Socioloog Gerrit Kronjee over integratie van migrantengezinnen: ‘Gebrek aan controle is typisch Nederlandse kwaal’

Onlangs presenteerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) zijn rapport over de positie van het gros van de migranten - partners of andere familieleden die naar Nederland komen. De raad vindt dat de overheid de regels voor de inburgering of het terugsturen van deze immigranten slecht naleeft. Socioloog Gerrit Kronjee: 'Hun positie kun je alleen verbeteren door consequent te zijn.'

Lange tijd werd er weinig gediscussieerd over allochtone gezinsvormers

(mensen die bij hun partner in Nederland gaan wonen) of gezinsherenigers

(familieleden die ook naar Nederland komen). Vreemd, want het gaat toch om een

groot deel van de immigranten.

Inmiddels heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

(WRR) onderzoek gedaan naar onder meer de oorzaken en gevolgen van deze

zogeheten volgmigratie. Over het rapport ‘Nederland als immigratiesamenleving’,

dat de projectgroep ‘De multiculturele samenleving’ van de WRR aan de Tweede

Kamer presenteerde, is een flinke discussie ontbrand. De VVD en het CDA willen

dat partners van Marokkaanse en Turkse immigranten eerst de Nederlandse taal

leren voordat ze hier komen. Of er moeten hogere eisen gesteld worden aan het

inkomen van de in Nederland wonende partner.

Ook minister Roger van Boxtel wil dat de mogelijkheden van gezinshereniging

voor migranten met een tijdelijke verblijfsvergunning moeten worden ingeperkt.

Gezinsvorming moet voor deze groep onmogelijk worden gemaakt. Zijn voorstel

lijkt verder te gaan dan het advies van de WRR. Deze wil het recht op

gezinshereniging alleen schrappen voor migranten die als groep een tijdelijke

verblijfsstatus hebben gekregen en binnen afzienbare tijd weer terugkeren naar

het land van herkomst. Daarnaast wil het adviesorgaan van de regering een

zinvollere integratie. ‘Toen we twee jaar geleden met het rapport begonnen,’

zegt Gerrit Kronjee, sociaal wetenschapper bij de WRR en lid van de projectgroep

die het rapport schreef, ‘onderzochten we in eerste instantie vooral de situatie

van arbeidsmigranten en asielzoekers. Uit onderzoek van het CBS bleek de

immigratie voor 39 procent te bestaan uit gezinsvorming en gezinshereniging. Dit

was opvallend en onverwacht veel. We zijn ons toen ook specifiek op deze groep

gaan richten.’

De overheid handhaaft volgens u de immigratieregels niet strikt

genoeg. Hoe moeten we volgens u omgaan met de integratie van

volgmigranten?
‘In eerste instantie moet je consequent zijn.

Voor mensen die hier tijdelijk verblijven en snel weer naar het land van

herkomst zullen terugkeren, heeft het geen zin om de familie over te laten

komen. Maar familieleden die hier wel mogen blijven, moeten als volwaardig

burger meetellen. Met alle rechten en plichten die daarbij horen. Het

belangrijkste is het leren van de Nederlandse taal. Dit kun je bij uitstek leren

via het werk. Dat was vroeger ook al zo: veel bedrijven gaven taaltrainingen.

Met de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN) heeft de overheid die

verantwoordelijkheid op zich genomen. De WIN is naar mijn idee ook niet helemaal

geslaagd. Mensen komen er gemakkelijk onderuit. Toch moeten we het doen met de

regels die we hebben. Mensen moeten de inburgeringcursus volgen en afmaken. Zo

niet? Dan volgen er sancties.

‘Nederland heeft altijd een doelgroepenbeleid gevoerd. Maar dat is niet

zinvol, want ook binnen de verschillende groepen is de diversiteit groot. Het

beleid moet daarom steeds meer gericht zijn op het individu en zelfstandigheid.

