Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

CNV-voorzitter René Paas: ‘Het is erg in om negatief te zijn’

Een klein half jaar is René Paas voorzitter van de vakbond CNV. Als wethouder wilde hij in Groningen opkomen voor de zwakkeren. Daarin ziet hij ook de parallel met zijn huidige functie. ‘De politiek spreekt van middeninkomens bij mensen die twee keer modaal verdienen. Daar is niks ‘middens’ meer aan.'

Door Karsten Pos – Vlak na zijn aantreden als voorzitter van de vakbond CNV liep René Paas (1966) tegen zijn eerste teleurstelling aan. Enkele weken voor Prinsjesdag 2005, maar kort na Paas’ eerste werkdag op 15 augustus, lekte uit wat het kabinet voorstond met de inkomensverdeling.

‘En dat was echt onthutsend,’ zegt Paas. Hoe kon het CDA – toch zìjn partij – het laten gebeuren dat de lagere inkomens niet mee zouden groeien met de koopkrachtstijging van de hogere en middeninkomens? Waar was het sociale gezicht van de christen-democraten?

Maar de eerste emoties hebben snel plaats gemaakt voor realisme. Want, zwáár teleurgesteld, zo ervoer de kersverse CNV-voorzitter het nou ook weer niet. Zegt hij nu. ‘Mijn teleurstelling is al geweest bij de kabinetsformatie,’ aldus Paas. ‘In deze coalitie komt het sociale gezicht van het CDA niet tot zijn recht.’
Paas nam ruim acht jaar als wethouder in Groningen van onder meer volksgezondheid en zorg mee naar zijn nieuwe standplaats Utrecht. Niet alleen werden altijd de predikaten ‘jong’ en ‘veelbelovend’ op hem geplakt, maar ook landelijk blies hij een aardig toontje mee. Zo schreef hij in 1994 en 2002 mee aan het landelijke verkiezingsprogramma van het CDA en was hij vice-voorzitter van de commissie Welzijn en Volksgezondheid van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Daarnaast droeg de commissie die in 2003 minister Hoogervorst adviseerde over de invoering van medische verstrekking van heroïne aan zwaar verslaafden zìjn naam.
Onderkant
Over zijn portefeuilles in Groningen zei Paas eens: ‘Hier kun je laten zien voor wie je bij uitstek wilt opkomen: ouderen, gehandicapten, daklozen, verslaafden. Het is de opdracht van de overheid om daklozen en verslaafden bij de lurven te grijpen.’

In het opkomen voor zwakkeren ligt de parallel met het CNV-voorzitterschap. ‘In ieder geval is er op volop reden iets aan de onderkant te doen. De verschillen in Nederland zijn alleen maar groter geworden. Hoe kan een kabinet dergelijk beleid nou evenwichtig noemen? Het is een kwestie van beschaving om iederéén mee te laten doen.’

De armoedemonitor uit 2005 geeft Paas de nodige munitie voor zijn stelling. Vier van de tien huishoudens onder de lage inkomensgrens komen moeilijk of zeer moeilijk rond. Onbegrijpelijk en niet uit te leggen, vindt Paas het daarom, dat in de koopkrachtplaatjes degenen die anderhalf keer modaal verdienen er wel op vooruit gaan, en de lage inkomens niet. ‘Daartegenover staat dat de politiek spreekt van “middeninkomens” bij mensen die twee keer modaal verdienen. Daar is eigenlijk niks “middens” meer aan. De verschillen zijn wel erg groot geworden.’
Verrassend noemt Paas vooral de snelle opkomst van de working poor. In ongeveer vijftien jaar tijd is het aantal huishoudens met een baan, maar levend onder de armoedegrens, verdubbeld tot 250 duizend. De mensen waarvoor werk geen garantie meer is om aan armoede te ontkomen, worden vaak heen en weer geslingerd tussen bijstand en slecht betaalde banen.

‘Ik ben ervan geschrokken dat dit fenomeen hier met zo’n rotvaart is opgekomen,’ zegt Paas. ‘Want ik dacht altijd dat het minimumloon daartegen beschermde. Ondertussen wil het kabinet er niet aan dat mensen soms zelfs met betaald werk niet rond kunnen komen. Er is dus een groot nieuw probleem ontstaan.’

