Groeiende aandacht voor zingeving in de jeugdhulpverlening: ‘Wij zijn geen probleem op pootjes’

De zin van het bestaan mag weer onderwerp zijn in de hulpverlening. Sterker nog: Jongeren zoeken naar antwoorden op dit soort vragen. Dat stelt Michael Kolen in zijn boek 'Zingeving en ethiek in de jeugdzorg'. Hij herhaalde dat op het gelijknamige congres, dat op 20 juni is gehouden. Zingeving maakt veelal deel uit van het verhaal waar jongeren mee bij de hulpverlening aankloppen. Het vraagt ook iets van de hulpverlener: hij moet zichzelf blootgeven.

‘Zodra je over zingeving begint, denkt men: ‘oh nee, ze

komen toch niet weer die verzuiling uit de jaren zestig door de achterdeur naar

binnen halen’. Maar als het over zingeving in het hulpverleningsproces gaat,

hebben we het niet direct over religie,’ benadrukt Michael Kolen, auteur van het

boek ‘Zingeving en ethiek in de jeugdzorg’. Kolen: ‘Het gaat over op welke

manier je met levensvragen om gaat, wat je waarden- en normenpatroon is.

Iedereen heeft daar ideeën over, je hoeft lang niet altijd religieus te zijn.

Die fout wordt nogal eens gemaakt en dat leidt in de hulpverlening vaak tot

weerstand.’

Juist het afscheid van de verzuilde samenleving, de no nonsense-cultuur

en het individualisme van de jaren tachtig en negentig hebben volgens Kolen het

omgaan met zingeving en ethiek in de hulpverlening naar de achtergrond

gedrongen. ‘Het idee was dat waarden en normen tot het privé-domein behoren, je

moest een soort neutraliteit behouden. De hulpverlener focust op het probleem en

hoe dat probleem op te lossen. Hij gaat niet in op de betekenis van bepaalde

gebeurtenissen en vragen in het leven van de jongere. Terwijl je de persoon uit

het oog verliest als je inzoomt op één aspect van het verhaal. Het gevolg van

die probleemgerichtheid is trouwens ook dat hulpverleners zelf de betrokkenheid

bij en verantwoordelijkheid voor de cliënt missen. Ze hebben maar zes sessies om

een probleem op te lossen en vragen zich af: ‘waar doe ik ’t nog allemaal

voor’.’

‘Naast de therapieën en behandelingen is er een diepere laag in de mens

om aan te boren: hoe staat de cliënt in het leven,’ zegt Marlies Mols. Zij is

één dag in de week beleidsmedewerker zingeving en ethiek bij Bijzondere

Jeugdzorg Deurne. Het doel van de nieuwe aandacht voor het thema is het

hulpaanbod beter te laten aansluiten op de vraag. ‘De hulpverlening ging altijd

uit van: ‘dit is het probleem, dat is de pleister’. Maar niet voor alle

problemen is een oplossing en wat kan je als hulpverlener dan wèl doen?’

Dagelijkse hectiek

De roep om zingeving in de hulpverlening is volgens Michael Kolen

duidelijk aanwezig. ‘Wij hebben onderzoek gedaan onder jongeren, hulpverleners

en management, en allen bleken in de praktijk tegen het thema aan te lopen. Ook

de jongeren gaven aan dat het voor hen cruciaal is. Een jongen verwoordde het

zo: ‘Als er echt iets is dat me raakt, houdt hij (de hulpverlener, red.) op met

schrijven. Het wordt niet gezien als behorend bij het werk’.’

En dat zou het wel moeten zijn, want jongeren komen met vragen over

‘hoe ga ik om met de dood van mijn dierbare?’, ‘wat moet ik nog verder met het

leven?’, maar ook: ‘het lukt mij niet dat diploma te halen’. De kunst voor de

hulpverlener is volgens Michael Kolen in de huid van de jongere te kruipen, te

weten welke betekenis iets of iemand voor die cliënt heeft.

Marlies Mols, beleidsmedewerker zingeving en ethiek, vindt het

belangrijk dat hulpverleners allereerst bewust zijn van hun eigen waarden en

normenpatroon: ‘Als je goed naar jezelf kunt kijken, kan je ook naar de ander

kijken, naar zijn of haar ethische waarden. Dat is een voorwaarde om er met

elkaar, hulpverlener en cliënt, over te spreken.’

Volgens Kolen is er inderdaad een risico dat de hulpverlener zijn

mening oplegt aan de jongere, maar dat risico is te vermijden: ‘Door een open

opvoedingsklimaat te scheppen. Door open te praten en te denken. Wat doe je als

een kind zegt: ‘oma is dood, waar is oma?’ Je kan als hulpverlener zes

verschillende opties geven, gerelateerd aan zes verschillende

levensbeschouwingen. Dat kind draait zich om en kan er niks mee. Je kan ook

zeggen: ‘Ik denk dat oma in de hemel is, wat denk jij?’ Dan toon je

betrokkenheid, dan ontstaat er interactie. Dat heeft het kind nodig, die komt

niet voor niks bij jou aan met die vraag.’

