Journalist Stella Braam na driejarig verblijf tussen daklozen en verslaafden: ‘Moeilijke groep valt dwars door voorzieningen heen’

‘Ik kan niet weglopen voor wat ik heb gezien. Er moet wat veranderen in de hulpverlening.’ Dat zegt onderzoeksjournaliste Stella Braam nadat ze drie jaar in de wereld van daklozen en verslaafden dook. Met haar boek ‘Tussen gekken en gajes’ wil ze laten zien hoe hard het leven op straat is. Ook meent ze dat de maatschappelijke opvang faalt. ‘Van vraaggericht werken is absoluut geen sprake.’

Middernacht in de portiek van Magna Plaza, hartje

Amsterdam. Overdag is Magna Plaza een mondain winkelcentrum, ’s nachts is zijn

portiek een schuilplaats voor daklozen en drugsverslaafden. Twintig vierkante

meter met uitzicht op de achterkant van het Koninklijk Paleis. De een na de

ander wil erbij. Ze zijn geschorst door het Leger des Heils: betrapt met hasj,

te brutaal; ze hadden geen entreegeld of kwamen te laat. Ze liggen zij aan zij

op uit elkaar gescheurde dozen van karton. (…) Eén uur. Rechts in de portiek

breekt de pleuris uit. ‘Ik duw een kalasjnikov in je mik!’ Straatvechter Rien

valt Dirk Weeming aan, een dakloos hartpatiënt die zich amper kan verwerken.

Rien weet van geen ophouden. Hij grijpt een stuk touw en probeert Dirk ermee te

wurgen. Die loopt rood aan. Als hij dreigt te stikken, ontstaat er een kluwen

van vechters in de portiek. ‘Hé Rien, teringhufter, dimmen!’ (…) Ik ga liever

op veilige afstand staan. Ik ben nog niet gewend aan vechtpartijen. Het is

najaar 1998 en mijn speurtocht naar het leven op straat is nog maar net

begonnen. Ik wil weten hoe daklozen en verslaafden overleven.*

Onder het motto ‘om een wereld te leren kennen, moet je er zelf deel van

uitmaken’ leefde journaliste Stella Braam van 1998 tot 2001 op straat tussen

daklozen en verslaafde. Ze mengde zich in het leven van daklozen in het centrum

van Amsterdam, verbleef ’s nachts in winkelcentrum Hoog Catharijne in Utrecht,

woonde een tijd bij ‘de bewoners’ van Schiphol en volgde crack-gebruikers in de

hoofdstad. In haar boek ‘Tussen gekken en gajes. Avonturen in de

undercoverjournalistiek’ doet Braam verslag van haar ervaringen. ‘Ik ben

deze keer misschien wel te ver gegaan, het was heel zwaar. Maar met dit boek wil

ik de mensen laten zien hoe hard het leven op straat is. Ik hoop door mijn werk

de beeldvorming ten aanzien van verlaafden en daklozen te veranderen. Het zijn

mensen met een verhaal, ook al worden ze zelfs in de hulpverlening niet voor vol

aangezien.’

Passieve euthanasie

Ver is Stella Braam inderdaad gegaan voor haar verhaal. Ze sliep niet

alleen op straat, maar raakte ook een tijd verslaafd aan crack. ‘Deze drugs

maakt echt gek. De zucht naar meer wordt steeds groter.’ Haar ervaringen hebben

Braam strijdlustig gemaakt. ‘Ik kan niet weglopen voor wat ik heb gezien. Er

moet wat veranderen in de hulpverlening. Al tijden is crack – gekookte cocaïne –

in opkomst, maar de hulpverlening heeft hier nog geen antwoord op gegeven.

Heroïneverslaving krijgt nog steeds de meeste aandacht in de verslavingszorg,

terwijl dit probleem vrijwel onder controle is.’

Braam kon na drie maanden verslaafd te zijn geweest uiteindelijk stoppen

met hulp van vrienden. Omdat ze, zoals ze zelf zegt, een toekomstperspectief.

‘Maar als je die vrienden niet hebt, geen dak boven je hoofd hebt en psychisch

ziek bent – wat voor toekomst heb je dan voor je? Bovendien voelen ze zich vaak

uitgekotst door de hulpverlening en zet de maatschappelijke opvang ze zonder

pardon op straat als ze zich niet aan de strenge regels kunnen houden. Alleen de

minst overlastgevende mensen kunnen er terecht en de verslavingszorg helpt

alleen de kansrijke gevallen.’

De journaliste wordt fel wanneer de verslavingszorg en maatschappelijke

opvang in Amsterdam ter sprake komt. ‘Er gaat zo ontzettend veel geld in om,

maar wat die instellingen bereiken? Ze zijn niet ingesteld op de driedubbele

problematiek van verslaving, psychisch ziek zijn en geen dak boven je hoofd

hebben. Van vraaggericht werken is dus absoluut geen sprake. Het Leger des Heils

heeft geen aansluiting met de groep en kan dus ook niet inspelen op de behoeften

van de doelgroep. Ik vind haar houding zelfs neerbuigend. Hulpverleners lieten

me weten dat ze de bureaucratie erg belemmerend vinden. Zelfs de meest bevlogen

mensen raken na verloop van tijd het strijden moe. Het perspectief van

verslaafde en psychisch zieke daklozen is de tralies of de kist. Passieve

euthanasie, noem ik dat. Deze groep valt dwars door voorzieningen heen.’

