Alle ouders moeten ondersteuning kunnen vinden’

Migrantengezinnen zoeken bij opvoedingsvragen vaak steun bij de informele hulpverlening, omdat bepaalde onderwerpen met hen gemakkelijker bespreekbaar zijn. Maar de reguliere hulpverlening heeft ook een onmisbaar aanbod voor deze gezinnen. Hoe slaan we een brug tussen beide typen aanbod? Marjolijn Distelbrink: ‘Onze toolkit helpt formele en informele hulpverleners om een goed en gelijkwaardig gesprek over samenwerking aan te gaan.’

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Opvoedingsondersteuning-iStock.jpg
'Alle ouders moeten ondersteuning kunnen vinden en kunnen benutten. Dat is een belangrijk doel van de transformatie.’ - Foto: iStock

Volgens Distelbrink, senior onderzoeker bij Kennisplatform Integratie & Samenleving (KIS), weten  ouders opvoedsteun nu niet altijd te vinden of hebben ze niet het gevoel dat ze daar terecht kunnen. Daardoor komen ze soms pas in aanraking met professionals als hun problemen al uit de hand zijn gelopen. ‘Dat versterkt de verhalen dat als je naar het wijkteam gaat, je je kind kwijtraakt. Alle ouders moeten ondersteuning kunnen vinden en kunnen benutten. Dat is een belangrijk doel van de transformatie.’

Dwarsverbanden

Onderzoek dat KIS in 2015 deed, laat zien dat er wezenlijke verschillen zijn tussen informele en formele werkers die ouders en kinderen ondersteunen. Distelbrink: ‘Maar dat er in de praktijk ook vele dwarsverbanden mogelijk zijn, die de hulp door beiden kunnen versterken. Tegelijkertijd is duidelijk dat de afstand tussen enerzijds de gezinnen en de eigen voorzieningen en anderzijds de reguliere voorzieningen, soms nog groot is.’

Link

Volgens de onderzoeker is het voor zowel formele als informele organisaties zinvol als ze een link met elkaar weten te leggen. Formele organisaties zorgen op die manier dat ouders meer op de hoogte raken van hun aanbod en misschien eerder de stap naar hen zullen zetten zodat ze in beeld komen als problemen nog behapbaar zijn, informele organisaties halen op deze manier meer specialistische kennis binnen en kunnen sneller achterhalen waar ze het beste een vraag van ouders neer kunnen leggen.

Ondersteun wat er is

Ondanks dat organisaties als wijkteams en Centra voor Jeugd en Gezin een formele taak hebben om niet alleen ouders en jeugd te ondersteunen, maar ook aan te sluiten op wat er gebeurt in de wijk en dat proces te versterken, gebeurt dit laatste nu nog te weinig. Distelbrink: ‘Wijkteams zitten vaak al erg vol met alle taken die ze hebben. Daarom komen sommigen nu pas, of nog niet, toe aan die tweede taak. Ook is er nu langzaam aan aandacht voor de vraag of het wijkteam eigenlijk wel iedereen bereikt die ze wil bereiken. Op deze punten is echt nog een slag te maken. En dan kan een samenwerking met informele organisaties heel goed werken. Je hoeft als wijkteam niet alles naar je toe te trekken. Het idee van de transformatie is dat je ondersteunt wat er al is en daar ook gebruik van maakt.’

Verwachtingen

Uit onderzoek van KIS komt naar voren dat er zeker partijen zijn die al een samenwerking zoeken. ‘Maar zij spreken lang niet altijd over en weer uit wat ze bij elkaar zoeken, wat ze van elkaar verwachten en wat de verschillende posities zijn.’ Volgens Distelbrink wordt in formele organisaties vaak gedacht vanuit het idee van: samenwerking met informele organisaties kan vooral ons bereik vergroten. En dat als ze een stapel folders achterlaten, en dus hun aanbod bekendmaken, en een keer op de koffie gaan bij een informele organisatie, hun bereik en toegankelijkheid vergoot wordt. Aan de andere kant zijn er de stichtingen en migrantenorganisaties die zelf al van alles doen, zelf het gesprek voeren met ouders over zaken die hen bezig houden, zoals opvoeden in een multi-etnische stad of achterstandswijk, of over taboeonderwerpen. Deze partijen verwachten van een samenwerking veel meer dat een professional hierbij aansluit of meedenkt waar steun gevonden kan worden voor individuele gezinnen met vragen.

Twee perspectieven

Distelbrink: ‘Er zijn dus eigenlijk twee perspectieven: het perspectief van toegankelijkheid vanuit de formele organisatie en het perspectief van de pedagogische civil society vanuit de informele organisaties. Op die verschillende perspectieven en het niet uitspreken van verwachtingen loopt een mogelijke samenwerking nu vaak stuk.’

Goede bodem

De toolkit die Distelbrink en haar collega’s ontwikkelden, helpt om hier met elkaar bij stil te staan. ‘Je leert met behulp van de toolkit waar het mis kan lopen, je bespreekt wie wat doet, denkt na over de kracht van de ander en van jezelf, welke soorten samenwerkingen er zijn en wat je met elkaar wilt. Is dit besproken? Dan is er een goede bodem voor een samenwerking.’

Goede voorbeelden

De toolkit bevat ook goede voorbeelden van samenwerking. Zoals dat van een Ouder- Kindcentrum in Amsterdam dat is aangesloten bij een gesprek in Marokkaanse organisaties. Dit leidde ertoe dat het centrum meer in beeld kwam, maar professionals ook oog kregen voor de eigen kracht die er al in de organisatie was. Het gesprek dat daar werd gevoerd. Of het wijkteam in Zaandam, dat samen met informele organisaties initiatieven is gaan ontwikkelen zoals vader-zoonzwemmen voor Turkse mannen. Distelbrink: ‘Het idee is dat vader en zoon eerst samen iets leuks doen en er vervolgens een keer een thema-avond over vaderschap aan de activiteit wordt gekoppeld. Dit is een informele manier om een belangrijk onderwerp aan te snijden én te zorgen dat vaders en zoons iets leuks deden.’

De toolkit is vanaf juni beschikbaar.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.