dat het verhogen van budgetten op

zichzelf ruimte biedt voor kwaliteitsverbetering, maar dat die ruimte niet met

geld alleen gevuld kan worden. Het komt dan ook met tal van

‘oplossingsrichtingen’. Maar de concrete invullingen lijkt het op vrijwel alle

terreinen voor zich uit te schuiven.

Nadere analyse

De begrotingen geven geen antwoord op wat er precies moet gebeuren. Zo gaat

maar liefst 22 procent van de groei van de Rijksbegroting gaat naar de zorg,

waarmee het totale zorgbudget volgend jaar tot 82 miljard gulden stijgt.

Honderden miljoenen gaan naar het terugdringen van wachttijden in ziekenhuizen,

verpleeghuizen, gehandicaptenzorg, ggz en thuiszorg. Ook het werven en

aanstellen van meer personeel krijgt een financiële injectie, evenals de

intensivering van de AWBZ. Maar in plaats van uitgewerkte plannen, komt het

kabinet niet verder dan de aankondiging dat er een nieuw financieringsstelsel in

de zorg zal komen. De keuze hoe zo’n stelsel er precies uit moet komen te zien

laat minister Borst aan een volgend kabinet over.

Eenzelfde houding is te bespeuren bij het ministerie van Sociale Zaken

en Werkgelegenheid, waar het gaat om het bevorderen van de arbeidsparticipatie.

De afgelopen jaren zijn er vele miljarden guldens geïnvesteerd in het creëren

van gesubsidieerde arbeid. En dat zal het komende jaar niet veel minder zijn.

Maar tegelijkertijd vraagt minister Vermeend zich af of het nog wel van deze

tijd is om banen voor langdurig werklozen te subsidiëren.

Ook stelt hij ter discussie of de vier-fasen-indeling in de bijstand nog

wel voldoet, nu er veel minder werklozen uit de fases 1 tot en met 3 zijn.

Vermeend wil pas met een duidelijk oordeel over het stelsel van op

arbeidsparticipatie gerichte maatregelen komen nadat een commissie van

ambtenaren en externe deskundigen in het voorjaar van 2001 met een analyse

hierover is gekomen.

Het kabinet ziet na lange leste in dat maatregelen die zich richten op de

aanbodkant van de arbeidsmarkt achterhaald zijn en dat de inspanningen veeleer

gericht moeten zijn op sociale activeringstrajecten om mensen rijp te maken voor

een plek op de arbeidsmarkt. Dat er nog een half jaar gewacht moet worden op een

analyse van de werkgelegenheidsaanpak is op zich verbazend, want het feit dat er

een grote kloof gaapt tussen langdurig werklozen en de gesubsidieerde

arbeidsmarkt was de afgelopen twee jaar nagenoeg bekend.

Ook het Grotestedenbeleid (gsb) blijft niet achter in het

vooruitschuiven van concreet beleid. De kritiek van de afgelopen jaren was dat

het gsb weliswaar heeft gezorgd voor economische structuurversterking en

verbetering van de lokale infrastructuur in deze steden, maar dat het beleid

nauwelijks leidde tot verbetering van de sociale infrastructuur. Met name zouden

de zwakkere groepen in de samenleving, zoals ouderen en allochtonen, er niet van

profiteerden. Desalniettemin stelt minister Van Boxtel van Grotesteden- en

Integratiebeleid dat hij pas een standpunt wil innemen over de vraag hoe ook de

zwakkere groepen in de grote steden bereikt kunnen worden als het Sociaal en

Cultureel Planbureau in het najaar met een studie over dat onderwerp is gekomen.

Het komende jaar, zo heeft de regering aangekondigd, zullen tal van ideeën

die binnen het kabinet leven maatschappelijk worden getoetst. Welke vormen van

beleid passen er nog in deze tijdgeest en welke niet? Wat voor organisatievormen

zijn er nodig om de knelpunten in de samenleving het hoofd te bieden? Minister

Zalm van Financiën slaat de spijker op zijn kop met de constatering dat ‘het op

de lange termijn niet zozeer gaat om geld, maar om organisatie.’ En een visie op

de organisatie, daar ontbreekt het in de huidige begrotingen nu net aan. Het

Sociaal en Cultureel Planbureau en het Centraal Planbureau riepen onlangs de

overheid op om 10 of 15 jaar vooruit te kijken en een agenda voor de 21ste eeuw

te schetsen. Zo bezien lijkt de huidige begroting meer een opmaat voor een

begroting die blijk geeft van opvattingen over waar de problemen het meest

knellen en hoe dat geld kan worden ingezet. De begroting van 2002,

misschien?/Eric de Kluis

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.