Emma wil leven’ heeft iets goeds bereikt

De documentaire ‘Emma wil leven’ is in Nederland ingeslagen als een bom. En dat is goed. Margriet van Leeuwen, psychiater bij Novarum: ‘Er moet meer aandacht zijn voor eetstoornissen. Om deze goed te kunnen behandelen, is het namelijk belangrijk om er op tijd bij te zijn. Hoe meer bekendheid er is over het probleem, hoe beter. In die zin heeft Emma met deze documentaire iets goeds bereikt.’
Emma-wil-leven-Emma-Caris-BNN.jpeg
De documentaire ‘Emma wil leven’ is in Nederland ingeslagen als een bom. En dat is goed

Ruim 68.000 Nederlanders (0,4 procent van de bevolking) leidt aan anorexia en zo’n 230.000 Nederlanders (1 tot 1,5 procent van de bevolking) heeft boulimia. In tegenstelling tot wat mensen denken, komen deze stoornissen niet alleen voor bij vrouwen. Zo’n tien procent van het aantal patiënten met anorexia of boulimia is man.

Schuldgevoel

Van Leeuwen: ‘Een eetstoornis begint vaak in de puberteit. Jongeren gaan lijnen nadat ze bijvoorbeeld gepest worden vanwege hun gewicht. Een aantal van deze jongeren kan hierin doorslaan en anorexia ontwikkelen. Een groter deel houdt het extreme lijnen echter niet vol en slaat door naar boulimia: ze eten toch en braken dit weer uit omdat ze bijvoorbeeld een schuldgevoel krijgen.’

Erfelijk

Vaak wordt gedacht dat veranderende schoonheidsidealen, topmodellen en actrices worden steeds dunner, van invloed zijn op het aantal jongeren met anorexia of boulimia. Volgens Van Leeuwen is dit echter niet per se het geval. ‘Het percentage van mensen met een eetstoornis is in de afgelopen driehonderd jaar niet echt veranderd. Natuurlijk speelt een schoonheidsideaal wel een rol. In westerse landen komen eetstoornissen namelijk vaker voor dan in landen waar het schoonheidsideaal een voller figuur is. Maar de reden dat een eetstoornis ontwikkeld wordt, ligt vaak aan verschillende factoren. Het is bijvoorbeeld deels erfelijk, maar ook bepaalde karaktereigenschappen, trauma’s en emotionele problemen kunnen meespelen in de ontwikkeling van een eetstoornis.’

Gedragsverandering

Maar wat de oorzaak ook is, uiteindelijk gaat het daar volgens Van Leeuwen niet meer om. ‘Na ongeveer een jaar wordt een eetstoornis een ziekte die zichzelf in stand houdt. Het aanpakken van de oorspronkelijke oorzaak heeft dan geen zin meer. Het gaat  in de behandeling dan met name om het realiseren van een gedragsverandering.’

Wilsbekwaam

In de documentaire Emma wil leven was te zien dat de achttienjarige Emma, na een zes jaar durende strijd, het gevecht met anorexia verliest en overlijdt. Van Leeuwen: ‘Dit zie je vaker. Patiënten willen wel overleven, maar schatten het risico dat ze lopen niet altijd goed in. Dat zag je ook bij Emma. Ze had niet gedacht dat ze al op zo’n korte termijn zou overlijden. Na deze documentaire kun je je afvragen tot welk punt een patiënt met een eetstoornis wilsbekwaam is. Natuurlijk wil je het liever niet, maar als je als behandelaar ziet dat het lichamelijk zo slecht met iemand gaat en je weet dat diegene eventueel nog te genezen is, kiezen we toch voor een periode van dwangvoeding.’

 

Maar zo ver komt het meestal niet. Volgens Van Leeuwen is er met het gros van de mensen met een eetstoornis goed te praten. ‘Uiteindelijk zien ze vaak zelf in dat hun leven er leuker op wordt als ze hun vrienden weer kunnen zien en het eten hun leven niet meer bepaalt. Bovendien kunnen ze, door zelf de keuze voor sondevoeding te maken, op termijn uit het ziekenhuis én houden ze nog een beetje zelf de regie in handen. Tenslotte vindt niemand het leuk om gedwongen te worden.’

