Uitstroombeleid sociale werkvoorziening ligt onder vuur: De druk op mensen ‘met een vlekje’

Het is slecht gesteld met het uitstroombeleid van sociale werkplaatsen, concludeerde de Algemene Rekenkamer afgelopen december. Minder dan één procent van de werknemers vindt werk bij een echt bedrijf. Ongeveer zeven procent werkt volgens de methode begeleid werken. Ingewijden noemen een hogere uitstroom een illusie. Ondertussen werpt de bedrijfstak zich op reïntegratie van werkzoekenden.

Het roer moet om bij de Sociale Werkvoorziening.

Gehandicapten mogen er niet meer vanuit gaan dat ze hun hele leven bij de

Sociale Werkvoorziening onder de pannen blijven. Ze moeten doorstromen, en later

eventueel uitstromen naar ‘echt’ werk, bij een echte baas. Dat wil, tenminste,

de regering. Alleen: het is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Want veel van de

negentigduizend mensen die in Nederland bij een sociale werkplaats werken,

vinden het wel best. Het is er veilig, prettig, en veel minder eng dan in het

reguliere bedrijfsleven. Bovendien zien veel bedrijven in de Sociale

Werkvoorziening hun werkkrachten met pijn in hun hart hun vertrekken.

Eigenbelang

‘Oh, vindt de Rekenkamer de uitstroom veel te weinig,’ reageert

directeur Wim Reijs van Op/maat, de sociale werkvoorziening van Hoorn en

omstreken laconiek. Hij zegt gestopt te zijn alle rapporten te lezen die

‘ambtenaren vanachter hun bureaus bedenken’. ‘Meestal weten ze niet waar ze het

over hebben.’

Vorig jaar zijn bij zijn bedrijf twaalf van de zevenhonderd werknemers

uitgestroomd naar een echte baan. Meer zit er volgens Reijs gewoon niet in.

‘Werknemers hebben grote angst. Vaak hebben ze in hun verleden slechte

ervaringen met werken bij een echt bedrijf. Ze waren pispaaltje, buitenbeentje.

Ze voelden zich doodongelukkig. Ook al hebben ze in principe een goed niveau

voor uitstroom, je krijgt ze niet zover.’

Velen vallen Reijs bij. Zijn collega Burgemeester uit Middelburg,

directeur van het sw-bedrijf LetE, (Luctor et Emergo) praat over ambtenaren die

in een ‘schijnwerkelijkheid’ leven. ‘Ze zeggen dat wij uit eigenbelang onze

goede werknemers vasthouden. Dat is niet waar. Uit idealisme proberen we ze door

te laten stromen. Maar het lukt vaak niet’ En woordvoerder Van Berckel van de

VNG, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, zegt: ‘Het is illusie te denken

dat een grote uitstroom uit de Sociale Werkvoorziening haalbaar is. Kijk alleen

al naar de werkgevers. Die worden steeds zwaarder gestraft als hun werknemers in

de WAO belanden. Ze kijken wel uit om iemand in dienst te nemen waar iets aan

mankeert.’ Zelfs minister Vermeend van Sociale Zaken maant de Rekenkamer in

weerwoord op het rapport niet al te veel verwachtingen te hebben van

uitstroom.

‘Nou ja,’ relativeert directeur Leo Kooyman van het NOSW, de

koepelorganisatie van de Sociale Werkvoorzieningen in Nederland, vriendelijk.

‘Laten we het erop houden dat het rapport nogal eenzijdig is. Men zegt dat

bedrijven springen om personeel, zelfs om mensen met een handicap. De cijfers

bevestigen dit beeld helaas niet.’

Terugkerende druk

De Sociale Werkvoorziening is altijd een bijzondere bedrijfstak

geweest. Vrij uniek in de wereld. Lichamelijke- verstandelijk gehandicapten

zitten niet thuis, of leven in de marge van de maatschappij, maar vinden werk in

bedrijven die aangepast zijn aan hun beperkingen. Aan de geschiedenis van de

Sociale Werkvoorziening is goed af te lezen hoe in Nederland wordt gedacht over

de positie van mensen ‘met een vlekje’. Aan het eind van de jaren zestig, in de

periode van opbouw van de verzorgingsstaat, ging ook de wet op de Sociale

Werkvoorziening van start. Het maakte de regering niet uit hoeveel het kostte om

de gehandicapten werk te bezorgen. Ze waren zielig en moesten worden geholpen.

Of hun werk productief was, deed evenmin ter zake. Van gehandicapten kon je dat

immers niet verwachten. Als ze zelf maar het idee hadden ‘bezig’ te zijn. Het

rijk werd zuiniger toen in de jaren tachtig de economische crisis toesloeg. Men

had inmiddels ondervonden dat gehandicapten best iets konden. De rijksoverheid

vond dat de bedrijven van de sociale werkvoorziening meer moesten opereren als

echte bedrijven. Werknemers zich meer moesten gedragen als echte werknemers, en

de bedrijven moesten zich via vrije concurrentie begeven op de vrije markt. Dus

werden er echte directeuren aangetrokken, bedrijfsplannen gemaakt, en

productie-eisen gesteld aan het personeel. Vooral in gebieden met veel

werkloosheid stroomden vervolgens gewone werklozen toe. Die gezonde mensen,

immers, konden goed produceren, en zo het bedrijf opbouwen. De sector dijde

langzaam uit naar honderdduizend werknemers. De overheid pompte er per jaar

miljarden guldens in. Tot ook dat inzicht, ergens in de jaren negentig,

veranderde. Het ‘gewone’ bedrijfsleven begon moeite te krijgen met het vinden

van personeel. Beleidsmakers vonden dat in de sw-sector wel erg veel mensen

beschut en veilig werkten, terwijl ze ook bij een gewone baas aan de slag zouden

kunnen.