Genoeg reden om iets aan de onderkant te doen dus. Maar wat? ‘De arbeidsmarkt kan dit niet zelf oplossen,’ meent Paas. Het komt er volgens hem op aan om opnieuw constructies voor gesubsidieerde banen te verzinnen. Paas is niet de enige. Zo lanceerde de PvdA onlangs een plan om ruim vijftigduizend (eenvoudige) banen te scheppen voor mensen die niet zelfstandig werk kunnen vinden op arbeidsmarkt. Voor elke ‘investeringsbaan’ zouden werkgevers subsidie krijgen en werkgevers die jongeren een (bijna) volledige baan aanbieden, kunnen rekenen op fiscale tegemoetkoming.
‘Het gaat om mensen waarvan werkgevers vinden dat ze niet genoeg opleveren om de loonkosten terug te verdienen,’ zegt Paas. ‘Maar de gesubsidieerde baan is één van de manieren om een maatschappelijk probleem op te lossen: ze geven kansarmen de gelegenheid om werkervaring op te doen en ze bieden mensen de mogelijkheid betrokken te blijven bij de samenleving.’

Sinds op 1 januari 2004 de Wet werk en bijstand (WWB) is ingevoerd, zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor het reïntegratiebeleid. Onder de nieuwe wet telt uitstroom naar een subsidiebaan niet meer als reïntegratie naar de arbeidsmarkt. Als gevolg daarvan bouwen gemeenten de gesubsidieerde arbeid af.
Het CNV heeft een verkenning uitgevoerd naar het reïntegratiebeleid onder de WWB. Daaruit blijkt dat ‘gemeenten nu voor hun eigen gewin gaan’. ‘Want als iemand snel reïntegreert, blijft er budget over en dat mag de gemeente zelf houden.’ Gemeenten zijn daardoor vooral gefocust op werkzoekenden die snel aan de slag kunnen en dat vermindert voor een grote groep mensen de kans op een baan. ‘Er zijn altijd veel voorbeelden van wat er mis gaat bij grote gemeentelijke operaties,’ zegt Paas. ‘En de Wet Werk en Bijstand is er vast één van. Maar ik hoor niet bij de criticasters die het bij voorbaat al afbranden. Dat is zó makkelijk.’
Als er dingen binnen de gemeente mis gaan, is het volgens Paas ook vaak een gevolg van te weinig geld dat de lokale overheid voor de beleidsuitvoering krijgt. ‘Vooral in recessietijd is het rijk goed in het afschuiven van verantwoordelijkheden naar de gemeenten, en dan gaat er sowieso vijf procent af omdat de gemeente efficiënter zou werken.’
Koesteren
Paas zegt ‘behoorlijk veel vertrouwen’ te hebben in gemeenten. ‘Neem de WMO. Ook bij deze wet is er veel argwaan naar gemeenten die weleens op zorg of welzijn kunnen gaan bezuinigen ten faveure van hun andere prioriteiten. Natuurlijk zal het nodige misgaan, want de WMO is een mega-operatie. Maar nú is het een schandaal dat iemand bediend kan worden door twintig hulpverlenende instellingen die langs elkaar heen werken. Zulke situaties vragen om regie. Dat is voor mij de essentie. Je moet de verantwoordelijkheden zo laag mogelijk houden.’

‘Het is erg in om negatief te zijn,’ vervolgt Paas. Hij doelt op één van de onderwijssystemen die met name de onderkant van de arbeidsmarkt bedienen – het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). Sinds het bestaan van dit onderwijstype met zijn hoge schooluitval en zijn grote percentage probleemleerlingen zijn de kritieken niet van de lucht geweest. Het vmbo zou maar weer snel afgeschaft moeten worden of, zoals de burgemeester Cohen vorige maand nog riep, danig op de schop moeten.In tegenstelling tot de vele criticasters vindt Paas dat ‘we het vmbo juist moeten koesteren’.

Vergeet niet dat zo’n zestig procent van de werknemers zijn baan heeft te danken aan een (v)mbo opleiding, stelt hij. ‘Daarnaast hebben de docenten gemiddeld de moeilijkste leerlingen en te weinig budget, Eenderde van de leerlingen heeft meer aandacht nodig, maar er is maar geld voor vijf procent. Vind je het gek dat er van alles uit de hand loopt?’
De oplossing? ‘Moet ik daar antwoord op geven?’ reageert Paas. ‘In deze tijd van financiële meevallers lijkt me dat duidelijk.’

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.