Welzijnswerk wordt de gewilde bruid in de sociale zekerheid: Concurrentie op de werkloosheidsmarkt

Makkelijk te bemiddelen werklozen zijn door de florerende arbeidsmarkt uit de kaartenbakken van sociale diensten verdwenen. De langdurig werklozen die overblijven hebben intensieve begeleiding nodig. De rol van arbeidsbureaus daarbij is niet langer vanzelfsprekend; de gedwongen winkelnering is onlangs vervallen. Nu de moeilijkste categorieën werklozen aan bod komen, liggen er kansen voor het welzijnswerk. Divosa-directeur Paul Lemmen pleit voor meer samenwerking tussen sociale diensten en welzijnsorganisaties. Het welzijnswerk als gewilde bruid in de sociale zekerheid?

Sociale diensten zijn bezig met een transformatie van

uitkeringsfabriek naar een sociaal vangnet met taken als activering,

reïntegratie, armoedebestrijding en zorg. Hun taakstelling zien ze tegenwoordig

veel breder dan het verstrekken en controleren van uitkeringen. De eerste aanzet

tot die verandering kwam in 1996 bij de introductie van de nieuwe Algemene

Bijstandswet. Daarin staat activering centraal: voor iedere werkloze moest

voortaan een traject naar de arbeidsmarkt worden uitgezet, eventueel met

scholing en training. De ongekende vraag naar personeel op de arbeidsmarkt van

de laatste jaren heeft gevolgen voor het klantenbestand. Van de overblijvende

klanten is een groot deel door een combinatie van persoonlijke problemen niet in

staat om binnen afzienbare tijd aan de slag te komen. Het onderzoeksbureau ITS

van de Katholieke Universiteit Nijmegen heeft aan de hand van 215 dossiers van

zes sociale diensten een dwarsdoorsnede geschetst van de bijstandsontvangers.

Gemiddeld is die 41 jaar, heeft een jaar of acht een uitkering, een kleine

meerderheid is man, meer dan de helft is alleenstaand en één op de drie is van

allochtone herkomst. De meest voorkomende problemen waardoor mensen in de

bijstand niet uitstromen naar betaald werk zijn medisch of psychisch van aard.

Sociale omstandigheden als schulden, verslaving, een crimineel verleden en de

zorg voor gezinsleden, staan ook hoog genoteerd als oorzaken die reïntegratie in

de weg staan. Lage scholing, taalachterstand of gebrek aan ervaring blijken veel

minder problemen op te leveren om weer aan de slag te komen.

Inmiddels passen sociale diensten hun beleid aan bij de groep die ondanks

de gunstige arbeidsmarkt toch in de kaartenbakken blijven zitten. Er worden

aparte consulenten en units voor ingesteld. Het ITS-onderzoek meldt dat de

onderzochte sociale diensten zijn overgestapt van grootschalige scholings- en

sollicitatieprojecten op meer individuele vormen van begeleiding. Het nut van

aparte activeringsgesprekken wordt ingezien. Zogenoemde

doelmatigheidsgesprekken, waarin wordt ingeschat welke begeleiding een cliënt

nodig heeft, zijn om die reden losgekoppeld van rechtmatigheidsgesprekken,

waarin beoordeeld wordt of iemand recht heeft op een uitkering. Vanwege de

intensievere aandacht die nodig is voor de klanten die maar niet uitstromen,

veranderen ook de functie-eisen van het personeel bij sociale diensten.

Schoolverlaters met een maatschappelijke opleiding zijn tegenwoordig meer in

trek dan die met een economisch-administratieve achtergrond.

Vrije keus

Er is nog een andere omslag te noemen die gevolgen heeft voor het werk van

de sociale diensten. Tot voor kort waren gemeenten verplicht hun

reïntegratieactiviteiten te betrekken bij Arbeidsvoorziening Nederland. Per één

januari van dit jaar is van die gedwongen winkelnering geen sprake meer. De

arbeidsbureaus zijn opgesplitst in een publiek en een privaat deel. De publieke

diensten worden ondergebracht bij de Centra voor Werk en Inkomen en de

reïntegratieactiviteiten zijn geprivatiseerd. Voortaan hebben gemeenten de vrije

keus om partners te zoeken op de reïntegratiemarkt. In het Amsterdamse stadsdeel

Bos en Lommer heeft de gemeentelijke sociale dienst deze nieuwe situatie begin

dit jaar aangegrepen om samen met het werkbemiddelingsbedrijf NV Werk een eigen

reïntegratieproject te starten, WerkMee geheten. De Sociale Dienst en NV Werk

hebben vijfenveertig van hun consulenten opgeleid om moeilijk bemiddelbare

werklozen te bemiddelen naar werk, opleiding, vrijwilligerswerk of een

zorgtraject. WerkMee heeft de opdracht om binnen twee jaar veertig procent van

de werklozen op één van deze trajecten te plaatsen. Er is gekozen voor een

directe, onbureaucratische aanpak. Om wachtlijsten en omzwervingen bij andere

instanties te voorkomen heeft het project ook zelf cursussen, werkprojecten en

tijdelijke kinderopvang in huis. Het voorbeeld van Bos en Lommer staat niet op

zichzelf, ook in andere steden ontwikkelen sociale diensten eigen

integratieprojecten. Minister Klaas de Vries van Sociale Zaken is daar minder

gelukkig mee. Tijdens de parlementaire behandeling op 24 maart van de Structuur

Uitvoering Werk en Inkomen, de SUWI-nota, zal moeten blijken of de minister

alsnog een stokje steekt voor dergelijke eigen integratieprojecten van sociale

diensten. De bewindsman vindt dat gemeenten hun reïntegratieprojecten bij

externe partners in moeten kopen.

Nu de moeilijkst te bemiddelen bijstandsklanten aan bod zijn, komt daarvoor

het welzijnswerk scherper in beeld. Paul Lemmen, directeur van Divosa, de

vereniging van Directeuren Van Overheidsorganen voor Sociale Arbeid, breekt een

lans voor intensievere samenwerking tussen sociale diensten en

welzijnsorganisaties. Lemmen: ‘Sociale diensten hebben nog te weinig zicht op de

bijdrage die het welzijnswerk kan leveren. Er kan veel meer gebruik worden

gemaakt van de expertise van welzijnsorganisatie met bijstandsklanten, die door

sociale en psychische belemmeringen niet aan het werk komen. Klanten die gebaat

zijn bij sociale activering, als voortraject om ze via vrijwilligerswerk uit het

isolement te halen of eerst eens uit de brand te helpen met hun verslaving of

hun schulden. Omgekeerd vind ik dat welzijnsorganisaties zich op dit punt beter

moeten profileren en wel duidelijker aan mogen geven wat ze concreet te bieden

hebben.’

Externe partijen

Om een brug naar een betere samenwerking met externe partijen te slaan

presenteert Divosa begin maart een ‘Handreiking sociale activering’. Die

handreiking besteedt aandacht aan de regie van het beleid rond sociale

activering, werkmethoden, indicaties voor functie-eisen, maar ook praktische

zaken als offertemodellen met voorbeelden voor het inkopen en uitbesteden van

diensten en producten. Lemmen: ‘Een intensievere samenwerking betekent ook dat

je duidelijke afspraken moet maken over de taken die worden uitbesteed en de

resultaten die van het welzijnswerk kunnen worden verwacht. De ervaring van de

afgelopen jaren heeft uitgewezen dat het de nodige tijd en investeringen kost om

goede plannen te maken en regelingen te treffen.’Lemmen doelt hierbij op het

evaluatierapport van de bijstandsexperimenten met sociale activering voor

langdurig bijstandsgerechtigden, de fase 4- groep. In het kader van een

verruiming van de nieuwe Bijstandswet zijn in 140 gemeenten activeringsprojecten

uitgevoerd. Met succes, zo blijkt uit de evaluatie. Ruim éénvijfde van de 10.000

deelnemers stroomde door naar vrijwilligerswerk, opleiding of zelfs een betaalde

baan.Voor de samenstelling van de Handreiking heeft Divosa-medewerker Maria

Zander de aanbieders van sociale activering in kaart gebracht. Zander: ‘Wat

opvalt is dat de projecten lokaal vaak heel erg van elkaar verschillen. Niet

alleen wat betreft de instanties die zo’n project uitvoeren of het soort

activiteiten, maar ook waar ze de grens trekken tussen wat ze nog wel en niet

onder sociale activering verstaan.’Om enige ordening te brengen heeft Zander

een indeling in fases van activering gemaakt die samen een aaneengesloten

activeringsketen vormen van voortraject naar reïntegratie. Zander: ‘Beginnend

bij zogenoemde rustplannen, voor bijstandsklanten die een time-out nodig hebben

om bij te komen. Als tweede komen de zorgplannen, uitgevoerd door de

hulpverlening of zorginstellingen die worden ingeschakeld om mensen weer op de

been te helpen. Je kunt hierbij denken aan mensen met een verslaving, of klanten

met een psychiatrische achtergrond die eerst een uitweg moeten zien te vinden

voor hun problemen. Als derde onderscheid ik de participatieplannen. Hierbij

worden mensen op weg geholpen naar vrijwilligerswerk of andere activiteiten die

ze uit het isolement halen. Eerst moeten ze sociaal en maatschappelijk weer

actief worden. De toeleidingsplannen markeren de laatste schakel naar scholing

en al dan niet gesubsidieerd werk.’

Inhaalslag

Zander constateert dat – naast een aantal prominente voorlopers op het

terrein van sociale activering, zoals het bekende Rotterdamse Onbenutte

Kwaliteiten-project – met name het sociaal cultureel werk en de lokale

welzijnsorganisaties de handschoen hebben opgepakt. Zander: ‘Daar zie je na een

experimenteerperiode ook een bijstelling van hun werkwijze. Deze doelgroep

vraagt een meer individuele en intensievere aanpak. Recenter is de groeiende

belangstelling vanuit het maatschappelijk werk, maar ook bij maatschappelijke

opvang, Sociaal Pedagogische Diensten en andere zorginstellingen.’ Tekenend in

dit verband zijn de initiatieven van de Landelijke Federatie Opvang.

Beleidsmedewerker Johan Gortworst: ‘We zijn bezig met een inhaalslag door te

inventariseren wat er al gebeurt en in een aantal gemeenten zijn we gestart met

aanstekelijke experimenten in de opvang. Binnen de opvang proberen we een

gemeenschappelijke visie te ontwikkelen. Want een activerende aanpak vraagt een

omslag in het denken. Van hulpverlenende instanties als Riaggs, maar ook van

opvangvoorzieningen zelf. Een mooi voorbeeld vind ik een sociaal pension in

Delft, waar ze al bij de aanmelding als mogelijke tegenprestatie uitzendwerk of

betaald werk ter sprake brengen.’

Minister de Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft begin februari

besloten de activiteiten op het terrein van sociale activering nog een extra

duwtje in de rug te geven door de komende drie jaar veertig miljoen subsidie

beschikbaar te stellen voor een betere infrastructuur. Gemeenten kunnen tot juli

dit jaar maximaal een ton aanvragen om nieuwe initiatieven beter van de grond te

krijgen en de voorwaarden van bestaande projecten te verbeteren. Volgens

Divosa-directeur Lemmen biedt dit douceurtje van SZW een uitstekende bodem onder

verdergaande samenwerking met welzijnsorganisaties. VOG-beleidsmedewerker

Annemarieke Egeraat is minder lovend. Ze wijst er op dat het slechts om een

eenmalige bijdrage gaat. Wil het welzijnswerk een substantiële bijdrage kunnen

leveren, dan is er volgens haar een veel grotere structurele bijdrage nodig.

