Hoogleraar psychiatrische epidemiologie Jim van Os over oorzaken schizofrenie: ‘Sociaal kapitaal in wijk bepaalt de kwaliteit van leven’

Landelijk onderzoek geeft aan dat bijna twintig procent van de Nederlanders wel eens een psychotische ervaring heeft gehad. Bepaalde wijken vormen volgens Jim van Os, psychiater en epidemioloog, een verhoogd risico op deze stoornissen. ‘Een buurt waar mensen geen vertrouwen in elkaar hebben, maakt ongelukkig.’

Hoewel ‘slechts’ een half procent van de Nederlanders

aan schizofrenie lijdt, zorgt de aandoening voor eenderde van de bezetting van

psychiatrische instellingen. Deze ernstige psychotische stoornis manifesteert

zich al op jonge leeftijd en uit zich vaak in waanvoorstellingen en

hallucinaties: het zien van beelden en het horen van stemmen die er niet zijn.

Ook is er sprake van gedrags- en spraakstoornissen, gevoelloosheid en

onverschilligheid. Lange tijd werd aangenomen dat een psychotische stoornis

slechts in één ernstige vorm voor kwam. ‘Je was gek, of je was het niet,’ zegt

Jim van Os, hoogleraar psychiatrische epidemiologie in Maastricht. ‘Tegenwoordig

gaan we er van uit dat psychotische stoornissen in lichte en zware vormen

voorkomen. En we kunnen nu zeggen: deze gekte hebben we allemaal. Dat verkleint

het stigma.’

Nu men er van uit gaat dat er verschillende vormen van de stoornis zijn,

kan er ook meer onderzoek naar worden gedaan. Uit het Nemesis-onderzoek van het

ministerie van Volksgezondheid naar de geestelijke gesteldheid van de bevolking,

blijkt dat 17,5 procent van de Nederlanders wel eens een psychotische ervaring

heeft gehad. Volgens Van Os is dat geen cijfer om je druk over te maken. ‘Het

geeft alleen maar aan dat veel mensen wel eens last hebben van paranoïde

denkbeelden als waanideeën of hallucinaties. Veel mensen hebben wel eens stemmen

in het hoofd of denken bijvoorbeeld dat een interview van de president in een

krant een geheime boodschap voor hen bevat. Het wordt pas een probleem als de

persoon er echt last van heeft. Artsen zagen het altijd heel zwart-wit: het feit

dat iemand een ziekte heeft geeft de noodzaak tot behandelen aan. Maar het gaat

om de zorgbehoefte. Als iemand er echt last van heeft, of de omgeving van die

persoon, dan pas moet je gaan behandelen.’

Populatiedichtheid

Nu de stoornis beter is gedefinieerd, kunnen onderzoekers zich meer

gaan richten op de oorzaken. Uit onderzoek is al gebleken dat bepaalde

risicogenen de kans op psychotische stoornissen kunnen vergroten. Van Os heeft

onderzocht dat vrouwen die zwanger waren tijdens de Duitse invasie in mei 1940,

vaker dan gemiddeld een kind kregen dat later schizofreen werd. Stress zou hier

een oorzaak van zijn. Volgens hem zijn de genen slechts bij een klein deel van

de mensen met schizofrenie de enige oorzaak. Vaak gaat het om een combinatie van

factoren. De omgeving kan van grote invloed zijn. Het is al jaren bekend dat het

wonen in een stad gevolgen heeft voor de gezondheid. Met een aantal andere

onderzoekers heeft Van Os steden in Nederland met elkaar vergeleken om de

invloed van de stedelijke omgeving op schizofrenie aan te tonen. Uit dit

onderzoek blijkt dat mensen in steden met meer dan honderdduizend inwoners twee

tot drie keer meer kans hebben op schizofrenie en mildere vormen van

psychotische stoornissen, dan in rustigere delen van Nederland. In Amsterdam is

het risico zelfs drie tot vier keer zo groot.

Van Os: ‘Dat is nu een keihard epidemiologisch gegeven. Hoe groter de

populatiedichtheid, des te vaker psychotische stoornissen voorkomen. Men zegt

wel eens dat het te maken heeft met het soort mensen dat naar de stad trekt.

Maar uit onderzoek blijkt dat mensen die geboren zijn in de stad, waarvan de

ouders nooit psychische problemen hebben gehad, ook vatbaar zijn voor de

stoornis. Wat is het dan in die steden, dat er voor zorgt dat er zoveel meer

problemen zijn? Om hierachter te komen wilden we stadswijken vergelijken.’

