Vooraf

Bijna twee derde van de honderd aanbieders van specialistische jeugdhulp heeft de afgelopen drie jaar geld gevraagd aan de Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) om overeind te blijven. Dit jaar eindigt de subsidieregeling hiervoor. Ondanks de impuls van 200 miljoen de afgelopen jaren vindt de voorzitter Marjanne Sint van de TAJ de financiële positie nog steeds ’zorgelijk’, en, verwoordt ze diplomatiek, “het risico bestaat dat het in 2019 erger wordt”. Ze gaat nog verder: of de gehele jeugdhulp ooit goedkoper wordt (een belangrijke doelstelling van de decentralisatie middels de Jeugdwet) “durf ik niet te zeggen”. Nou, dan weten we het wel.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

Het allerergste is de termijn die Sint noemt waarop zij denkt dat de specialistische jeugdhulp goed is geregeld: vijf tot tien jaar. Al eerder noemde de directeur Jeugd van het ministerie van VWS ook al een termijn van tien jaar die nodig zal zijn om de jeugdhulp op orde te krijgen. Nog tien jaar: we spreken dan over 2028. Dan zijn we inmiddels 13 jaar bezig met de Jeugdwet. Al die tijd bestuurlijke pleisters plakken, noodoverleg organiseren, budgetten verschuiven (en verkleinen), nog meer experimenten van wijkteams (naast de city deal inclusieve stad), we blijven inhoudelijk verder knutselen – nu weer met voorstellen om de pleegzorg op te rekken tot 23 jaar, 100 miljoen extra voor wachttijden, de isoleercel voor jeugdigen wordt verboden, enzovoort. Inmiddels worstelt een kwart van de gemeenten met geldgebrek. De VNG zegt dat dat vooral door de jeugdhulp wordt veroorzaakt.

Er wordt ontstellend veel afvergaderd in het jeugdlandschap, een woord waar ik overigens nog steeds niet aan kan wennen. Nu kent menigeen Parkinson’s Law of Triviality, de Trivialiteitswet van Parkinson, misschien beter bekend als the color of the bikeshed. Deze wet stelt dat de hoeveelheid tijd die in vergaderingen wordt besteed aan een onderwerp omgekeerd evenredig is met de hoeveelheid geld die ermee is gemoeid. Ik ben bang dat de Trivialiteitswet van Parkinson volledig opgeld doet in de jeugdhulp. Het geneuzel om hier en daar wat geld uit te delen om instellingen al dan niet terecht overeind te houden vergt zoveel tijd en energie dat een basale discussie – hoe we het brede jeugdstelsel zo zouden kunnen inrichten dat deze instellingen minder nodig zijn – niet wordt gevoerd.

Dat is wel verrassend van de Nederlandse politiek en de Nederlandse jeugdhulp. Het jeugdstelsel is al decennia in onbalans, en de samenleving met haar jeugdhulp wordt al decennia geconfronteerd met de resultaten: een immer uitdijend systeem van hulp en ondersteuning aan gezinnen en jeugdigen. Het is onder andere een gevolg van het traditionele single loop-denken bij overheden: het is koud in de kamer, dus we zetten de verwarming hoger (lees: we delen extra geld uit). Niemand die bedenkt dat we beter eerst het raam kunnen sluiten, een voorbeeld van double loop-denken. Het blijft bevreemden dat dit spel al meer dan zestig jaar zo wordt gespeeld.

In dit nummer is er niet alleen aandacht voor de positie van instellingen voor specialistische jeugdhulp, maar ook voor een geheel andere benadering van jeugdigen met ernstige problematiek. Het betreft de inzet van dieren, van dierondersteunde interventies. Er wordt daarin onderscheid gemaakt in AAI (Animal-Assisted Interventions), AAE (Animal-Assisted Education), AAT (Animal-Assisted Therapy), AAC (Animal-Assisted Coaching) en AAA (Animal-Assisted Activities).

Het is bekend dat verbale therapieën niet altijd werken. De inzet van dieren bij kinderen kan in een aantal gevallen wonderen verrichten. Het voordeel van werken met dieren is immers dat zij niet oordelen, ondubbelzinnig zijn, loyaal en betrouwbaar zijn, en als een sociaal smeermiddel functioneren. Dieren stemmen zich af op mensen, zij nodigen uit tot interactie. Onderwijzers die hun hond mee naar de klas nemen, weten dat als geen ander. Sinds kort kennen we het fenomeen van de ’klassenbaby’, waar op bepaalde scholen een baby wekelijks op bezoek komt bij kinderen in groep 3. Kinderen leren verwoorden wat de wensen en verlangens van de baby kunnen zijn. Het proces van mentaliseren heeft effecten op de vermindering van agressie en het vergroten van empathie in de klas.