Om zingeving en ethiek in de organisatie te incorporeren is het nodig dat

vooral directie en leidinggevenden doordrongen zijn van het belang ervan in de

hulpverlening. Er is tijd, geld – voor een functionaris – en aandacht voor

nodig. Marlies Mols van Bijzondere Jeugdzorg Deurne: ‘Het onderwerp moet steeds

terugkeren op de agenda: in het werkoverleg, in teambesprekingen, in de

groepsvergaderingen met cliënten. Want in de dagelijkse hectiek verdwijnt het

thema snel onder tafel. En dat doet geen recht aan de cliënt. Een jongere

verwoordde dat heel treffend: ‘wij zijn geen probleem op pootjes, we willen

gezien worden als mens met een eigen inbreng’.’

Vanessa van Dam,

Ambulant hulpverlener, mentor van het 16+ project voor zelfstandig

wonende jongeren. Organisatie: Amstelstad, multifunctionele instelling voor

jeugdhulpverlening

‘Vaak wordt zingeving als iets abstract afgedaan, als zou het niks te maken

hebben met praktische hulp. Ik denk dat het de basis is van waaruit je keuzes

maakt, het vormt je referentiekader. In het 16+ project krijgen de meeste

jongeren minimaal een jaar begeleiding. Aanvankelijk komen ze vooral met

praktische vragen: financiën, invullen van formulieren. Maar na een tijdje

blijkt vaak dat achter deze praktische vragen zingevingvraagstukken zitten.

‘Ik ben zelf christen en heb veel nagedacht over zingeving en

levensvragen. Dat helpt mij om me in te leven in levensvragen van anderen. Je

moet jongeren de ruimte geven zelf een mening te vormen. Ik adviseer ze ook

meningen te vragen van mensen die dichtbij staan. Het is geen indoctrinatie als

je jouw eigen mening vertelt. Het geeft de jongere een referentiekader, dat moet

de hulpverlener ook geven.

‘Over zingeving spreek ik met de jongeren in de wandelgangen, aan de

afwas of tijdens een maaltijd. Veelal gaat het over het nut van het leven, over

relaties, over het overlijden van dierbaren. Je komt zelf als hulpverlener ook

voor ethische dilemma’s te staan, bijvoorbeeld: afbreken van zwangerschappen,

gemakkelijk – dat wil zeggen illegaal – geld verdienen of relaties met een

getrouwde man of vrouw. Een van mijn cliënten, 16 jaar en ongewenst zwanger,

koos er voor, tegen de wens van haar ouders in, om haar kind te houden. Zij

vroeg aan mij ondersteuning. Dan moet je jezelf als hulpverlener een aantal

vragen stellen: hoe ga ík daar mee om? Hoe kan een kind een kind opvoeden? wie

kan daarbij helpen? Wanneer je als hulpverlener zulke levensvragen negeert, heb

je de jongeren ten diepste niets te bieden.’

Paul Kuypers,

Sociaal-pedagogisch begeleider voor 12 tot 18 jarigen. Organisatie:

Bureau Jeugdzorg Tilburg

‘Hulpvragen zijn in principe altijd praktisch van aard. Men komt niet met

zingevingvragen bij ons aan. Pas verderop in de begeleiding merk je: ‘hé, die

jongen heeft geen doel in zijn leven’. Ik stel me altijd op als bruggenbouwer:

probeer alle partijen te horen, geef soms een eigen visie, maar ben meestal

volgend. In een later stadium, tijdens een ontspannen gesprek, kan ik eens iets

vanuit mijn eigen inzicht vertellen als ik denk: dat zou misschien interessant

zijn voor hem. Maar dat kan pas als de eerste spanning omtrent het probleem eraf

is. Als pijn of woede een plek hebben gekregen. Dan is er ruimte om weer iets te

doen met het leven. Dan komt de vraag: ‘hoe moet dat dan?’ Maar aan die fase

komen wij meestal niet toe. Wij hebben maximaal vijftien gesprekken de tijd om

hulp te verlenen. Dat is vooral erop gericht om de pijn of de woede een plek te

geven.

‘Wij zijn meer bezig met brandjes blussen en problemen oplossen dan met

zingeving. Veel jongeren willen trouwens zelf ook zo snel mogelijk uit de

hulpverlening en stoppen als het probleem een plek heeft gekregen. Integratie

van zingeving en ethiek in de werkpraktijk zou mooi zijn, maar dat is toch

ver-van-mijn-bed. Het vraagt ook veel van medewerkers: de middelen en de tijd

moeten er voor zijn. Wij moeten wachtlijsten wegwerken. En verder moet je niet

al te zwevend over dat soort dingen doen. Naar de cliënt toe moet je het

concreet maken. Maar wie ben ik om mijn persoonlijke levensovertuiging over te

brengen naar de cliënt?’/Caroline Stam

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.