Signalen

Omdat het vooral van belang is dat een patiënt met een eetstoornis tijdig behandeld wordt, is het volgens Van Leeuwen goed als bijvoorbeeld sociaal werkers en huisartsen alert zijn op eetstoornissen. Het is niet altijd gemakkelijk een eetstoornis te signaleren. Toch zijn er dingen waar je op kunt letten. Heeft iemand een brede kaak of wondjes op zijn of haar knokkels? Dan kan dit wijzen op boulimia. De wondjes kunnen veroorzaakt worden doordat de tanden telkens langs de knokkels schrapen wanneer iemand zijn vinger in zijn keel steekt om te kunnen braken en veel braken zorgt voor opgezette speekselklieren en dus bredere kaken.

Gesprek aangaan

Anorexia is lastiger te herkennen, maar ook hier zijn wel een paar signalen voor. Zo kunnen een ongezonde, vaalgele, huiskleur en donshaartjes in het gezicht wijzen op ondervoeding. Het belangrijkste is volgens Van Leeuwen echter om het gesprek met je cliënt aan te gaan. ‘Vraag in je intake bijvoorbeeld ook altijd screenend naar iemands eetpatroon. Wat eet je? Hoeveel eet je? Braak je weleens na het eten? Gebruik je middelen om af te vallen?’ Vrij directe vragen, maar dat is juist goed zegt Van Leeuwen. Mensen zullen volgens haar niet snel zelf vertellen dat ze een eetstoornis hebben. ‘Maar erover liegen als er letterlijk naar gevraagd wordt, is een grote stap. Dus vraag er letterlijk naar. Dan merk je dat mensen vaak bereid zijn erover te praten en soms zelfs blij zijn dat ze hun verhaal kwijt kunnen.’

Overleg

Wat doe je als je inderdaad constateert dat een cliënt misschien een eetstoornis heeft? Van Leeuwen adviseert om dan altijd in overleg te gaan met collega’s of een gespecialiseerd centrum. Bespreek de situatie en ga na wat je voor je cliënt kunt doen. ‘Ga ook het gesprek met de cliënt aan om hem of haar te motiveren iets aan de eetstoornis te doen of verwijs hem of haar door.’

Ruim 68.000 Nederlanders (0,4 procent van de bevolking) leidt aan anorexia en zo’n 230.000 Nederlanders (1 tot 1,5 procent van de bevolking) heeft boulimia. In tegenstelling tot wat mensen denken, komen deze stoornissen niet alleen voor bij vrouwen. Zo’n tien procent van het aantal patiënten met anorexia of boulimia is man. 

Schuldgevoel

Van Leeuwen: ‘Een eetstoornis begint vaak in de puberteit. Jongeren gaan lijnen nadat ze bijvoorbeeld gepest worden vanwege hun gewicht. Een aantal van deze jongeren kan hierin doorslaan en anorexia ontwikkelen. Een groter deel houdt het extreme lijnen echter niet vol en slaat door naar boulimia: ze eten toch en braken dit weer uit omdat ze bijvoorbeeld een schuldgevoel krijgen.’

Erfelijk

Vaak wordt gedacht dat veranderende schoonheidsidealen, topmodellen en actrices worden steeds dunner, van invloed zijn op het aantal jongeren met anorexia of boulimia. Volgens Van Leeuwen is dit echter niet per se het geval. ‘Het percentage van mensen met een eetstoornis is in de afgelopen driehonderd jaar niet echt veranderd. Natuurlijk speelt een schoonheidsideaal wel een rol. In westerse landen komen eetstoornissen namelijk vaker voor dan in landen waar het schoonheidsideaal een voller figuur is. Maar de reden dat een eetstoornis ontwikkeld wordt, ligt vaak aan verschillende factoren. Het is bijvoorbeeld deels erfelijk, maar ook bepaalde karaktereigenschappen, trauma’s en emotionele problemen kunnen meespelen in de ontwikkeling van een eetstoornis.’