In 1998 werden de toelatingseisen voor de Sociale Werkvoorziening fors

aangescherpt. Voortaan werden alleen nog behoorlijk zwaar gehandicapten

toegelaten. Om de paar jaar wordt nu onderzocht of de werknemers nog steeds

thuishoren op de beschutte bedrijven. De werknemers van voor 1998 worden met

rust gelaten. Zij zullen langzaamaan vergrijzen, en uiteindelijk met pensioen

gaan. Maar de overheid probeert bij de ‘oude’ werknemers op basis van

vrijwilligheid de doorstroom wel degelijk aan te moedigen. Zo stemde de Tweede

Kamer kort geleden in met de invoering van een terugkeergarantie. Als mensen

eenmaal bij een echte baas werken, en het niet vol kunnen houden, mogen ze tot

drie jaar na vertrek weer terug naar de Sociale Werkvoorziening. Janke Smit van

de vakbond AbvaKabo snapt de druk niet die steeds wordt gelegd op het doorsturen

van sw-werknemers naar de reguliere arbeidsmarkt: ‘Laat de goeden doorstromen

naar bedrijven waar moeilijker werk wordt gedaan, maar houd ze wel in dienst

onder de paraplu van de sw. Dat biedt mensen veiligheid. Als ze meer geld

binnenbrengen bij hun sw-werkgever, kan die met dat geld weer werknemers met een

lager niveau scholen en door laten stromen naar beter werk. Veel mensen hebben

de bescherming van de Sociale Werkvoorziening eenvoudigweg nodig.’

Redmiddel

De paniek onder de bedrijven was, eind jaren negentig, groot toen ze

bemerkten dat ze de bakens opnieuw moesten verzetten. In feite weet niemand hoe

de toekomst er uit zal zien. Het type werknemers waarmee ze hun

productiebedrijven overeind moeten houden, zal de komende jaren sterk

veranderen. Directeur Reijs van Op/maat in Hoorn schat dat op het moment

ongeveer 29 procent van zijn werknemers verstandelijk gehandicapt is. ‘Over

twaalf jaar ligt dat percentage op zestig.’

Directeur Burgemeester van LetE in Middelburg ziet zijn oude

traditionele sw-bedrijf langzaam ‘instorten en afbrokkelen’. Zijn bedrijf

verdient goed aan de productie van bijvoorbeeld ANWB-verkeersborden. Maar er

zijn steeds minder werknemers van goed niveau die dit werk aankunnen. ‘We kunnen

ons in de toekomst richten op het inpakken van, bijvoorbeeld, snoep. Dat is

gemakkelijk werk. Maar je verdient er ook veel minder mee, terwijl de

afschrijvingskosten van onze dure machines gewoon moeten worden betaald.’ Dus

zoekt de sw-sector naar een nieuw redmiddel, waarmee ze geld kunnen verdienen.

Veel bedrijven menen dat gevonden te hebben in het reïntegratiewezen. Directeur

Kooyman van de koepelorganisatie NOSW, , is enthousiast. ‘Wij hebben immers

ervaring met het aan het werk krijgen van ‘moeilijke groepen’. Wij zijn daar

goed in.’ Veertig sw-bedrijven hebben zich aangesloten bij reïntegratieketen

Krew – het woord werk, maar dan omgekeerd. Dit jaar gaan ze voor het eerst de

markt op.

Directeur Burgemeester van LetE uit Middelburg heeft de omslag vorig

jaar al gemaakt. ‘We hebben toen negentig mensen met een moeilijk

arbeidsverleden weer aan het werk geholpen. Ik ben daar trots op.’ Burgemeester

heeft hoge verwachtingen van de omslag. ‘Onze core-business is nu reïntegratie.’

LetE beschikt inmiddels over vijftien HBO-geschoolde consulenten die in opdracht

van bedrijven of overheid werklozen begeleiden, mensen met een gesubsidieerde

baan, of werknemers die in de WAO terecht dreigen te komen. ‘We trainen ze,

geven scholing, of als het nodig is een tijdelijke werkervaringsplek. En die

plek kan zijn in onze eigen Sociale Werkvoorziening. Dat helpt ons ook de

productie op peil te houden’ Heel somber over de toekomst zijn de directeuren

niet. ‘De Sociale Werkvoorziening zal blijven bestaan,’ zegt Kooyman van de

NOSW. ‘Simpelweg omdat ze nodig is. Je krijgt meer verscheidenheid, maar ook de

ouderwetse beschutte werkplek voor werknemer met zware beperkingen zal nodig

blijven.’

Reijs van Op/maat in Hoorn vertelt naar ‘creatieve oplossingen’ te zoeken

voor werknemers met een goed niveau. ‘Stel: iemand is goed in automatisering,

maar wil koste wat kost bij de sociale werkvoorziening blijven werken. We zouden

samen een BV kunnen oprichten. Hij wordt voor vijftig procent aandeelhouder, wij

voor de andere helft, maar hij blijft bij de sw in dienst. Ik, als werkgever,

detacheer hem bij de BV. Hij kan onze automatisering doen, maar ook die van

andere organisaties die we goed kennen. Als we winst maken, kan de helft naar

Op/maat gaan, en de andere helft mag hij zelf houden. Zo kan die persoon werken

op zijn eigen niveau, krijgt hij eigenwaarde, maar loopt hij geen grote

risico’s. Als het fout gaat, staat hij nog steeds op de loonlijst van onze

Sociale Werkvoorziening. Zo biedt je mensen kans op ontplooiing, zonder dat je

ze hun veiligheid afneemt. Ik vind dat eigenlijk een hele goede aanpak. Beter

dan dat je mensen op de vrije markt gooit.’/Annet van

Eenennaam

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.