Blog: Je bent je eigen instrument

Toen ik in de jaren ’90 de opleiding MWD volgde hoorden we het al, vaak zelfs meerdere keren op een dag: je bent je eigen instrument. Maar wat is dat eigenlijk? Inmiddels leven we 20 jaar later, werk ik als docent Sociale Studies, en nog steeds hoor ik het zeggen, dus schijnbaar zit er een waarde in deze uitspraak.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
EPI-Maritza-Gerritsen.jpg

Vorige keer blogde Maritza over de kunst van contact maken >>

Of is het een hardnekkige dooddoener? Of is het simpelweg een feit waar we binnen het sociaal domein niet omheen kunnen? En wat in de huidige tijd nog veel meer waar is? Want vaste kaders vallen weg door alle veranderingen in de jeugdzorg en Wmo, dus op wie kunnen we als sociaal werkers nog bouwen, anders dan op onszelf en ons deskundige ‘eigen instrument’?

Professionaliteit

Ik weet dat het gevoel van ‘je eigen instrument zijn’ bij mij pas na jaren echt kwam. Fris van de opleiding was ik toch vooral bezig met het ‘goed doen’: met mijn technisch instrumentele professionaliteit. Pas na een aantal jaar kwam ik op ‘het goede doen op een manier die kenmerkend is voor mij als professional’. En ik denk dat het daar om draait. Dat je zo werkt, dat je in staat bent afstand van te nemen en te zien hoe jij als mens je professionaliteit toont. En als je op dat punt eenmaal bent, kun je ook niet meer zonder.

Eigen praktijk

Voor mij was hierin het starten van mijn eigen praktijk een belangrijk moment. Ineens werd ik niet meer geleefd door protocollen, leidinggevenden of een maximaal aantal gesprekken. Ontdekte een directieve kant in mijn manier van werken en kwam ook onzekerheid tegen. En toen ik een aantal jaar later in het HBO-onderwijs ging werken, bleef dat zo. Ondanks protocollen, budgetten en kaders, ben ik hier mijzelf als docent. Laatst nog in een les over hechtingsproblematiek.

Hechting

Als je zelf veilig gehecht bent, is het moeilijk voor te stellen waar een kind met hechtingsproblemen mee te maken krijgt. Eén van de kenmerken van hechtingsproblematiek is moeite met het ontwikkelen van een eigen identiteit. ‘Hoe merk je dat?’ was de vraag uit de groep. En dus vertel ik studenten over mijn pleegzoon Omid van tien. Hij heeft een hechtingsstoornis, is licht verstandelijk beperkt en woont op een woongroep. Hij heeft vanaf zijn zesde bij ons gewoond, maar is er nu om het weekend omdat wonen in de nabijheid van een gezin niet haalbaar bleek voor hem.

Identiteit

Hij ziet ons, binnen zijn mogelijkheden, wel als thuis. Ik vertelde dat Omid tegen onze oudste zei: ‘Je moet maar gaan slapen, oogjes toe, want morgen moet je weer vroeg uit de veren’. Oudste lag dubbel om deze uitspraak. Omid overstuur en boos. Ik vroeg hem wie dit wel eens tegen hem zegt en het bleek één van de oudere groepsleiders te zijn. Ik legde hem uit dat oudere mensen vaak dingen anders zeggen dan kinderen, andere woordjes gebruiken. ‘Maar mama, hoe moet ik dat nou weten, want ik heb geen eigen woordjes.’ Dat is dus wat er gebeurt als je een basis mist. Een kind bouwt zijn identiteit op drijfzand, kopieert zonder het interne kompas te hebben dat je leert wat passend is en wat niet.

Groepsopvoerder

Voor mijn student werd helder dat het als groepsopvoeder heel belangrijk is echt en eigen te zijn, maar ook bewust te zijn van het effect op het kind met een hechtingsstoornis. En ook dat het zeer doet, want ik ben ook open over het verdriet dat ik voelde toen Omid dit zei. Het gevoel dat dit nooit meer helemaal goed komt. Soms is het dus best heftig om je eigen instrument te zijn.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.