4 apr 2012

Blog / Opiniestuk

Welzijn Geen Stijl


In het gekrakeel over wat burgerkracht nu precies is, door wie het wordt gestimuleerd en door wie het wordt getorpedeerd, gaan kennelijk alle remmen los. Het heeft inmiddels meer van een antieke godsdienststrijd dan van poging om langs sociologische en/of historisch wetenschappelijke analyse dit modewoord handen en voeten te geven. Maar dat lukt niet zolang de adepten van dit containerbegrip er impliciete inhouden/betekenissen aan koppelen, die vertroebelend werken.
Welzijn Geen Stijl

Lees hier meer blogs van Daan Vosskühler >>

Burgerkracht wordt immers in vrijwel alle discussies gelinkt met falend welzijnswerk, professionals die bewoners zaken uit handen nemen en de burgerkracht angstvallig proberen in te dammen, uit angst zelf overbodig te worden. Kortom de professional als  grote rem op het ontwikkelpotentieel aan bewoners die in buurten en wijken klaar (zouden) staan om  de factor welzijn een nieuwe dimensie en inhoud te geven.   

Rond de term burgerkracht hebben we te maken met reïficatie: een door de mens bedacht begrip dat wordt aangezien als een vaststaand feit. De mens die gaat geloven in zijn eigen bedenksels.                                                                                                                                         Zo wordt burgerkracht een term die een eigen leven gaat leiden met een sterke gevoelsinhoud. Een term die uiteindelijk verwordt tot een onderbuikgevoelswoord.

Neem de tweet van Burgerkracht ideoloog: @nico_de_boer: 'Vraag ik aan workshop #congresawbz: wat belet burgerkracht? 1e antwoord: professionals, 2e: instellingen, 3e: regels. Erg eigenlijk.'
Ja, Nico heel erg, de discussie over de plaatsbepaling en functie van welzijn ‘nieuwe stijl’  is ontaard in een goedkoop je gelijk zoeken. En dat geldt evenzeer voor de opponenten van het duo van der Lans/ de Boer, die blindelings de werksoort verdedigen, maar geen oog hebben voor de intrinsieke zwakte van deze werksoort.

Voor ieder voorbeeld van een welzijnspraktijk die aanvoelt als een doodlopende straat, zijn er voorbeelden te geven van werk dat vitaal is en op handen wordt gedragen door minder zelfredzame bewoners. Zo ontstaat een padstelling, die leidt tot een verdere beschadiging van de werksoort. En dat is verwijtbaar aan theoretici die pretenderen de werkelijkheid van het welzijnswerk van voren naar achteren en van boven naar beneden te kennen en deze vervolgens enthousiast te vermarkten op  seminars en congressen.

De impasse laat zien hoe zwak het welzijnswerk is in het aantonen van haar werking.  Het is een discipline die in veel opzichten niet volwassen is geworden. Met veldwerkers die moeten laveren tussen de opgeschroefde eisen van gemeenten én de belangen van hun instelling.  Met management dat veelal de feeling met de werkvloer kwijt is, een geheel eigen organisatielogica hanteert, en om de haverklap met nieuwe methodische werkwijzen komen, die even laten weer vervangen worden, omdat ze  niet renderen.

Geen wonder dat de veldwerkers die ik spreek zich momenteel verraden voelen door hun eigen instelling en zich bezorgd afvragen wat er boven hun hoofden besloten wordt. Ook hier zijn er echter voorbeelden te  noemen van instellingen  die zich ferm en met feitenmateriaal  teweer stellen tegen de poging het welzijnswerk tussen nu en 2015 geheel te elimineren. 

Wat de welzijnsdiscussie tenslotte nog kwetsbaarder maakt , zijn de coalities die worden gesmeed tussen landelijke instellingen, digitale discussiegroepen, bewegingen, en organisaties die staan te popelen om de vitale delen van het welzijnswerk over te nemen. Uiteraard met de pretentie het  beter te kunnen, omdat zij wel weten wat de burger nodig heeft!  Zij beschikken immers wel over de de juiste methodiek !  Wie een kuil graaft voor de ander…

Bij bestudering van dit fenomeen, valt het op dat het al te vaak professionals  betreft die al jaren hun aversie tegen de welzijnssector kenbaar maken , als doorzichtig onderdeel van een eigen alternatieve welzijnsbedrijfsvoering.  En zo dreigt de discussie over Welzijn Nieuwe stijl  te verworden tot Welzijn Geen Stijl.

Daan Vosskühler (1948) werkt als projectleider voor Stichting BottomUp Onderzoek en Advies. Hij houdt zich al meer dan 30 jaar als onderzoeker bezig met de vraag hoe welzijnswerk een vitale en patroondoorbrekende werksoort kan zijn in een land waar onderwijs, welzijn, veiligheid en bestuur hardnekkig categoraal blijven denken en werken.

door Daan Vosskühler 4 apr 2012 laatste update:19 apr 2012