Johan Gortworst van Federatie Opvang, de belangenbehartiger van

instellingen voor maatschappelijke opvang, erkent de moeilijkheden rond de

meervoudige problematiek. ‘De maatschappelijke opvang is van oudsher geen

verslaafdenopvang, maar toch kun je niet om de verslavingsproblematiek heen. Je

kunt verslaafde daklozen niet zomaar bij niet verslaafde cliënten zetten, dus

heb je strenge regels nodig. Dat kan betuttelend voelen. Drugs wordt af en toe

wel gedoogd, maar het zou het beste zijn als er genoeg voorzieningen zijn die

zich speciaal richten op verslaafden. Ze beginnen er wel steeds meer te komen;

opvang met gebruikersruimten, hostels en sociale pensions. Toch vinden we dat de

verslavingszorg met een oplossing moet komen. Wij gedogen dan wel, maar met name

in de nachtopvang is de problematiek en overlast veel te zwaar voor het

personeel. Uit veiligheidsoverwegingen moet je dan cliënten op straat zetten. Er

is meer en beter opgeleid personeel voor nodig. We moeten vooral inzetten op de

kwaliteit van instellingen: meer plekken, goede begeleiding. Er is nu veel te

weinig plek in de opvang en de opvang die er wel is, is vaak niet goed

toegesneden op de behoeften van de verslaafde daklozen. Hier is dringend geld

voor nodig. Helaas zitten we nu in een tijd waar vooral gekeken wordt naar hoe

we zo min mogelijk overlast hebben, naar veiligheid op straat. Gevolg is het

verjagen van deze mensen.’

Incompetent

Nu heeft Pieter trek in een chineesje bruin. Hij zoekt een rustig

plekje op de kade aan het water, schuin tegenover het station. Vouwt voorzichtig

een tissue open, pakt er een mestpuntje bruin vanaf en snuift het op. Vroeger

was hij een echte shotter, totdat hij geen bloedvat meer kon vinden, alleen nog

in zijn nek. Nu spuit hij niet meer, hij rook of snuift de heroïne. Hij zweert

bij pure heroïne, maar om geld te besparen beperkt hij zich tot de methadon. Die

krijgt hij gratis van de GG&GD. Pieter zit op dertien methadontabletten per

dag. Daarnaast krijgt hij achtentwintig pillen Seresta van vijftig milligram per

week. De GG&GD moet weten dat geen mens zo’n hoeveelheid aankan. De dosering

is genoeg om een olifant te versuffen, maar de GG&GD noemt het een

onderhoudsdosis. Aan de helft van de pillen heeft Pieter meer dan genoeg. De

rest verkoopt hij voor één vijftig tot twee piek per pil. Methadon is een

zoethoudertje van de overheid, meent Pieter. ‘Het maakt je zo sloom dat je naar

coke gaat verlangen. Coke, een partydrug.’*

Stella Braam vindt dat ‘incompetente hulpverleners’ het antwoord op de

problematiek zoeken in overmedicatie. ‘Ze maken zombies van de verslaafden, ze

worden gewoon verdoofd om ze maar stil te houden.’

Giel van Brussel, hoofd drugsafdeling van de GG&GD Amsterdam, vindt dit

verhaal onzin. ‘Doordat we de cliënten dagelijks zien als ze hun methadon en

kalmeringstabletten halen, houden we goed zicht op wat ze nodig hebben.’ De

kritiek van Braam dat er te veel aandacht uitgaat naar het heroïnegebruik en dat

er vrijwel niets wordt gedaan aan de cocaïneproblematiek, noemt Van Brussel

onterecht. ‘Problemen rond heroïnegebruik zijn juist afgenomen doordat we

methadon verstrekken en daardoor controle op ze kunnen houden. Daar moet je dus

veel aandacht aan blijven besteden. Cocaïne is een groot probleem en we zijn er

wel degelijk mee bezig. Maar in de Verenigde Staten is twintig jaar geprobeerd

een vervangend middel te vinden, zonder resultaat. Je zou dan kunnen overwegen

om gratis coke te verstrekken, maar ik weet niet of je dat wel moet doen. Met

heroïne kun je in principe oud worden als de leefomstandigheden goed zijn en de

drugs op een veilige manier wordt ingenomen. Met cocaïne is zo’n ander soort

verslaving. Het maakt je gek.’

