Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Bijzonder hoogleraar over ontwikkelingen in de kinderopvang: 'Regeling voor gastouders is ondermaats'

'Er is geen collectief beeld waar we met de kinderopvang naartoe willen,' vindt Janneke Plantenga, bijzonder hoogleraar sociaal-economische aspecten van de kinderopvang. De overheid wil een goede kinderopvang omdat het voor een hogere arbeidsparticipatie zorgt. Maar met de nieuwe Wet Basisvoorziening Kinderopvang krijgen de ouders de financiën in handen. Aan de hand van hùn behoefte bepalen ze wat er nodig is aan kinderopvang.

Terwijl de sector kinderopvang groeit als kool, zijn er
momenteel drie debatten gaande over de toekomst ervan. Een moreel debat, dat
zich voornamelijk afspeelt op keukentafelniveau. Ouders die zorg en arbeid
combineren, krijgen te horen dat ze niet alles moeten willen: én een aanzienlijk
aantal uren werken, én zorgen voor de kinderen. Ze moeten voortdurend hun keuze
verdedigen. Evenals moeders die er juist voor kiezen fulltime het moederschap op
zich te nemen. In het tweede debat ligt de nadruk op behoeften. Die discussie
gaat over de vraag wat ouders, die zorg en arbeid willen combineren, nodig
hebben om dat mogelijk te maken. En als derde is er een debat over
doelmatigheid. Een goed geregelde kinderopvang is nodig om voldoende personeel
te hebben en te houden op de arbeidsmarkt. Daarnaast verbetert het de
arbeidsparticipatie van vrouwen en het draagvlak voor de sociale zekerheid wordt
op peil gehouden. In de oratie die Janneke Plantenga op 29 januari uitsprak ter
gelegenheid van haar benoeming als bijzonder hoogleraar sociaal economische
aspecten van de kinderopvang aan de Rijksuniversiteit Groningen, probeerde zij
de verschillende visies in het debat rondom kinderopvang te ontrafelen. Wanneer
speelt welke visie een rol, en wat betekent dat voor de rol die de overheid zich
op het gebied van kinderopvang moet aanmeten? Plantenga is sinds september 2000
in functie als bijzonder hoogleraar sociaal economische aspecten van de
kinderopvang.



Is er een tegenstelling tussen moreel, behoefte en
doelmatigheid ten aanzien van de kinderopvang?
‘Nee, ze spelen
alledrie een rol. Maar verschillende partijen gaan uit van verschillende visies.
Mensen die zich op beleidsniveau met de kinderopvang bemoeien, houden zich
eigenlijk niet meer bezig met de vormgeving van de combinatie tussen zorg en
arbeid. Ze realiseren zich dat niet volstaan kan worden met pasklare antwoorden.
De overheid richt zich voornamelijk op de doelmatigheid, maar er wordt niet meer
van bovenaf verordonneerd hoeveel kindplaatsen er bij moeten komen. Met de Wet
Basisvoorziening Kinderopvang, (WBK) die in 2004 wordt ingevoerd, wordt een
systeem van vraagfinanciering geïntroduceerd. De overheid zegt feitelijk tegen
de ouders: hier is het geld, bepalen jullie maar wat er nodig is. De WBK legt
heel sterk de nadruk op de ouders als mondige consumenten. Je kunt je afvragen
of die er wel op zitten te wachten om betrokken te worden bij allerlei
organisatieperikelen. Ze willen gewoon een goede kinderopvang en verder geen
gezeur. Er is momenteel geen sluitend collectief beeld van waar we eigenlijk met
de kinderopvang naartoe willen. De overheid gaat uit van
doelmatigheidsargumenten. Maar hoe het geld wordt besteed, wordt overgelaten aan
de markt. Deze richt zich op de behoeften van de ouders.’



De commissie-Dagarrangementen vindt dat er kinderopvang moet
zijn van ’s morgens zeven tot ’s avonds zeven. Heeft dat niet uitsluitend te
maken met doelmatigheid?
‘Als je er vanuit gaat dat ouders
vanwege de kinderopvang zoveel mogelijk inzetbaar kunnen zijn voor de
arbeidsmarkt en dit tot in het extreme doortrekt, dan zou je 24-uurs opvang
moeten instellen. Dan heb je nergens meer last van. Maar dat botst zowel met de
morele overweging als met de behoefte. De meeste ouders die gebruik maken van
kinderopvang willen dat maar voor twee of drie dagen per week. Wanneer de
kinderopvanginstellingen van zeven uur ’s ochtends tot zeven uur ’s avonds
geopend zijn, betekent dat niet dat je daar ook al die uren gebruik van moet
maken. Je kunt je kind er ook van zeven uur ’s ochtends tot drie uur ’s middags
of van drie uur ’s middags tot zeven uur ’s avonds brengen. Nu lopen ouders vaak
tegen het probleem aan dat ze naar hun werk moeten, maar er is geen voorschoolse
opvang en de school begint pas om kwart voor negen. Ook is de tussenschoolse
opvang niet florissant geregeld. Daardoor moeten ouders vaak behalve financieel
ook qua tijd de eindjes aan elkaar knopen. Een kwart van de gezinnen maakt bij
kinderopvang gebruik van drie of meer schakels. Oma past bijvoorbeeld ’s morgens
op de kinderen, brengt ze ’s middags naar school, daarna gaan ze naar de
naschoolse opvang waar ze door de ouders weer worden opgehaald. Er wordt heel
wat afgeknutseld om de dagindeling de hele week sluitend te krijgen. Ruimere
openingstijden van kinderopvanginstellingen kunnen een uitkomst zijn voor zowel
de ouders als de werkgevers. Want voor ouders die zorg en arbeid combineren,
blijft de zorgverantwoordelijkheid toch de minst flexibele factor. Met je werk
kun je hier en daar nog wel schuiven, maar met de zorg voor je kind valt niet te
marchanderen.’