De centrale overheid moet alleen een pakket vaardigheden aan immigranten

meegeven en verder moeten ze het zelf doen. Om het ontstaan van etnische

eilandjes te voorkomen, is het ook belangrijk dat mensen elkaar ontmoeten. Hier

ligt vooral een taak voor de gemeenten. Dat kan wel het gevolg hebben dat

verschillen duidelijker zichtbaar worden. In een immigratiesamenleving moet je

wennen aan botsingen. Dat is beter dan het toedekken van tegenstellingen die

uiteindelijk toch zichtbaar zullen worden. Er wordt nu al veel gedaan aan die

ontmoeting, maar er wordt nog te weinig resultaatgericht gewerkt. Het is niet

voldoende dat er geld uitgegeven wordt zonder dat steeds onderzocht wordt of de

goede weg wordt bewandeld. Dit gebrek aan controle is een typisch Nederlandse

kwaal. De samenleving wordt steeds zakelijker en strenger. Dus ook regels moeten

consequenter worden nageleefd.’

De moeizame integratie van volgmigranten zou veel te maken

hebben met het samenleven van verschillende generaties. Hoe zit

dat?
‘De eerste generatie is laag opgeleid en komt daardoor ook

in de sociaal-economisch lagere klasse terecht. Als leden van de eerste of

tweede generatie weer een partner uit het land van herkomst kiezen, blijft er

een achterstand bestaan. Blijkbaar is de gezinssituatie waarbinnen diverse

generaties leven erg bepalend bij de moeizame integratie. Dit geldt ook voor

gezinshereniging. Vooral Turken en Marokkanen zijn vóór etnische homogamie,

trouwen met iemand van dezelfde culturele achtergrond. Vooral bij meisjes is dat

zo. Als ze hier geen partner kunnen vinden met dezelfde achtergrond, dan zoeken

ze een bekende uit het geboorteland of familie.’

Komt dit door de traditie die in deze culturen zo belangrijk

is?
‘Je moet je hierbij niet blind staren op de traditie. Er

geldt in het moederland van de migranten wel een heel andere familiaire

structuur. Je mag bijvoorbeeld geen carrière maken als je op de weg naar boven

je familie niet meeneemt. Dit is te verklaren uit de sociale structuur. De

directe omgeving is heel beschermend. Men moet elkaar helpen, omdat er geen

nationale zekerheid is. In onze sociale rechtsstaat is de hulpverlening er zo op

gericht, dat je je altijd wel zelf kunt redden. Je hebt daar in principe geen

ander mensen voor nodig.

‘Bij de tweede generatie allochtonen gaat het steeds beter wat betreft

het onderwijs, vooral met de meisjes. Maar veel mensen hebben juist moeite met

het feit dat ze tussen twee tradities in staan. Daar komt nog bij dat de tweede

generatie vaak zelf een maatschappelijke positie moet verwerven. De ouders van

allochtone jongeren weten vaak niet wat het betekent jong te zijn in Nederland.

De problemen die daaruit kunnen voorvloeien kun je bijvoorbeeld zien aan het

relatief hoge aantal zelfmoorden bij Turkse en Marokkaanse meisjes tussen de 15

en 19 jaar en bendevorming bij sommige jongens.’

Hebben ouders ook een rol in de gezinsvorming van hun

kinderen?
‘Uit sociologisch onderzoek blijkt dat ouders

uiteindelijk toch een belangrijke rol spelen bij de partnerkeuze. Het is

belangrijk dat ouders een gunstig beeld hebben van de omgeving waarin hun

kinderen leeftijdsgenoten ontmoeten. Als allochtone ouders het idee hebben dat

de schoolomgeving niet veilig is, dan zullen zij bijvoorbeeld ook niet achter

een gemengd huwelijk staan. Veel meisjes geven aan dat ze wel een partner in

Nederland willen zoeken, maar dat ze niet zouden weten hoe. Ze mogen vaak niet

naar feestjes, omdat de ouders het niet vertrouwen. Veel ouders hebben het idee

dat in Nederland maar alles kan en mag. Ze zouden daarom uitgelegd moeten

krijgen dat we hier een geordende samenleving hebben. Nu we meer een

immigratiesamenleving worden, moet je helder zijn voor de mensen die hier naar

toe komen. Hoe spreek je elkaar hier aan, wat wordt van je verwacht, welke

regels gelden er. Goede communicatie is daarom erg belangrijk.’/Ester

Mijnheer

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.