Sociaal kapitaal

Van Os heeft onderzoek gedaan in verschillende stadswijken van

Maastricht. Deze stad heeft een open casusregister, zodat per buurt bekeken kon

worden hoe vaak en met welke psychische problemen mensen in aanraking komen met

de hulpverlening. De stad werd ingedeeld in 36 buurten, naar de hoogte van de

werkloosheid, de hoeveelheid verhuizingen per jaar, het aantal niet-stemmers en

het aantal eenoudergezinnen en migranten. De informatie over de buurten is

gekoppeld aan het casusregister. Hieruit bleek dat inwoners van bepaalde wijken

meer risico lopen op schizofrenie dan inwoners in andere buurten.

Van Os: ‘Risicowijken zijn buurten waar veel eenoudergezinnen wonen,

een hoge werkloosheid is en waar sprake is van een lage opkomst bij de

verkiezingen. Maar anders dan je zou denken heeft het niet te maken met arm of

rijk. Het verhoogde risico treft daar iedereen. Om dat gegeven te verklaren zijn

we gaan kijken naar het zogenaamde sociaal kapitaal in deze wijken, naar het

milieu dat mensen om zich heen creëren. Het gaat om de mate waarin mensen bereid

zijn elkaar te helpen, of ze vertrouwen hebben in hun buurt en of ze willen

samenwerken aan een hoger, maatschappelijk doel. Kortom: of mensen gelukkig zijn

in hun wijk. Een slechte gemeenschapszin, geen sociaal kapitaal, maakt mensen

vatbaar voor psychoses. Niet alleen schizofrenie en mildere vormen van psychoses

komen in deze wijken vaker voor, maar ook jongeren hebben hier bijvoorbeeld meer

problemen, er is meer criminaliteit en er zijn meer hart- en vaatziekten.’

In het kader van het Grote stedenbeleid hebben Van Os en collega’s een

nieuw onderzoek gedaan naar de invloed van sociaal kapitaal op kinderen.

‘Binnenkort presenteren wij de onderzoeksresultaten. Ik kan al wel zeggen dat de

relatie tussen kwaliteit van leven bij kinderen en sociaal kapitaal is

aangetoond. We hopen nu dat we de financiering rond krijgen voor verder

onderzoek naar de ontwikkeling van deze kinderen.’

De invloed van sociaal kapitaal op wijkbewoners werd als eerste

bestudeerd door onderzoekers in Chicago. Met hen zijn de Nederlandse

onderzoekers een samenwerking aangegaan. De overeenkomsten tussen de grote

Amerikaanse stad en Maastricht waren volgens Van Os verbluffend. ‘Daar vond men

in dezelfde soort buurten dezelfde problemen. Ook rijkere mensen in de

risicobuurten hadden daar dezelfde problemen. De anonimiteit is er groot.

Gelukkig slagen sommige beleidsmakers er tegenwoordig al steeds vaker in om

wijken beter in te delen, zodat mensen sneller contact krijgen.’

Wijkcultuur

Van Os vindt dat gemeenten hun onderzoek in wijken op andere punten

moeten richten. ‘Gemeenten verzamelen alleen gegevens over welke mensen er

wonen, wat voor werk ze doen et cetera. Daar passen ze dan het welzijnswerk op

af. Maar niemand vraagt zich af hoe de mensen zich voelen in hun wijk. Zijn ze

wel gelukkig? Maar om echt te kunnen helpen in een wijk moet je weten wat er

leeft. Je kunt je oordeel niet baseren op de grootte van de huizen die in een

buurt staan.’

Van Os vindt dat welzijnswerkers, net als artsen en psychiaters, in

termen van groepen moeten leren denken. ‘Om het sociaal kapitaal in wijk te

veranderen, is het erg belangrijk om naar de cultuur te kijken. In de ene wijk

voelen mensen zich veiliger met meer politie op straat, terwijl bewoners in de

ander wijk dit juist als bedreigend kunnen ervaren. Daarom moet je voor elke

buurt afzonderlijk bekijken wat er nodig is. Dat zit hem vaak in heel kleine

dingen. Om te zorgen dat mensen minder anoniem zijn en meer samenwerken, kun je

voorstellen om bijvoorbeeld de buurt gezamenlijk op te knappen of ruimte creëren

voor een parkje zodat men elkaar sneller treft. Maar ook het bemiddelen in

burenruzies kan de sfeer behoorlijk verbeteren. Ik verwacht dat bij het

vergroten van het sociaal kapitaal in wijken, de criminaliteit zal afnemen en de

gezondheid en geestelijke gesteldheid van bewoners verbetert.’/Ester

Mijnheer

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.