Professor Paul Heydendael stopt na vijfendertig jaar onderzoek naar thuislozen: ‘Je moet ze lekker verwennen’

Na vijfendertig jaar nam ‘daklozenprofessor’ Heydendael deze zomer afscheid van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Sinds 1986 was hij bijzonder hoogleraar Maatschappelijk gehandicaptenzorg. Voor die tijd deed hij al onderzoek naar de manier waarop thuislozen denken.

‘Cijfers interesseren me niet,’ geeft Paul Heydendael

toe. ‘Sinds de eerste dag dat ik met zwervers werk, heb ik me afgevraagd: “Wat

gaat er in die hoofden om?” Naast zijn baan als psycholoog in Sociaal Centrum De

Hulsen in Nijmegen deed Heydendaal als eerste in Nederland sociaal-psychologisch

onderzoek naar thuisloosheid. Dat is volgens hem een blijvende stoornis in

iemands waarnemingsvermogen. Het is dus wezenlijk anders dan dakloosheid, dat

een tijdelijk gevolg kan zijn van een ramp of een verbroken relatie. Maar

naarmate thuislozen een gangbaarder deel gingen uitmaken van het straatbeeld had

de overheid minder interesse in onderzoek naar de manier waarop thuislozen

denken. Ze wilde weten wie er gebruik maakten van de voorzieningen, hoeveel

mensen dat waren en hoeveel er in de toekomst zouden zijn.

Op basis van een sociaal model is Heydendael gaan rekenen. Hij kwam tot de

conclusie dat er in 1990 dertigduizend thuislozen waren en dat dat er in 2000

drieënvijftigduizend zouden zijn. Achteraf was de kritiek dat hij geen

berekening had moeten maken. Dat was te vaag en zijn voorspelling zou te

pessimistisch zijn. Voor besteding van subsidies hield de overheid vast aan het

lagere aantal van twintigduizend thuislozen, die de VNG geteld had in de

bestanden van opvangcentra en politie. Inmiddels is dat getal bijgesteld naar

dertigduizend. Uit politieke overwegingen, volgens Heydendael. ‘Cijfers van

mensen in de opvang en op straat zeggen niet veel. De opvang moet zich richten

op de mensen op de rand, die in een caravan of bij een hospita wonen en elk

moment op straat gezet kunnen worden. Ik weet zeker dat er nu meer dan

drieënvijftigduizend thuislozen zijn en iedereen weet dat er plaatsen tekort

zijn in de opvang. Jammer, zeker nu het economisch zo goed gaat in

Nederland.’

Lintjes

De eerste zwerver die Paul Heydendael zag, stond voor de deur van het

Labre-huis, de voorganger van De Hulsen. Een man met een grote grijze baard en

een jas volgehangen met lintjes, alsof hij duizendmaal onderscheiden was. Binnen

zag hij er nog meer, die hem allemaal verbaasden. ‘Ze praatten niet met elkaar.

Als ze bij elkaar waren, dan zaten ze altijd naast en bijna nooit tegenover

elkaar. Dat viel me direct op, en het blijft me opvallen. De professor, die met

zijn tientallen publicaties het denken over thuislozen in Nederland grotendeels

bepaald heeft, lacht verontschuldigend. ‘Dat kan toch niet, dacht ik. Zo’n leven

zonder sociale contacten en zonder eigen plek om te wonen. Ik was vastbesloten:

ik ging ervoor zorgen dat zij zo snel mogelijk terugkeerden naar de

maatschappij. Elke cliënt die ik toen voor het eerst sprak, begon ik direct te

vragen naar zijn plannen, hoe hij aan werk, relaties, woonruimte dacht te komen.

Ik zag hen na zo’n eerste gesprek meestal niet meer terug. Ze kwamen hier

helemaal niet om over plannen te praten. Eerst moeten er zoveel hobbels worden

weggenomen, zoveel vervelende ervaringen moeten ze anders leren interpreteren.

En velen willen dat niet eens.’

Zeven sloten

Zijn eerste onderzoeken deed ‘daklozenprofessor’ Heydendael vanuit de

vakgroep gezinsgeneeskunde. Hij leerde daar dat er een sterke relatie bestaat

tussen de aanwezigheid en kwaliteit van sociale relaties en gezondheid. Een

slechte gezondheid is niet altijd pech, maar kan ook te maken hebben met

persoonlijkheidskenmerken. En dat geldt ook voor thuisloosheid. Iemand die

thuisloos is, heeft een ander gevoel van ruimte dan wij hebben. Het ene moment

komt hij veel te dicht bij andere mensen en vraagt hij voortdurend om aandacht,

en even later zondert hij zich volledig af. Hij kan afstanden niet goed

inschatten, het is alsof hij altijd door de verkeerde deur loopt. Dat heeft

niets met dommigheid te maken.’

