Commentaar door Hans van Ewijk, waarnemend directeur Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn: Het Ministerie van Zorg

De beleidsagenda in de Memorie van Toelichting van VWS laat maar één conclusie toe: VWS is hard op weg het Ministerie van Zorg te worden. Bijna de hele tekst gaat over Zorgvraagstukken. Er is nog nauwelijks aandacht voor sport, jeugd en lokaal sociaal beleid. De vertaling in het extra budget voor 2001 bevestigt het beeld. Ruim 90 procent van het extra geld gaat naar Zorg. Dat geld gaat vervolgens hoofdzakelijk naar capaciteitsuitbreiding, geneesmiddelen en in iets mindere mate naar arbeidsmarktbeleid en ict in de zorg.

Het afgelopen jaar is een heel circuit geactiveerd om

een landelijk zorg en welzijn-beleid vorm te geven langs de lijnen participatie,

toeleiding, sociale cohesie en leefbaarheid, professionalisering en informatie.

VWS, IPO, VNG, en vertegenwoordigers van provinciale steunfuncties en grote

welzijnsinstellingen spraken met elkaar over dit nieuwe beleid. Je zou

verwachten dat iets van dit ingezette beleid in de Beleidsagenda van VWS terug

te vinden is. Niet dus. Pas onder de Toelichting per Begrotingsartikel komen we

onder het kopje van de directie Sociaal Beleid de lijnen weer tegen. Het motto

van VWS ‘Zorg voor mensen in een gezonde samenleving’ is in deze veelzeggend.

‘Zorg voor mensen in een sociale samenleving’ had ook gekund. Een departement

dat zich inzet voor het maatschappelijk functioneren van mensen en organisaties.

En dan hadden in de beleidsagenda ook dingen over het sociale en welzijnsstelsel

kunnen staan. Een stelsel dat zorg draagt voor diensten en activiteiten dicht

bij de mensen. Maar de lijnen zijn terug in hun hok.

De tekst van de beleidsagenda is op zich mooi. In grote lijnen worden een

paar essentiële problemen van de zorgsector geschetst. De kern van het probleem

ligt in een tekst als ‘Zo brengt de groei van de welvaart steeds meer

voorzieningen en activiteiten binnen het bereik van steeds meer mensen. In

materiële zin lijken er voor velen geen belemmeringen te zijn om behoeften te

bevredigen, mensen kopen wat ze willen hebben. Deze ervaringen worden ook op de

overheid geprojecteerd.’ Tot voor kort zagen we zorg als een schaars goed

dat door een collectief systeem beheerst moet worden. Zo’n idee past niet bij de

moderne burger die op zijn wenken bediend wil worden, die wil krijgen of kopen

wat die nodig heeft, die kiezen wil. De mens wil zeggenschap over zijn eigen

situatie, zeker over zijn gezondheid en mobiliteit.

Ik zag onze minister op televisie aan Sonja Barend uitleggen waarom de

wachtlijsten ontstaan zijn. Omdat we de afgelopen jaar te zuunig zijn geweest.

De suggestie wordt gewekt dat het nu over is met de zuinigheid. Maar wie het

grote verhaal – de andere houding van de burger, gezondheid als product en niet

als collectief verdeelde schaarste – onderschrijft, zal verhalen over

capaciteitsuitbreiding en aanpassingen in de organisatie en sturing binnen het

stelsel en verzekeringssysteem te mager vinden. De discussie zal de komende

jaren gaan over een scheiding tussen een basisverzekering, particuliere

aanvullende verzekeringen en vrijelijk te kopen gezondheids- en zorgproducten.

Voorspelbaar is dat verhoudingsgewijs de basisverzekering een steeds kleiner

deel gaat dekken van de zorg. Zodra mensen de kans krijgen gezondheid en zorg te

kopen zal dat een zeer opdrijvende werking hebben. Kernvraag is dan hoe we

voorkomen dat de basisverzekering niet devalueert tot een vangnetverzekering. A

poor system for the poor, zoals dat in het internationale debat heet. Een

gezonde basis voor iedereen is de absolute voorwaarde om daar bovenop

gezondheidsplus pakketten en franje om het bed op de markt te zetten.

