Wanneer we spreken van domeinoverstijgend samenwerken bij complexe problematiek zoals huiselijk geweld en kindermishandeling, hebben we het over de samenwerking tussen partijen uit verschillende domeinen: zorg, veiligheid, participatie, schuldhulpverlening, jeugdzorg, enzovoort. Nelleke Westerveld is senior projectleider bij Movisie. Zij heeft onderzocht waar de grootste knelpunten zitten als het gaat om domeinoverstijgend samenwerken. Want hoewel het op papier misschien simpel lijkt, blijkt het in de praktijk een uitdaging.
Domeinoverstijgend samenwerken: noodzaak en uitdaging
Westerveld geeft aan dat een goede samenwerking essentieel is, omdat veiligheid achter de voordeur zelden door slechts een partij gerealiseerd kan worden. Je hebt elkaar nodig. In de praktijk blijkt deze samenwerking weerbarstig. Verschillen in wet- en regelgeving, cultuur, werkwijzen en zelfs taalgebruik zorgen voor frictie, verwarring en in enkele gevallen een casus waarin niet adequaat wordt gehandeld, met nadelige gevolgen.
Versnippering, cultuurverschillen en het ontbreken van overzicht
Waarom is samenwerken zo lastig? Westerveld gaat in gesprek met diverse hulpverleners en hulpverlenende instanties en achterhaalde de knelpunten. ‘Hulpverleners geven aan dat er vaak sprake is van versnippering: professionals werken vanuit hun eigen domein, met eigen kaders en regelgeving. Er ontbreekt vaak iemand die het gehele overzicht bewaart. Iedereen doet een stukje, maar niemand houdt toezicht op het geheel. Dat leidt tot inefficiëntie en risico op fouten’, aldus Westerveld. Dat is vooral belangrijk voor de mensen waar het om draait: het gezin. ‘Juist voor hen is het belangrijk dat er een vast contactpersoon is die alle lijntjes bij elkaar houdt.’
‘Dat kun je bijvoorbeeld doen door een multidisciplinair overleg te plannen met iedereen die met het gezin te maken heeft. De hulpverleners, de gezinsleden en belangrijke mensen uit hun persoonlijke netwerk. Bespreek de situatie met hen en beslis wie het meest geschikt is om de regierol te nemen.’
Verticale organisatiestructuren
Daarnaast speelt de verticale structuur van organisaties een rol, geeft ze aan. ‘Professionals weten precies wat ze binnen hun eigen domein mogen doen, maar zodra er samenwerking buiten die grenzen nodig is ontstaan er obstakels.’
Regionale Veiligheidsteams
Dat herkent ook Viviënne Martens (33), die sinds twee jaar aangesloten is bij de Proeftuinen van het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. Zij is onderdeel van het Regionale Veiligheidsteam in Utrecht, waarin Veilig Thuis, SAVE jeugdbescherming, William de Schikker Stichting, Moviera en een sociaal psychiatrisch verpleegkundige van Altrecht bij zijn aangesloten. Dit team werkt nauw samen met lokale teams in de buurt en de jeugdreclassering.
De proeftuin is bedoeld om in de praktijk te onderzoeken wat er in de aanpak voor een betere bescherming van kinderen en gezinnen nodig is, wat werkt en waar de knelpunten liggen. De focus ligt op integrale aanpak, eenvoud en samenwerking op regionaal niveau.
‘Ik weet uit ervaring dat domeinoverstijgend samenwerken in de praktijk een enorme uitdaging is, zeker op het gebied van huiselijk geweld. Vaak wordt er als estafettemodel achter elkaar aan gewerkt. Het stokje wordt doorgegeven, zo van “de verantwoordelijkheid ligt nu niet meer bij mij, maar bij de ander”‘, vertelt Martens. ‘Dat terwijl je het juist samen moet doen.’
