De omstandigheden van mensen die te maken hebben met een levenslange beperking kunnen wel verbeteren, maar de problemen blijven, die zijn niet op te lossen. Veel van deze mensen redden zich behoorlijk zelfstandig in het dagelijks leven. Maar life-events of andere veranderingen in het normale leven kunnen het fragiele evenwicht verstoren.
Dan is het nodig dat er snel ondersteuning is, om erger te voorkomen. Bijvoorbeeld als iemand met autisme gaat verhuizen, als iemand met een licht verstandelijke beperking betalingsachterstanden krijgt of als een werknemer met een fysieke beperking geen contractverlenging krijgt. Movisie destilleerde vijftien werkzame elementen om deze langdurige en levensbrede ondersteuning te organiseren. Onderzoeker Silke van Arum van Movisie en cliëntondersteuner Iris Lindner van inZet, de organisatie voor alle Zoetermeerders met een hulpvraag, selecteerden er zeven voor het sociaal werk.
1. Nieuwsgierige basishouding
Volgens Van Arum en Lindner is een basishouding van goed luisteren en aansluiten bij wat belangrijk is voor de ander een must. Van Arum: ‘Ben je voldoende geïnteresseerd in wat niet-aangeboren hersenletsel allemaal teweeg brengt bij iemand die het overkomt? Vraag je voldoende door om inzicht te krijgen in of iemand zichzelf al voldoende kent in de nieuwe situatie, zodat je op kunt merken of er misschien sprake is van zelfoverschatting? Betrek je de naasten erbij, zodat je niet alleen voor de hulpvrager maar eventueel ook voor de mantelzorger passende ondersteuning kunt organiseren?’
Lindner herkent deze nieuwsgierige houding. Haar specialisme is de begeleiding van mensen met autisme. Deze mensen zijn over het algemeen erg autonoom en als iets niet passend is, dan lopen ze vast. De veranderwens van de ander is daarom altijd het uitgangspunt in haar manier van werken. ‘Als professional moet ik vooral niet denken dat ik de oplossing aan kan dragen. Laatst werkte ik met iemand die vrijwilligerswerk wil gaan doen, maar er nog niet toekomt. Mijn vraag is dan wat een goede eerste stap zou kunnen zijn, in plaats van dat ik voorstel ‘gewoon’ een keer naar binnen te stappen. Misschien is dat al veel te groot en bedenkt de ander dat een keertje langs fietsen een goed idee is.’
2. Snel praktische hulp regelen
Levensbrede ondersteuning betekent dat de begeleiding op veel vlakken nodig is. Bij Lindner komt een breed scala aan issues langs. Denk aan inkomensvragen en geldzorgen, ruzie met ouders of vragen over het aangaan van een liefdesrelatie. Samen met de cliënt steekt ze de ondersteuning zo praktisch mogelijk in. ‘Als iemand geldzorgen heeft, dan bekijken we samen: heeft iemand wel of geen werk? Is een bijstandsuitkering aanvragen logisch of zou iemand in aanmerking komen voor Wajong? Of, als iemand het spannend vindt om een meisje dat hij leuk vindt te benaderen, dan maken we samen een plan. We bespreken het voor en na. Dat kan dus betekenen dat ik iemand twee keer vrij kort achter elkaar spreek en daarna weer maanden niet.’
3. Onzekerheid is belastend
Bij langdurige ondersteuning horen langlopende indicaties, en dat is in eerste instantie een zaak van de gemeente, stelt Van Arum. Het is belastend als iemand elk jaar opnieuw uit moet leggen wat er speelt en het is stressvol als het onzeker is of de ondersteuning wel wordt verlengd. ‘Langdurige indicaties voor bijvoorbeeld vijf jaar helpen hierbij, met lichte vormen van tussentijds evalueren door een vaste contactpersoon. Ook indicatiestellers die de deskundigheid van experts zoals ergotherapeuten serieus nemen en een onderzoek niet dunnetjes overdoen als er bijvoorbeeld een advies voor een traplift ligt.’
Uit onderzoek blijkt bovendien dat mensen het zelf aangeven als ze hulpmiddelen of ondersteuning niet meer nodig hebben. ‘Mensen willen zo weinig mogelijk afhankelijk zijn’, zegt Van Arum. ‘De angst bij gemeenten dat mensen altijd maar meer zouden willen is dus ongegrond.’