Vandaar de vaak ongelooflijke verhalen die Heydendael van thuislozen hoort:

‘Ze lopen vaak in zeven sloten tegelijk, plegen kleine vergrijpen maar doen dat

zo vaak en op zo’n onhandige manier dat ze telkens tegen de lamp lopen en

uiteindelijk tbs opgelegd krijgen. Mensen als bisschop Muskens en

staatssecretaris Terpstra zeiden een paar jaar geleden dat thuisloosheid iets is

dat iedereen kan overkomen. Daar geloof ik helemaal niets van. Als er in

Enschede mensen thuisloos geworden zijn, dan zijn dat mensen met een sociaal

leven dat al in puin lag.’

In al die jaren dat Heydendael met thuisloze mensen gewerkt heeft,

heeft hij er maar weinig terug zien gaan naar de maatschappij. ‘Ja, een enkele

keer gebeurt het, en hoe dat gaat begrijp ik niet goed. Ze hebben dan toch een

werkkring gevonden en daar sociale contacten opgedaan. Of een vrouw gevonden,

die ze in de kraag grijpt. Degenen die definitief verdwijnen uit het circuit

zijn uitzonderingen. Ik heb me daarbij neergelegd. We moeten af van het idee dat

je thuislozen hun verantwoordelijkheid moet laten nemen. Als iemand naar me toe

komt met de vraag of ik hem kan helpen om werk te vinden en woonruimte dan help

ik hem tegen beter weten in. Ik weet bijna zeker dat hij toch weer terugkomt in

de opvang. Het is niet de taak van de opvang om ervoor te zorgen dat thuislozen

terugkeren naar de maatschappij, maar om het lijden van die mensen te

verlichten. We moeten ze verwennen, lekker veel aandacht geven.’

Meer

Heydendael loopt naar het raam van de kleine spreekkamer waar hij zit

te vertellen. ‘Kom eens,’ wenkt hij. Een boom van een man, in de veertig, met

een kleur van een Benidorm-vakantieganger ligt languit op een tuinstoel, het

hoofd in de nek. ‘Kijk, een thuisloze in ruste’. Met een lichte vertedering in

zijn stem legt hij uit waarom deze man niet in de sociale werkplaats is: ‘Als de

zon schijnt dan moet hij ervan genieten. Hij weet verzint altijd wel een manier

om zich ziek te melden.’

Er is veel veranderd in vijfendertig jaar. De man met de lintjes, die

voor het Labre-huis stond, kreeg geld van voorbijgangers, omdat ze hem er zo

leuk uit vonden zien. Nu staat ‘thuisloze’ synoniem voor ‘overlast’. ‘Verder

zijn er vooral méér thuisloze mensen in de opvang,’ verzucht Heydendael, ‘meer

verslaafden, meer vrouwen, meer allochtonen, meer zorgbehoevende ouderen. En de

gezondheidstoestand van mensen in de opvang is nog nooit zo slecht geweest.

Tegelijkertijd is er een heel leger aan hulpverleners bijgekomen: per thuisloze

zijn er gemiddeld tien hulpverleners actief. Maar die bieden vaak niet waar

thuislozen behoefte aan hebben. Ze zijn teveel gericht op rehabilitatie, ze

werken teveel langs elkaar heen.’ En dat kan pijnlijke gevolgen hebben, zoals

voor de bewoner van De Hulsen die het vorige week teveel werd en ruiten

ingooide. De ggz wil hem niet behandelen, terwijl Heydendael weet dat zijn

collega’s in De Hulsen genoeg voor de man kunnen doen. ‘De maatschappelijke

opvang is de laatste plek waar mensen terecht kunnen, maar wordt soms gezien als

afvalbak.’

Voor Heydendael is de opvang vooral een bron van inspiratie, waar je

leert wat er in een leven allemaal kan gebeuren. ‘En ik ben nieuwsgierig. Want

wat er in die hoofden omgaat? Ik ben er nog altijd niet uit/Anke

Welten

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.