Intensieve pedagogische thuishulp worstelt met veelheid van methodes: ‘Variaties maken hulpverlening ondoorzichtig’

Zoveel problemen, zoveel methoden. Dit lijkt voor de intensieve pedagogische thuishulp op te gaan. Het 'vraaggericht werken' heeft geleid tot wildgroei, maar niet tot meer duidelijkheid in de hulpverlening aan gezinnen. De hulpverlener past zijn methode aan de vraag van het gezin aan. Op een landelijk congres hierover van eind oktober zijn 56 verschillende methoden geteld. Kan het ietsje minder zijn?

Zoontje Kevin – tweeëneenhalf jaar – deed waar híj zin

in had. Yvonne – 22 jaar en alleenstaande moeder – zat depressief op de bank,

het huis was een zootje en ze zat diep in de schulden. Yvonne kwam er niet meer

uit. Ze wilde haar zoontje dolgraag goed opvoeden. Maar ze was niet bij machte

controle te houden over het kind en over haar eigen leven. Ze herkende de

situatie heel goed van toen ze zelf acht jaar oud was en het huishouden moest

runnen voor haar manisch depressieve moeder. Op haar tiende werden Yvonne en

haar broertje en zusje uit huis geplaatst. Ze kwamen in een tehuis terecht.

De situatie bij Yvonne thuis werd onhoudbaar; ze kon niet meer voor haar

zoontje zorgen. Een vriendin belde bureau Jeugdzorg. Uithuisplaatsing van Kevin

dreigde. Na een gesprek kreeg Yvonne dagelijks intensieve pedagogische thuishulp

via Families First (FF). ‘We begonnen met een heel direct en duidelijk gesprek:

wat wil ik, welke doelen stel ik? De vragen die de gezinsmedewerker stelde,

waren heel erg naar míj toe gericht. Na vier weken begeleiding had ik echt het

gevoel: ik heb ’t zelf gedaan.’

De eerste stap was het huis uitmesten. Vervolgens moest Yvonne een dagritme

aanhouden én vasthouden. ‘Dat is het moeilijkst, ook nu nog.’ Yvonne ging met de

hulpverlener om de tafel zitten om regels te bespreken om Kevin op te voeden.

‘Omdat ik vroeger thuis zelf zo veel heb meegemaakt, deed ik alles wat Kevin

wilde.’ Samen maakten Yvonne en FF-medewerker Tinka een dagprogramma, waarin

heel specifiek de aandacht voor Kevin werd ingepland. En ze maakten regels om de

Kevins driftbuien en het naar bed gaan te hanteren. Na vier weken stopte de

Families First-begeleiding.

Couleur locale

Families First is één van de 56 verschillende methodieken die de intensieve

pedagogische thuishulp (ipt) telt, en wellicht nog de meest vastomlijnde

methode. Het is een bij uitstek vraaggerichte methodiek voor acute

crisissituaties in een gezin, wanneer een of meer kinderen uit huis geplaatst

dreigen te worden. De methode werd tien jaar geleden uit Amerika naar Nederland

gehaald en is in aangepaste vorm in heel Nederland ingevoerd.

Een beeld van creativiteit, energie en daadkracht, zo omschrijven de

onderzoekers van Collegio, kennispraktijk voor de jeugdzorg, de inventarisatie

die zij vorig jaar maakten van de talloze variaties in methoden die bestaan in

de ipt. Maar de conclusie die zij trekken is toch een andere: zou het niet beter

zijn de varianten in te dikken en een kwaliteitssysteem te koppelen aan de

methoden die overblijven? Want dat is een probleem: lang niet alle methoden zijn

door onderzoek bewezen effectief te zijn – ofwel: evidence-based.

De meeste zijn in de praktijk ontstaan. Methodes worden bedacht bij

specifieke doelgroepen en specifieke problemen. Nuttig? ‘Het moet er niet toe

leiden dat iedereen opnieuw het wiel uitvindt,’ meent Marianne Berger van het

centrum Jeugd van het NIZW, ‘en daar hebben we in Nederland wel de neiging toe.

Hulp bieden ín het gezin is relatief nieuw. Ruim tien jaar geleden werden

kinderen uit probleemgezinnen voornamelijk in tehuizen geplaatst. Dan is het

logisch dat zich veel methoden zich in de praktijk ontwikkelen. Er komen ook

heel goede dingen uit voort.’ Dat onderstreept ook Jo Deleersnijder, directeur

van de Gelderse Stichting voor Jeugdzorg GSJ Lindenhout. ‘Er zijn geen 56

methodieken nodig, maar het blijft noodzakelijk dat hulpverleners de ruimte

kunnen nemen een eigen inbreng te hebben in de aanpak die ze hanteren. Omdat zij

de hulpverlening passend moeten kunnen maken op de situatie in het gezin.’

Elke provincie en jeugdorganisatie kan zelf bepalen welke werkwijze zij

hanteren. ‘Deels heeft de enorme variëteit in methoden ook te maken met de

“couleur locale”. Ze sluiten ook aan bij eigen initiatieven en mogelijkheden van

hulpverleningsorganisaties,’ erkent Marianne Berger van het NIZW. De vraag is

dan hoe je weet of een methode die wordt gebruikt ook goed is. ‘Dat weet je

niet,’ volgens Berger, ‘tenzij je het onderzoekt.’