Het andere grote probleem is de beschikbaarheid. Lukt het om voldoende

‘zorg en gezondheid’ te produceren. Driekwart van de zorg is in mensenhanden. En

we lijken aan alle kanten handen te kort te komen. Ook op dit punt geeft de

beleidsagenda vooralsnog een zuinig antwoord. Uitbreiding van capaciteit en het

aantrekkelijker maken van het beroep zal niet voldoende zijn. In de

Beleidsagenda van Sociale Zaken worden wat duidelijkere vergezichten getekend.

Andere dagindeling, verlofregelingen (overigens ook nog maar mondjesmaat) worden

ons daar voorgehouden. We vinden er ook aanzetten om de scheiding tussen betaald

en onbetaald werk te verkleinen, om voor ouderen de overgang tussen werk en

pensioen te verlengen en minder scherp te maken. In een VWS-beleidsagenda had ik

verwacht meer te lezen over informele zorg, over flexibele dagindelingen in de

zorg, over activeren van ouderen en jongeren als betaalde en onbetaalde

professionals.

Het juiste tempo

De VWS begroting zoekt voorzichtig zijn koers. De lijnen worden nog wat

tentatief neergezet. Daarmee ontstaat ruimte om tot een publiek en politiek

debat te komen dat niet alleen over wachtlijsten en organisatievraagstukken

gaat, maar over de essentie van het bieden van gezondheidszorg, verzorging en

welzijn. VWS mikt ook niet op één paard, maar gaat uit van veel spelers en een

integrerende aanpak.

Toch moeten we juist in deze fase goed opletten hoe problemen gedefinieerd

worden en wat de globale lijnen zijn. Behalve de waarschuwing om vraagsturing

niet te veel te zien als louter een transactiesysteem tussen een consument en

een producent, zou ik ook een vraagteken willen zetten bij het opvallende

vertrouwen in verzekeraars als de belanghebbenden bij kostenbeheersing. De

zorgverzekeraars vormen een redelijk gesloten ‘systeemfiguur’ – weer een mooi

nieuw woord in de beleidstaal – waarbij de kosten vrij makkelijk in premies naar

de cliënt doorberekend worden. Verzekeraar en klant willen het graag zo luxe

mogelijk. Een implosie van het zorgsysteem dreigt door de beschikbaarheidvraag,

de snelle overgang van een collectief gestuurd geheel naar een klantgestuurd

geheel , de zuunigheid van de overheid en het mateloos verlangen van de burger

om alles te krijgen en wel subito. Het zal de komende jaren een zaak zijn van

het juiste tempo, de juiste volgorde in de te nemen stappen en van gepaste

lef.

Het streven van het ministerie om als een soort matrix organisatie

beleidsdirecties en inhoudelijke lijnen tot een geïntegreerd geheel te maken,

komt in de VWS begroting weinig naar voren. Niet alleen is dat te merken aan het

feit dat de lijnen van de welzijnsnota onder één directie gezet zijn. Dat wordt

ook duidelijk doordat veel beleidsdirecties wel voor breed beleid pleiten, maar

vervolgens dat opvallend eenzijdig aan ‘hun’ organisatie en beleidsveld

koppelen. De vermaatschappelijking van de psychiatrische patiënt is een GGZ

probleem, lokaal gezondheidsbeleid is toch vooral GGD, decentrale voorzieningen

voor verstandelijk gehandicapten blijven binnen het systeem van de

gehandicaptenzorg gedefinieerd en de jeugdzorg legt zijn plannen uiteen in een

afzonderlijke Voortgangsrapportage Beleidskader Jeugdzorg.

Wat nodig is, is een stevige visie op wat op het brede sociale terrein

(lokaal gezondheidsbeleid, zorg, educatie, toeleiding, welzijnswerk, jeugd,

gehandicapten) door een gemeente geregeld kan en moet worden. Vanuit zo’n

verhaal kan beredeneerd worden waar vervolgens eventuele hulp van zwaardere

zorgsectoren nodig is. In sommige landen kopen lokale overheden die zorg in bij

regionale of landelijke instellingen. Het moet dus breder dan zorg, meer ruimte

voor lokaal, meer vertrouwen in het maatschappelijk middenveld, naast product

denken ook oog voor meer situationele benaderingen.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.