Welzijnsorganisaties kunnen hun faam nooit waar maken zonder zo’n vergoeding

voor de extra intensieve begeleiding die nodig is voor deze categorie langdurig

werklozen. Egeraat wil geen bedragen noemen, maar wil wel kwijt dat de VOG wat

haar wensenlijstje inmiddels bij het kabinet heeft ingediend. Dit met het oog op

het geld dat bij het opstellen van de komende voorjaarsnota te verdelen is.

Egeraat deelt met Lemmen wel de wens om het welzijnswerk een prominente rol te

laten spelen bij de uitvoering van sociale activering. Egeraat: ‘Psychosociale

begeleiding van langdurig werklozen wordt steeds belangrijker. Dat vertaalt zich

al in een groeiend aantal zorgtrajecten. Met name vanuit het Algemeen

Maatschappelijk Werk, maar ook in samenwerking met andere zorginstelingen. Bij

de moeilijkste groepen spreken we ook wel van fase-5, om aan te geven dat je

daar nog intensievere begeleiding bij nodig hebt. Wat betreft de toeleiding en

de invulling van additionele banen scoort het welzijnswerk al jaren hoog. De

sociale activering maakt het ons mogelijk om dwarsverbindingen te leggen.

Bijvoorbeeld door vanuit een zorgtrajecten een opstap te bieden naar

vrijwilligerswerk en de mensen vervolgens door te sluizen naar een additionele

of een reguliere baan. Grotere welzijnsorganisaties ontwikkelen steeds vaker een

aanbod dat de hele keten bestrijkt van zorgtraject naar reguliere baan.’

Communicerende vaten

Is het welzijnswerk met reïntegratieprojecten een concurrent geworden van

de private integratiepoot van het arbeidsbureau? Lemmen ontkent dit stellig.

Volgens hem beperkt het welzijnsaandeel zich tot het voortraject van de

toeleiding naar de arbeidsmarkt. Lemmen: ‘Het sociale activeringstraject heeft

betrekking op de fase 4 klanten. De reïntegratie naar regulier werk is in feite

een ander echelon. Dat staat er vrijwel los van.’Uit de reactie van de VOG,

maar ook vanuit lokale welzijnsorganisaties valt op te maken dat hier in het

geheel niet zo’n stringent onderscheid wordt gehanteerd. Volgens Dick de Wit,

directeur van de Stichting Welzijn Gouda, verhouden de sociale activering in het

voortraject en arbeidsbemiddeling naar regulier werk zich als communicerende

vaten tot elkaar. Ook zijn Haagse collega Ben Vlasveld van de

Welzijnsorganisatie Laak/Rijswijk beaamt dat hij het brede aanbod van

zorgtrajecten tot en met mogelijkheden voor scholing en werkprojecten als een

troef van zijn organisatie ziet. De Wit: ‘De discussie over de uitvoerende taken

in de sociale zekerheid is nog in volle gang, de rook er om heen is nog lang

niet opgetrokken. Dat geld ook voor de diensten die de gemeente, dan wel de

sociale dienst in de toekomst wil inkopen. Onze inkooprelatie is de afgelopen

vier jaar alleen maar verder gegroeid. Zowel aan de onderkant, de zorgtrajecten

zeg maar, als naar de werktrajecten, de WIW en ID-banen, is er een uitbreiding.

We worden hoofdaannemer. Ik verwacht dat we over niet al te lange tijd ook

ingeschakeld zullen worden bij activeringstrajecten met herintredende WAO-ers en

bij de uitvoering van de wet REA. We denken daar nu al serieus over na.’/Jasper

Veldhuis

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.