Dieren zelf zijn natuurlijk geen therapeuten, dieren ondersteunen slechts het proces van de gespecialiseerde therapeut. Nu doet de Nederlandse jeugdhulp niet zo heel veel met dieren. In het buitenland, natuurlijk weer het buitenland, ligt dat geheel anders. Om slechts een paar voorbeelden te noemen: in het Kinderziekenhuis in Barcelona vormen honden een deel van de staf. In het Otto Wagnerziekenhuis in Wenen maken dieren deel uit van het behandelprogramma. In Italië kan elke arts AAT voorschrijven. Prof. dr. Roswitha Zink van de Sigmund Freud Universität in Wenen werkt al vele jaren met tiergestützter Dienstleitungen. In ons land is er nauwelijks aandacht voor. Op hbo-niveau is het bij bepaalde opleidingen mogelijk iets van ecologische pedagogiek in het pakket te stoppen, maar een volwaardige master kennen we niet. Op sommige plaatsen komt de term PHP op, pedagogische hulpverlener met paarden. Daarmee hebben we wel gehad. We hebben onze handen al vol aan het overeind houden van de huidige onvolkomen structuren van onze getormenteerde sector, dus laten we alstublieft niet na gaan denken over alternatieve verbeterbewegingen. Letterlijk nog fundamenteler dan het werken met dieren is het werken met de natuur in zijn algemeen. Kinderen buiten laten spelen, bekend maken met het leven buitenshuis, onderdeel laten zijn van al wat groeit en bloeit, van het madeliefje en een lieveheersbeestje tot aan het heelal toe.

Een club als Stichting Groene Pedagogiek zet zich in om deze ervaringen kinderen mee te geven. Groene pedagogiek, en ik citeert nu haar website, “richt zich op de ontwikkeling, opvoeding en vorming van kinderen. Zij neemt de actieve verbondenheid met de natuurlijke omgeving als uitgangspunt en wil de ontwikkeling van de waarneming, de samenhang en het inzicht in de natuur stimuleren. Het doel is dat de natuur in al haar verschijningsvormen deel uitmaakt van de belevingswereld van kinderen en volwassenen. Daartoe moet de actieve verbondenheid met de natuur onderdeel worden van de opvoeding en vorming van kinderen.

In een veilige en gezonde leefomgeving, begeleid door opvoeders en leerkrachten die vanuit een positief-pedagogische grondhouding handelen, krijgt het zich ontwikkelende kind de mogelijkheid om positieve en krachtige ervaringen op te doen. Deze ervaringen vormen een basis voor de omgang met latere gebeurtenissen in het leven.” Het zou de jeugdhulp sieren als hij wat meer interesse zou tonen in andersoortige benaderingen. Er is meer onder de zon dan de traditionele insteek van de jeugdhulp. Het wordt tijd dat de professionals, de instellingen en de sector in zijn geheel zich in dezen anders gaan gedragen.

De psycholoog Kurt Lewin (1890–1947) geloofde dat het al dan niet vertonen van wenselijk gedrag in hoge mate wordt bepaald door twee soorten krachten die in elke situatie een rol spelen: drijvende krachten en remmende krachten. Het gedrag dat we (als jeugdsector) uiteindelijk laten zien, is een staat van evenwicht tussen deze twee soorten krachten.

Stel dat ik graag piano wil leren spelen. Een drijvende kracht is dan bijvoorbeeld informatie over hoe goed muziek maken mij zal doen. Een remmende kracht is dat ik al zoveel andere verplichtingen heb. Het inzicht van Kurt Lewin zorgde ervoor dat we ons realiseren dat er een goede en een slechte manier is om ander gewenst gedrag te verkrijgen. De goede manier is door het verminderen van remmende krachten, maar gebruikelijk – de slechte manier – zetten we (vooral het beleid) in op het vergroten van drijvende krachten.

Nederland grijpt met zijn jeugdhulp voortdurend naar het verkeerde instrument. Het gaat duwen. Het tracht de drijvende krachten van de jeugdhulp te vergroten, vaak door middel van communicatie. De staatssecretaris eerst en nu de minister kruipen op de zeepkist en leggen uit wat er moet gebeuren en waarom. Dat roept in de praktijk alleen maar meer remmende krachten op. Dat is niet alleen knullig, stumperig en onhandig, maar bovenal inefficiënt.

Instellingen, we laten de overheid maar even verder tobben met haar structuren, kunnen het best in actie komen door hun remmende krachten te verminderen. Aan de gang, zonder dat ze meteen weten hoe alle stappen de komende vijf of tien jaar zullen worden gezet.

Jacques Brel zei eens: “Ce qui est le plus dur pour un homme qui habiterait Vilvorde et qui veut aller à Hong Kong, ce n’est pas Hong Kong mais c’est de quitter Vilvorde.” Oftewel: naar Hong Kong gaan, dat is niet moeilijk. Naar Hong Kong gaan kan iedereen, als je maar gezond bent, “mais quitter Vilvorde, ça c’est dur” [maar Vilvoorde verlaten, dat is moeilijk]. De sector bewijst deze levensles al decennialang.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.