Rechtssocioloog John Griffiths over levensbeëindiging: ‘Medische beslissingen zijn de oorzaak van de helft van alle sterfgevallen’

De euthanasiewet heeft slechts betrekking op zo’n vier procent van het aantal sterfgevallen waaraan een beslissing van een arts ten grondslag ligt. Terwijl ongeveer de helft van alle sterfgevallen in Nederland het gevolg is van wat een arts doet of laat. En lang niet altijd heeft de patiënt daar toestemming voor gegeven. Dat stelt professor John Griffiths, rechtssocioloog bij de Rijksuniversiteit Groningen.

Bijna één op de vijf mensen in Nederland sterft ten gevolge van

pijnbestrijding, zo is gebleken uit onderzoeken naar het medisch handelen rond

het levenseinde in 1990 en 1995. Dat wordt echter geen euthanasie genoemd. Want

de dood treedt slechts in als bij-effect van de pijnbestrijding.

Een nieuw onderzoek is momenteel in de opstartfase. Volgens professor

John Griffiths zou bij dat onderzoek meer aandacht moeten worden besteed aan de

exacte doodsoorzaak, de combinatie van medicijnen die artsen toedienen en het

doel dat de artsen voor ogen staat wanneer ze de medicijnen geven. In een recent

artikel in het blad Medisch Contact gaf Griffiths, samen met anesthesioloog P.

Admiraal, twee mogelijke verklaringen voor het hoge sterftecijfer door

pijnbestrijding: ofwel er wordt veelvuldig levensbekortend gehandeld door artsen

onder het mom van pijnbestrijding – al dan niet op verzoek – of artsen schrijven

de dood in veel gevallen toe aan pijnbestrijding, terwijl de patiënt

uiteindelijk toch gewoon aan zijn ziekte overlijdt. Want, zo stellen zij, artsen

denken vaak met morfine het leven van een patiënt te verkorten. Maar dat is

alleen mogelijk als de patiënt nog geen morfine heeft gekregen en de dosis zeer

hoog is. Bij morfine treedt namelijk al snel een zeer hoge tolerantie op. Zelfs

als de dosering sterk wordt opgevoerd, leidt dat niet tot de dood. Maar, zegt

Griffith, artsen weten dat niet en denken dat zij het overlijden van de patiënt

hebben bespoedigd.

Volgens die stelling zijn artsen óf hypocriet, óf onkundig. Een

weinig complimenteuze keuze voor de artsenstand?
‘Wanneer we

het sterfecijfer ten gevolge van pijnbestrijding – 18,5 procent – tijdens

congressen in het buitenland noemen, wordt daarop door vele deskundigen met

ongeloof gereageerd. De reactie luidt dan vaak: “dat kan gewoon niet, je kunt

mensen toch niet op die manier afmaken met pijnbestrijders?” Maar als een

patiënt al eerder morfine heeft gekregen is het vrijwel niet mogelijk hem

daarmee te laten sterven. Het kan natuurlijk zo zijn dat de getallen gewoon

kloppen en dat inderdaad één op de vijf mensen overlijdt als gevolg van

pijbestrijding.

Maar er zijn ook andere verklaringen mogelijk. Sommigen zien in dat

cijfer een grote hoeveelheid verborgen levensbekortend handelen, al dan niet op

verzoek. Om het leven met morfine te beëindigen is een dosis nodig die zo hoog

is, dat je niet meer redelijkerwijs van pijnbestrijding kunt spreken. Als dat de

verklaring is voor het hoge percentage sterfte door pijnbestrijding, dan

sjoemelen artsen met hun intenties. Ze zijn dan meer gericht op de dood van de

patiënt dan ze zelf aangeven. Anderen schrijven het hoge cijfer toe aan onkunde

van artsen met betrekking tot de dodelijke werking van morfine. Ze denken dat de

dood is ingetreden door morfine, terwijl de patiënt is overleden aan zijn

ziekte.’

Heeft wetgeving omtrent euthanasie wel zin als we niet eens

weten waarover we het precies hebben?
‘De politiek richt zich

voornamelijk op de meldingsfrequentie. Ongeveer vijftig procent van de

euthanasie wordt niet gemeld en dat percentage moet omlaag. Maar wat zegt zo’n

getal? Het maakt alleen duidelijk dat artsen in de helft van de gevallen

valselijk een natuurlijke dood rapporteren terwijl ze weten dat ze feitelijk

euthanasie hebben gepleegd. Het probleem is niet zozeer de liegende artsen. Veel

groter en moeilijker in de greep te krijgen is de overlap tussen euthanasie,

pijnbestrijding en abstinentie, het onthouden of stopzetten van een

levensverlengende handeling. Het aantal gevallen van euthanasie vormt een

peulenschil in vergelijking met deze andere doodsoorzaken waaraan een medische

beslissing ten grondslag ligt. Ongeveer de helft van alle sterfgevallen in

Nederland is het gevolg van wat een arts doet of laat. Euthanasie maakt daar

maar vier procent van uit. Bij de rest gaat het om levensbeëindiging als gevolg

van pijnbestrijding en abstinentie. Als het enige effect van de wet is dat

artsen patiënten op een andere wijze laten sterven, heb je niet zoveel bereikt.

Ik zeg niet dat regulering van euthanasie niet goed is, maar het sterven als

gevolg van abstinentie en pijnbestrijding zou op dezelfde manier geregeld moeten

worden. Dan pas heb je een effectief controlesysteem. De zorgvuldigheid bij die

laatste twee is momenteel niet te vergelijken met die bij euthanasie. Bij de

regelgeving omtrent euthanasie staat bijvoorbeeld de wens van de patiënt om te

sterven centraal. Zelfs overleg met de patiënt is niet geregeld bij andere

vormen van levensbekortend handelen.’

U zegt daarmee dat beslissingen worden genomen om patiënten te

laten sterven zonder dat ze daarover worden geïnformeerd?
‘Het

gebeurt op grote schaal dat mensen die nog aanspreekbaar zijn sterven, doordat

de arts een beslissing neemt tot abstinentie of tot levensbekortend handelen met

pijnstillers, zonder dat de patiënt of de familie daarover wordt geconsulteerd.

Een arts mag immers niet medisch zinloos handelen. Maar ik denk niet dat je als

arts daaraan de conclusie mag verbinden dat je helemaal niet met de patiënt

hoeft te praten wanneer je voortzetting van de behandeling zinloos acht. De

patiënt heeft immers recht op een second opinion en dat recht wordt hem dan

ontnomen. Het probleem is dat er geen regels hierover zijn. Artsen beschouwen

deze situatie ook als een groot gemis. Artsen hebben vaak het idee dat ze maar

wat moeten aanrommelen, terwijl zij dat zelf helemaal niet willen. Maar het moet

niet al te moeilijk zijn de regelgeving omtrent euthanasie van toepassing te

maken op alle gevallen van levensbekortend handelen.’

Waarom gebeurt dat dan niet?‘Daar zit een

zeker element van struisvogelpolitiek in. Het was voor minister Borst al

moeilijk genoeg de euthanasiewetgeving door de Tweede Kamer te loodsen. Als ze

de deksel van de doos met abstinentie en sterfte door pijnbestrijding zou

openen, dan zou dat wellicht in haar visie een bedreiging voor de door haar zo

gewenste legalisering van euthanasie hebben betekend.’

De medische wetenschap heeft ervoor gezorgd dat mensen een paar

jaar langer leven, maar dat is vaak niet het meest gezonde deel van het leven.

Is het niet logisch dat sterven steeds meer een medische aangelegenheid is

geworden en dat het ook aan de medische wetenschap is te bepalen waar het eind

ligt?
‘Ja. Ik hoorde onlangs een intensive care-arts zeggen dat

honderd procent van de sterfgevallen waar hij mee te maken krijgt het gevolg is

van het onthouden van levensverlengend medisch handelen. In principe is men in

staat een lichaam voor onbepaalde tijd in werking te laten. Ook de ziekten

waaraan mensen sterven – zoals de ziekte van Alzheimer en kanker – doen de

euthanasievraag toenemen. Aan acht procent van alle sterfte in Nederland ligt

een verstervingsbesluit (geen vocht en voeding meer toedienen als mensen zelf

niet meer eten en drinken, red.) ten grondslag. In verpleeghuizen ligt dat

percentage zelfs op 22 procent. Daar is niets mis mee, want het is een

natuurlijk verloop bij dementie dat mensen op een bepaald moment geen eten en

drinken meer willen. De afgelopen tien à vijftien jaar zijn we tot de conclusie

gekomen dat het niet zinvol is het leven van deze mensen te blijven rekken. Maar

ook daar moet je dan wel goede procedures voor hebben.’/Eric de

Kluis

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.