Voorkom een afschuifcultuur
Martens: ‘In de proeftuinen zitten alle partijen bij elkaar, zo voorkom je een afschuifcultuur.’ Ze refereert onder andere aan de casus van een zesjarig meisje, dat door de scheiding van haar ouders in een enorm loyaliteitsconflict was beland. Ze was al jarenlang in beeld en er waren vermoedens van seksueel misbruik. In het aanmeldproces ontstond een discussie over wie volgens protocol het gesprek mocht voeren om de situatie op te helderen. Daar waren vier partijen bij betrokken.’
Betrokken specialisten wilden alleen vormen van therapie inzetten die aansloten bij hun visie, terwijl dit absoluut niet aansloot bij de praktijk en dit de onveiligheid sterk zou vergroten voor het meisje.
Het belang van domein overstijgend werken
‘Er valt veel winst te behalen als je dit direct met verschillende experts met kennis over verschillende domeinen en doelgroepen kunt bespreken’, vertelt Martens. Dat wordt beaamd door Nelleke Westerveld. Op basis van onderzoeksresultaten heeft Movisie vijf sleutelelementen uitgelicht die cruciaal zijn voor een goede samenwerking, waar het hebben van korte lijntjes er een van is.
De vijf sleutelelementen voor domein overstijgend samenwerken
1. Het hebben van een gezamenlijk doel
Als het doel krachtig genoeg is, zijn professionals ook eerder bereid om buiten de kaders te denken.
2. Belangen bespreekbaar maken
Elke partij heeft zijn eigen belang. Zo zet de politie in op het vergroten van de veiligheid op dat moment, terwijl de zorg vaker een langetermijnvisie heeft. De zorg richt zich procesmatig meer op duurzame verandering, veiligheidsinstanties daarentegen op acute rust. Door deze belangen openlijk te bespreken en elkaars perspectieven te begrijpen, kun je tot werkbare compromissen komen.
3. Bouw vertrouwen op
Vertrouwen is de basis van de relaties tussen professionals. Vertrouwen maakt het makkelijker om elkaar op te bellen, af te stemmen en te improviseren waar nodig. Zorg dat je een gezicht bij een naam hebt, dat je elkaar regelmatig face-to-face ziet.
4. Een heldere werkwijze en structuur
Wie doet wat, wanneer en met welk mandaat? Duidelijke afspraken zijn noodzakelijk, op papier gezet en breed gedeeld. Westerveld pleit voor een ‘regievoerende casemanager’ die overzicht houdt, verantwoordelijkheid neemt en anderen aanjaagt. En als niemand die rol pakt? ‘Dan moet jij dat zelf doen’, zegt ze. ‘Het principe: wie het ziet, pakt het op. Niet afschuiven, maar eigenaarschap tonen.’
5. Evalueer
Een samenwerking staat nooit stil. Vraag je af: werkt de gekozen aanpak? Zijn er terugkerende obstakels? Door voortdurend te evalueren blijft de samenwerking effectief en adaptief.
Werk aan een gezamenlijke taal en cultuur
Een belangrijke les uit de praktijk is dat samenwerking ook letterlijk vraagt om een gemeenschappelijke taal. Wat namelijk voor de één onveilig is, noemt de ander een zesje. Westerveld wijst op het belang van het duiden van begrippen, om risico’s zo gezamenlijk te beoordelen. Daar is Martens het mee eens. ‘Als een kind iedere avond geslagen wordt met een pan en daardoor een trauma ontwikkelt, dan zijn er veel hulpverlenende instanties die eerst willen dat het veilig is voordat ze beginnen met traumabehandeling. Dan is het wel handig om te weten wat er bedoeld wordt met “veilig”. Wanneer is het goed genoeg?’
‘Het is belangrijk om met elkaar onderscheid te maken tussen wat nu moet veranderen en wat voorlopig niet veranderbaar is en waar je als het ware omheen moet werken. De directe onveiligheid opheffen is daarbij prioriteit. Je moet werken met reële doelen: als een ouder agressief wordt na het drinken van alcohol, vraag hem dan niet te stoppen met drinken. Dat is niet haalbaar. Je kunt dan bijvoorbeeld wel afspreken dat iemand die drankjes buitenshuis drinkt en niet in het bijzijn van de kinderen.’