4. Langdurende ondersteuning waar nodig
Voor langdurende ondersteuning is een langlopende indicatie niet per se nodig. Dat bewijzen ze in Zoetermeer, waar de gemeente met inZet heeft afgesproken dat inZet zelf bepaalt wie hoe lang welke ondersteuning krijgt. De organisatie biedt al een paar jaar langdurige ondersteuning. Sinds begin 2026 gebeurt dit formeel onder de noemer “vangnetbegeleiding”.
‘Deze vangnetbegeleiding is zonder einddatum’, vertelt Lindner. ‘Het gaat doorgaans om mensen die cliënt zijn bij het maatschappelijk werk, die ambulante begeleiding ontvangen of die met een cliëntondersteuner zoals ik werken. In overleg met de cliënt bepalen wij dat een regulier traject niet beëindigd wordt, maar overgaat naar vangnetbegeleiding. We laten de cliënt niet los, maar spreken die nog geregeld. Dat varieert van eens per twee maanden tot een keer per half jaar.’
5. Integraal werken
‘Bij integraal werken denken professionals wel eens dat ze alles zelf moeten doen’, weet Van Arum. ‘Maar het gaat er juist om dat je taken kunt delen.’ Een goede samenwerking met andere partijen is daarbij belangrijk. Iemand met dementie kan misschien best nog zingen in een koor of vrijwilligerswerk doen. Als je als casemanager een contactpersoon bij het koor hebt die begrijpt dat meedoen belangrijker is dan een perfect concert, en een vinger aan de pols houdt, kan dat prima werken.
Sociaal werkers hebben wél tijd nodig om goed op de hoogte te blijven van de sociale kaart, stelt Van Arum. ‘Het zou daarom goed zijn als organisaties dit deel uit laten maken van de workload, en niet alleen naar de caseload, het aantal cliënten in behandeling, kijken. Daar hebben professionals nog wel wat in te bevechten. De visie of het meerjarenplan van de organisatie kan daar aanknopingspunten voor bieden, aangezien daarin vaak de ambitie van integraal werken staat. Daar hoort investeren in kennis van de sociale en netwerksamenwerking bij.’ Ze tipt hierbij de Samenwerkings-APK.
6. Snelle inzet van specifieke kennis
Een vaste vraag die Lindner stelt in het contact met cliënten die vangnetbegeleiding krijgen, is of er spannende gebeurtenissen aankomen. ‘Als dat zo is, dan kunnen we zonder wachtlijst opschalen naar ambulante begeleiding. In principe is dat gewoon met de eigen vangnetbegeleider. Mocht de agenda dat op dat moment niet toelaten, dan volgt er een warme overdracht naar een collega.’
De frequentie in de contacten gaat dan omhoog en voor de cliënt betekent dit verder dat die de eigen bijdrage van de Wmo moet betalen. Als er vervolgens nog andere expertise nodig blijkt, dan kan ook dat zonder of met een minimale wachtlijst ingeschakeld worden. Wat daar erg bij helpt, is dat bij inZet een groot aantal expertises onder één dak zitten.
7. Vaste contactpersoon
Zowel de onderzoeks- als de praktijkexpert noemen een vaste contactpersoon als belangrijk element. Maar ze zien allebei ook dat dit makkelijker gezegd dan gedaan is. Dit vanwege zaken als personeelswisselingen, aflopende opdrachten en langdurige ziektes. Bij wisselingen die bij voorbaat duidelijk zijn, zoals een zwangerschapsverlof, is het bij inZet goed georganiseerd, vertelt Lindner: ‘Cliënten hebben voor het vertrek een gesprek met van de vaste begeleider en met de vervanger of opvolger. Maar zeker in de vangnetbegeleiding en in het geval van een verlof van maximaal enkele maanden zeggen mensen ook wel ens dat ze geen vervanger willen. Dat is ook prima.’
Bij situaties van onverwachte afwezigheid vraagt Van Arum zich tot slot hardop af waarom er niet meer in duo’s gewerkt wordt: ‘Dat kan enorm helpen. Met een eerste aanspreekpunt en een vaste achtervang kun je cliënten makkelijk overdragen en bovendien heb je elkaar als sparringpartner.’

