Nico de Boer over de zin en onzin van het maatschappelijk ondernemen: ‘We moeten terug naar bekommernis met de mensen’

01 Januari 2000 De term 'maatschappelijk ondernemen' heeft inmiddels het regeerakkoord gehaald en dat is zeker een succesje, meent Nico de Boer. Toch is hij niet optimistisch. 'Het gevaar is levensgroot dat het begrip aan zijn eigen succes ten onder gaat.' De Boer is auteur van het boek 'Maatschappelijk ondernemen, wat en hoe?', dat binnenkort van de persen rolt. De publicatie is het slotakkoord van een debattenreeks in De Balie over maatschappelijk ondernemen. 'Zo'n pleidooi om rijke patiënten met voorrang te behandelen heeft er dus niets mee te maken. Dat gaat gewoon over slimmigheden met geld.'


Door Lucie Th. Vermij – Een maatschappelijk ondernemer paart

ondernemingslust aan sociale verantwoordelijkheid, schrijft Nico de Boer in zijn

boek. Zo’n ondernemer probeert de toegankelijkheid van de zorg te verbeteren,

ook voor kwetsbare groepen. In het regeerakkoord houdt het kabinet de

zorginstellingen en zorgverzekeraars voor dat zij zich op dienen te stellen als

maatschappelijke ondernemingen. Maar daar houdt het volgens De Boer niet veel

meer in dan dat er meerjarenafspraken komen en dat aanbieders en verzekeraars

regionaal moeten samenwerken. Hij maakt zich zorgen over de verwatering van de

term. ‘Het debat over maatschappelijk ondernemen begon als vraagstuk over de

rafelrand van de maatschappij, over illegalen die zorg nodig hebben, over

experimenten op het gebied van alarmering, buurtconcierges, de zorg aan dak- en

thuislozen, aan vereenzaamde ouderen. Die groepen zijn enigszins uit beeld

verdwenen.’

Maatschappelijk ondernemerschap: het klinkt zo mooi. Maar is

het meer dan een containerbegrip waar iedereen goede sier mee kan

maken?

‘Het verwarrende is inderdaad dat het gebezigd wordt voor verschillende

zaken. Tegenwoordig gebruiken ook commerciële bedrijven het, wanneer zij zich

profileren met de maatschappelijke doelen die zij nastreven. Die invulling is

nieuw. In de jaren zestig werd vastgesteld dat de gezondheidszorg beter

gereguleerd moest worden en wel door de overheid. In de jaren tachtig kwam de

kentering: marktwerking werd het sturende principe in de zorg. Maatschappelijk

ondernemen zou je als reactie daarop kunnen zien, als derde weg. Als je echter

teruggaat in de geschiedenis zie je dat het eeuwenlang zo geweest is dat burgers

de handen uit de mouwen staken en zich om medemensen bekommerden. Behalve de

afgelopen decennia is er dus altijd maatschappelijk ondernomen. Daar moeten we

naar terug. Spreken over maatschappelijk ondernemen zou moeten gaan over

bekommernis met mensen in plaats van over hooggeprofessionaliseerde

organisaties.Het begrip is gemeengoed geworden, maar tegelijk versmald tot

iets dat de lading niet dekt. Zo’n pleidooi als van Hamel van het Academisch

Ziekenhuis Groningen heeft in mijn ogen niets met maatschappelijk

ondernemerschap te maken. Dat gaat gewoon over slimmigheden. Een schuivertje

binnen de financiën. Op zich is daar niets op tegen, wel kun je je afvragen of

zijn stellingname voortkomt uit overleg met de Groningse samenleving. Hij heeft

het uitsluitend over de cure, terwijl de grootste problemen te vinden zijn bij

de ouderen, die thuis vereenzamen of in verpleeghuizen uren in de pis zitten tot

iemand tijd heeft om ze te helpen. Maatschappelijk ondernemen is veel

ingewikkelder dan wat schuiven met gelden. Een maatschappelijk ondernemer zou

actief het debat met de samenleving moeten opzoeken.’

Waar hangt een zinnige invulling van maatschappelijk

ondernemerschap van af?

‘Of financiers in staat zijn het veld vertrouwen te geven. Of er een kader

geschapen kan worden waarbinnen werkelijk maatschappelijk ondernomen kan worden.

Neem de nieuwe Amsterdamse wijk IJburg. De intramurale aanbieders vormden daar

onmiddellijk een consortium: IJzorg. Gelukkig zijn de ZAO, de gemeente en de

provincie daar niet meteen op ingegaan. Ze hebben gezegd: we willen eerst eens

fundamenteel nadenken over hoe je de zorg opbouwt. Niet vanuit de aanbieders

gedacht, maar vanuit wat de bewoners nodig hebben. Ik hoop dat er straks

maatschappelijke ondernemers komen die iets nieuws gaan neerzetten.’

Wat levert het een instelling op als de directeur zich

afficheert als maatschappelijk ondernemer?

‘Als hij zich houdt aan de code die wij voorstellen dan betekent het dat de

medewerkers een gevoel van ownership hebben. Dat ze zich weer kunnen laten

leiden door hun bekommernis met mensen. Want mensen die in de zorg werken zijn

niet alleen maar loonslaven. Dat zijn idealisten, ze zijn puur goud.

Organisaties die te sterk marktconform werken zijn de dood in de pot voor de

zorg. Bedrijfsmatig werken is noodzakelijk, maar zorg dat je medewerkers

betrokken blijven. Anders vertrekken ze. De leegloop in de zorg is het antwoord

op de verzakelijking. Mensen kunnen hun ei niet meer kwijt in hun werk.’

Zouden ook de cliënten zich niet mede-eigenaar moeten

voelen?

‘Dat zou het mooiste zijn, maar dat kun je niet landelijk organiseren. Het

PGB zou hierin overigens een breekijzer kunnen zijn. Als je twintig ouders met

een PGB voor een gehandicapt kind bij elkaar zet dan kunnen ze een eigen

zorgvoorziening runnen. Maar het is een randverschijnsel: de tendens is nog

altijd schaalvergroting. Ik ben erg voor een regionale schaal in de zorg. Voor

een regionale verzekeraar blijf je een inwoner van de regio. Zo’n verzekeraar is

eerder geneigd om het debat met de omgeving aan te gaan dan een landelijke.

Univé in Alkmaar bijvoorbeeld organiseert debatten over de behoefte aan en

invulling van de zorg daar ter plaatse.Interessant op dit terrein is ook

ggz-instelling De Grote Beek in Eindhoven. Daar is men begonnen de zorg

werkelijk vanuit de patiënten te bekijken. In eerste instantie schrok men van

het niveau van participatie: cliënten klaagden over verstopte doucheputjes of

dat de verwarming te koud stond. Dat stond heel ver af van behandelfilosofieën.

Maar het bracht ze wel bij de kern van de zaak, want cliënten voelen zich

ontmenselijkt als ze op zulke basale zaken geen invloed hebben. Hetzelfde geldt

voor IJburg: weg met de eerste, tweede en derde lijn. Je moet niet denken vanuit

professies, maar vanuit de wensen vanuit het dagelijks leven.’

Het debat wordt op 4 februari afgesloten. Maar hoe moet het nu

verder met de rafelrand?

‘Dat is een punt van zorg. Het lijkt net alsof de discussie afgerond is nu

het begrip in het regeerakkoord is opgenomen. En dat is helemaal niet waar. Ik

zou willen dat er bijvoorbeeld een leergang kwam om beslissers te leren hoe ze

het debat met de samenleving kunnen aangaan. Managers hebben bijscholing nodig

om weer gewoon naar zorg te kunnen kijken in plaats van naar de organisatorische

kant. Het debat is heel erg versmald tot de intramurale zorg, maar ook voor het

welzijnswerk liggen er enorme kansen. Er is grote behoefte aan dienstverlening

die breder is dan wat de van oorsprong intramurale zorg aanbiedt. Je ziet overal

een tendens van extramuralisering. Maar is het niet bizar dat elke sector zijn

eigen vorm van woonbegeleiding organiseert? Dat is helemaal niet nodig. Vaak

doen hooggekwalificeerde werkers waar juist een gezinsverzorgster of een

buurtconcierge goed in zijn: klussen doen bij de mensen en met een half oog

kijken of het wel goed met ze gaat.Het welzijnswerk zit op het moment

misschien wel met een financieringsprobleem, maar het moet dat als een uitdaging

zien. Er is geld genoeg in Nederland. Welzijnsinstellingen bewegen nog te weinig

naar de zorg toe, waar het geld zit. Institutionele belangen zijn te groot. Het

lijkt me een prima idee als welzijnsinstellingen een offerte uitbrengen in

IJburg.’

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.