Braam vindt dat niet de hulpverleners zelf, maar de top van de instellingen

de schuld heeft van de falende maatschappelijke opvang voor daklozen en

verslaafden. Ze noemt de slechte samenwerking en concurrentie als grootste

probleem. En de overheid loopt volgens haar weg voor de problemen. ‘Vooral de

politiek moet een keuze maken. Wil je deze problemen aanpakken, of niet? In

Rotterdam gaat het wel goed, waar verslavingszorg en psychiatrie goed

samenwerken. Maar in Amsterdam wil dat maar niet lukken. Als men aan mij vraagt

of de hulpverlening voor verslaafde daklozen in Amsterdam werkt, zeg ik dat het

inderdaad succesvol is: je ziet ze bijna niet meer. Het opjaagbeleid is wat dat

betreft erg succesvol. Het probleem in de hulpverlening is dat niet de klant en

het gemeenschappelijke doel voorop staat, maar de financiering. Het draait om de

vraag wie betaalt. De geldstromen zijn overigens erg ondoorzichtig. Men heeft er

geen flauw idee van hoeveel geld er omgaat in de verslavingzorg, ggz en

maatschappelijke opvang. Instellingen die niet goed werken, krijgen het toch

voor elkaar om elke keer weer geld te krijgen. Dit komt doordat elke vier jaar

een nieuwe wethouder wordt aangesteld, die bij de aanstelling geen verstand van

zaken heeft en automatisch subsidie geeft.’

In ‘Tussen gekken en gajes’ geven verslaafden aan dat ze door de

hulpverleners als junk worden behandeld en dat respect voor de klant ontbreekt.

Braam: ‘Bevlogenheid van hulpverleners wordt niet meer op prijs gesteld. Ze

krijgen bij hun aanstelling het advies om afstand te bewaren tot de doelgroep en

dat ze vooral moeten uitkijken. Tja, als dat de manier is om de doelgroep te

bereiken.’ Ze wijst op een citaat van Giel van Brussel in het jubileumboek

‘Honderd jaar GG&GD Amsterdam’. Daarin zegt Van Brussel: ‘Heroïne is voor de

schlemiel, voor de zielenpoot die bij de GG&GD rondloopt.’ Braam maakt zich

daar woedend over. ‘Met zo’n houding help je toch geen mensen?’ Van Brussel

vindt het achteraf ook niet echt een handige opmerking. ‘In het kader van

beeldvorming, moet je als hulpverlening zelf natuurlijk wel beleefd blijven

tegen cliënten. Ik had die opmerking beter niet kunnen maken in het

jubileumboek. Daar moet ik Stella Braam gelijk in geven. Maar als zij zegt dat

de GG&GD niet haar uiterste best doet om de doelgroep te helpen, dan ben ik

het daar absoluut niet mee eens. De samenwerking en integrale aanpak waar we de

laatste jaren bezig zijn, hebben wel degelijk een zeer gunstig effect.’

Van Brussel doelt op het Project Support, een samenwerkingsproject

tussen onder meer ggz, GG&GD, de Regenboog, Hvo-Querido, Leger des Heils en

Jellinek samenwerken. Het project is in 2000 van start gegaan met als doel naar

alle problemen te kijken. Schulden, gezondheid, onderdak, eten en drugsgebruik.

Een mentor, de casemanager, krijgt via de GG&GD contact met de cliënt en

vervolgens wordt samen gekeken naar wat het hoogst haalbare is. Bovendien moet

de mentor de cliënten zonder drempels bij een andere instelling onder kunnen

brengen. De mentor helpt bijvoorbeeld ook bij het aanvragen van een nieuw

legitimatiebewijs, wat nodig is om een postadres voor de uitkering te krijgen.

Hele praktische hulp, vindt Petra van Dam, lid van de Raad van Bestuur van de

Jellinek. ‘Samenwerken tussen instellingen gaat vaak moeilijk omdat iedereen een

eigen manier van weren heeft. De kracht van dit project is dat iedere

hulpverlener dezelfde methode gebruikt. De samenwerking is gestart dankzij de

druk die toenmalig wethouder Guusje Terhorst uitoefende.’

Dat de Jellinekkliniek volgens Stella Braam alleen kansrijke cliënten zou

helpen, is volgens Van Dam niet waar. ‘Voor de chronisch verslaafden hebben we

een aangepaste behandeling. Je moet voor je aan een behandeling begint samen met

de cliënt doelen stellen en bij een groep chronisch verslaafden is stabilisatie

van middelengebruik en verbetering van maatschappelijke functioneren de beste

optie. Vaak hebben ze al meerdere afkickpogingen gedaan, zonder enig resultaat.

Dan moet je op een gegeven moment kijken naar wat wel het hoogst haalbare is. We

werken onder andere met het strippenkaartsysteem, waarbij verslaafden even de

tijd krijgen om hun verhaal kwijt te kunnen en wat aan te sterken. In de

verslavingszorg moeten we een kosten-baten afweging maken.’ Braam vindt het

strippenkaart systeem belachelijk. ‘Ze mogen even ontgiften en ruiken aan het

leven binnen, om vervolgens weer op straat te worden gezet. Alsof er voor die

mensen helemaal geen hoop meer is. De term zorgwekkende zorgmijder is door de

hulpverlening bedacht om hun onvermogen en onwil te maskeren.’/Ester

Mijnheer

· Uit: ‘Tussen gekken en gajes.

Avonturen in de undercoverjournalistiek’, Stella Braam, Nijgh & Van Ditmar,

Amsterdam, ISBN 90 338 0312 5, € 12,90

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.