Jo Deleersnijder geeft nog een reden voor het ‘indikken’ van methodieken:

hulpverleners kunnen beter met elkaar communiceren over eenzelfde methode, want

dan spreekt men dezelfde taal. Dat kan ertoe leiden dat methoden ook beter

verder ontwikkeld kunnen worden.

Ondoorzichtig

Jolien van der Graaff werkt als video home trainer in Rotterdam in een

basisteam, waarin hulpverleners vanuit verschillende andere disciplines –

Families First en intensieve gezinsbegeleiding – met elkaar samenwerken.

Multimethodisch werken, heet dat. ‘Kom ik ergens in het gezin niet uit, dan

breng ik dat in het team. Collega’s komen vanuit hun discipline met ideeën hoe

ik dat kan oplossen. De essentie is de vraag van het gezin. Als dat betekent dat

je buiten je eigen grenzen moet kijken, dan doe ik dat. Ik zeg niet hoe een

ouder zijn problemen op moet lossen. Dat werkt niet. Je moet uitgaan van de

kracht van het gezin, datgene waar zij goed in zijn. Daar steek je op in. Dat is

veel meer motiverend dan te wijzen op alles wat er fout gaat.’

Als je uitgaat van wat de cliënt wil, dan is de methode die je gebruikt,

welke dan ook, de juiste, vindt Van der Graaff. ‘Je moet blijven zoeken naar

verschillende technieken die je het gezin kunt aanreiken. Anders zou ik mezelf

beperken: je signaleert dan alleen de dingen in het gezin die aansluiten bij die

ene methode waarmee je werkt.’ Volgens Van der Graaff betekent deze werkwijze

niet dat de hulpverlener, evenals de cliënt, door de bomen het bos niet meer

ziet: ‘We werken vanuit de kracht van het gezin en met de doelen die het gezin

heeft. Van daaruit ga je zoeken wat er nodig is. In het basisteam wisselen we

technieken uit.’

Het probleem van veel gebruikte methoden is dat niet onderzocht is hoe

effectief ze zijn: er zijn geen percentages bekend van succes. Collegio pleit

daarom voor een landelijk gedragen innovatieproject dat ook de kwaliteit van de

gebruikte methoden onderzoekt. Eén van de methoden is dus Families First.

Volgens gezinsmedewerker Tinka Kreuze van Families First in Leiden is het

slagingspercentage na een jaar 75 procent, dat wil zeggen in drie kwart van de

gevallen wonen de kinderen een jaar na de crisis nog steeds thuis.

Families First duurt maximaal vier weken en is sterk gericht op de vraag

van het gezin. Een groot voordeel volgens Kreuze is, dat het een erg

vastomlijnde methodiek is. ‘Ik weet precies wat ik ga doen en geef een

duidelijke lijn aan in wat ik kan doen. Dat is helder voor het gezin.’ Waarom is

zo’n succesformule niet de enige methodiek voor crisisinterventie? ‘Omdat het

niet voor alle gezinnen van toepassing is. Bijvoorbeeld niet als ouders hun kind

uit huis willen hebben of als de veiligheid van het kind in het geding is.’

Maar zelfs een methodiek als Families First staat onder druk. ‘Op de

jaarlijkse Families First-dag bleek dat verschillende teams uit verschillende

regio’s de methode aanpassen aan hun eigen situatie,’ weet Tinka Kreuze te

vertellen. ‘Zo maak je de hulpverlening erg ondoorzichtig maakt. Daar staat

tegenover dat je de aanpak goed aan het gezin kan aanpassen als je varianten en

aanvullingen gebruikt. Maar je moet wildgroei voorkomen, door regels vast te

leggen: “dìt is FF en niet anders”. Voor cliënten moet duidelijk zijn wat er

gaat gebeuren in de hulpverlening. Waarom zouden ze niet zelf mogen kiezen uit

verschillende methoden? Maak maar een lijstje, geef er uitleg bij en laat de

cliënt beslissen welke hulp hij of zij wil.’

Yvonne staat na de Families First crisisinterventie inmiddels op de

wachtlijst voor ambulante intensieve gezinsbegeleiding. ‘Hulpverleners van

Bureau Jeugdzorg letten nu een beetje op of het goed gaat,’ vertelt ze. ‘Ze

bellen wekelijks. Ik moet zelf aangeven of ik langs moet komen. Ja hoor, ik weet

precies wanneer dat nodig is.’ Yvonne vindt het jammer dat de hulpverlening van

Families First abrupt stopt, in plaats van dat het wordt afgebouwd. ‘Je wordt nu

toch in het diepe gegooid. Die structuur in de dag houden, dat blijft best

moeilijk. Maar ik doe het voor Kevin, anders wordt hij net als ik.’

Om reden van privacy zijn de namen van Yvonne en Kevin

gefingeerd/Carolien Stam

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.