Emma wil leven is niet de eerste documentaire die interessant kan zijn voor sociaal werkers. Zorg+Welzijn zette op een rij welke documentaires, reportages en series leuk en leerzaam kunnen zijn voor professionals. Lees meer >>

Gedragsverandering

Maar wat de oorzaak ook is, uiteindelijk gaat het daar volgens Van Leeuwen niet meer om. ‘Na ongeveer een jaar wordt een eetstoornis een ziekte die zichzelf in stand houdt. Het aanpakken van de oorspronkelijke oorzaak heeft dan geen zin meer. Het gaat  in de behandeling dan met name om het realiseren van een gedragsverandering.’

Wilsbekwaam

In de documentaire Emma wil leven was te zien dat de achttienjarige Emma, na een zes jaar durende strijd, het gevecht met anorexia verliest en overlijdt. Van Leeuwen: ‘Dit zie je vaker. Patiënten willen wel overleven, maar schatten het risico dat ze lopen niet altijd goed in. Dat zag je ook bij Emma. Ze had niet gedacht dat ze al op zo’n korte termijn zou overlijden. Na deze documentaire kun je je afvragen tot welk punt een patiënt met een eetstoornis wilsbekwaam is. Natuurlijk wil je het liever niet, maar als je als behandelaar ziet dat het lichamelijk zo slecht met iemand gaat en je weet dat diegene eventueel nog te genezen is, kiezen we toch voor een periode van dwangvoeding.’

Eigen regie

Maar zo ver komt het meestal niet. Volgens Van Leeuwen is er met het gros van de mensen met een eetstoornis goed te praten. ‘Uiteindelijk zien ze vaak zelf in dat hun leven er leuker op wordt als ze hun vrienden weer kunnen zien en het eten hun leven niet meer bepaalt. Bovendien kunnen ze, door zelf de keuze voor sondevoeding te maken, op termijn uit het ziekenhuis én houden ze nog een beetje zelf de regie in handen. Tenslotte vindt niemand het leuk om gedwongen te worden.’

Signalen

Omdat het vooral van belang is dat een patiënt met een eetstoornis tijdig behandeld wordt, is het volgens Van Leeuwen goed als bijvoorbeeld sociaal werkers en huisartsen alert zijn op eetstoornissen. Het is niet altijd gemakkelijk een eetstoornis te signaleren. Toch zijn er dingen waar je op kunt letten. Heeft iemand een brede kaak of wondjes op zijn of haar knokkels? Dan kan dit wijzen op boulimia. De wondjes kunnen veroorzaakt worden doordat de tanden telkens langs de knokkels schrapen wanneer iemand zijn vinger in zijn keel steekt om te kunnen braken en veel braken zorgt voor opgezette speekselklieren en dus bredere kaken.

Gesprek aangaan

Anorexia is lastiger te herkennen, maar ook hier zijn wel een paar signalen voor. Zo kunnen een ongezonde, vaalgele, huiskleur en donshaartjes in het gezicht wijzen op ondervoeding. Het belangrijkste is volgens Van Leeuwen echter om het gesprek met je cliënt aan te gaan. ‘Vraag in je intake bijvoorbeeld ook altijd screenend naar iemands eetpatroon. Wat eet je? Hoeveel eet je? Braak je weleens na het eten? Gebruik je middelen om af te vallen?’ Vrij directe vragen, maar dat is juist goed zegt Van Leeuwen. Mensen zullen volgens haar niet snel zelf vertellen dat ze een eetstoornis hebben. ‘Maar erover liegen als er letterlijk naar gevraagd wordt, is een grote stap. Dus vraag er letterlijk naar. Dan merk je dat mensen vaak bereid zijn erover te praten en soms zelfs blij zijn dat ze hun verhaal kwijt kunnen.’ 

Overleg

Wat doe je als je inderdaad constateert dat een cliënt misschien een eetstoornis heeft? Van Leeuwen adviseert om dan altijd in overleg te gaan met collega’s of een gespecialiseerd centrum. Bespreek de situatie en ga na wat je voor je cliënt kunt doen. ‘Ga ook het gesprek met de cliënt aan om hem of haar te motiveren iets aan de eetstoornis te doen of verwijs hem of haar door.’

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.