In uw oratie pleit u ervoor de informele kinderopvang ook te
financieren. Waarom?
‘Dat onderdeel van mijn oratie heeft veel
aandacht gekregen in de media, terwijl ik daar maar één alinea aan heb besteed.
Ik heb geen pleidooi gehouden voor bekostiging van alle informele kinderopvang.
Ik heb gezegd dat als de overheid met de WBK zo sterk hamert op de keuzevrijheid
van ouders, dat ik dan weleens argumenten wil horen waarom het hele informele
circuit daarbij buiten beschouwing blijft. Van het totaal aantal uren dat wordt
besteed aan kinderopvang bestaat zestig procent uit informele opvang. Dat wil
niet zeggen dat de problemen in de kinderopvang uit de wereld zijn wanneer oma
of buurvrouw een vergoeding krijgen als ze op de kinderen passen. Het informele
opvangcircuit is ook een groot goed. Dat hoef je niet gelijk helemaal te
monetariseren. De informele kinderopvangmarkt bestaat echter uit twee segmenten.
De opvang door oma, zus of buurvrouw is min of meer een ruilhandel. Je doet
dingen voor elkaar. Veelal gebeurt dat met gesloten beurzen of tegen een geringe
vergoeding. Daarnaast heb je de ouders die zelf een gastouder of oppas zoeken.
Daar wordt behoorlijk voor betaald. De uurprijzen van die informele markt zijn
vergelijkbaar met de formele kinderopvang. Voor welke vorm van kinderopvang
wordt gekozen, heeft te maken met waar je voor kiest en wat er mogelijk is. De
keuze om oma op je kind te laten passen, kan ook te maken hebben met de
overweging dat het goed is voor het kind om zijn grootmoeder veel te zien en het
feit dat er een persoonlijke band is tussen die twee. Die zaken spelen niet op
het andere deel van de informele markt. Je zoekt een gastouder omdat je
kinderopvang nodig hebt, omdat er geen plaats is in de reguliere kinderopvang,
omdat die te duur is of omdat de openings- en sluitingstijden niet aansluiten
bij de werktijden van de ouders. Tot nu toe heb ik geen goede argumenten gehoord
waarom die vorm van kinderopvang niet gefinancierd hoeft te worden, bijvoorbeeld
door een fiscale ondersteuningsmaatregel. In de nieuwe belastingwet is er een
combinatiekorting. Voor het eerst in de geschiedenis wordt zo rekening gehouden
met de kosten die ouders maken wanneer ze zorg en arbeid willen combineren. Maar
die regeling is wel heel bescheiden.’



U vindt dat werkgevers wettelijk verplicht moeten worden om mee
te betalen aan de kinderopvang van hun medewerkers. Waarom kan dat niet per cao
worden bepaald?
‘De WBK verplicht werkgevers niet bij te dragen
aan de kinderopvang. Als de werkgever geen cao heeft waarin kinderopvang is
opgenomen, kan dat de ouders veel geld gaan kosten. De overheid springt dan wel
bij, maar niet voor het volle pond. Ik vind het principieel onjuist om toegang
tot de kinderopvang te koppelen aan de aard van de arbeidsrelatie.’



Heeft u zelf kinderen?‘Ja, mijn dochter van
acht gaat drie dagen per week naar de buitenschoolse opvang, tot maximaal zes
uur. Ook daar valt niet mee te marchanderen. Als je te laat komt, krijg je een
gele kaart. De tweede keer een rode, en een boete van vijftig gulden. Iedere
volgende keer wordt ook financieel gesanctioneerd. Op die manier worden in ieder
geval niet alle treinvertragingen en uitgelopen vergaderingen op het bordje van
de leidsters neergelegd. Die hebben immers ook hun eigen schakels.’/Eric de
Kluis

Administrator

Gerelateerde tags

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden