Han Entzinger, scheidend voorzitter van de MOgroep: ‘Schaalvergroting binnen welzijn is nog niet af’

12 Januari 2005 Bij zijn aantreden vertelde Han Entzinger tien jaar geleden in Zorg + Welzijn (6 oktober 1995) dat hij het welzijnswerk wilde promoten. Als voorzitter van de MOgroep opereerde hij in praktijk vooral op de achtergrond. ‘Want,’ zegt Entzinger nu, ‘het is onmogelijk je als onafhankelijk wetenschapper te profileren en tegelijk als belangenbehartiger van een sector.’

Door Martin Zuithof – Han Entzinger speelt al decennialang een

toonaangevende rol in het integratie- en minderhedendebat. Regelmatig kwamen

zijn a-modieuze standpunten de hoogleraar Migratie- en Integratiestudies

(Erasmus Universiteit Rotterdam) op heftige kritiek te staan. In 1975 voorspelde

hij als jong ambtenaar bij het ministerie van CRM dat ‘het streven naar behoud

van identiteit op gespannen voet zou komen te staan met integratie’. In de jaren

tachtig was hij met zijn pleidooi voor afschaffing van het onderwijs in eigen

taal en cultuur zijn tijd ver vooruit. Ook zijn pleidooien voor een actieve

immigratiepolitiek voor hoogopgeleide migranten waren niet onomstreden.

Toen Entzinger (57) tien jaar geleden voorzitter van de MOgroep werd –

destijds nog VOG geheten – voorspelde hij in Zorg + Welzijn een comeback van het

welzijnswerk. Zelf stelde hij zich ten doel het welzijnswerk te promoten. In de

praktijk ontpopte Entzinger zich vooral als een stille kracht op de achtergrond,

die de organisatie gezond maakte en volgens collega-bestuurders heel bekwaam het

bureau opnieuw opbouwde. De overbrugging van de verschillende bedrijfsculturen

binnen de VOG, die was voortgekomen uit een reeks welzijnskoepels, eiste veel

tijd.

Binnenkort neemt Entzinger afscheid met een landelijk congres. ‘Ik ben

uiteindelijk toch de voorzitter op afstand geweest,’ laat hij zich terloops

ontvallen.

Wat waren uw belangrijkste taken toen u begon bij de VOG?

‘Orde op zaken stellen in het bureau. Er was nogal wat gebeurd in de

voorafgaande jaren. Ik begon vijf jaar na de herstructurering van de landelijke

organisaties, waaruit de VOG en het NIZW zijn voortgekomen. De VOG was nog naast

het ministerie van VWS in Rijswijk gehuisvest. De staven van de deelnemende

koepelorganisaties waren in de VOG bij elkaar gezet, maar dat had in de eerste

jaren tot fusieperikelen en ‘omdenkingsperikelen’ geleid. De vroegere koepels

hadden een totaal andere functie dan de VOG, die de eerste werkgeversvereniging

was geworden.

‘Ook de VOG kende in de beginjaren naast jeugdzorg en kinderopvang nog vijf

of zes andere secties, onder meer voor allochtonen, ouderen. Een heel groot deel

van de tijd ging op aan het afbakenen van het eigen terrein en het benadrukken

van de verschillen. Over het welzijnswerk werd steeds vaker gezegd: we zijn toch

allemaal met hetzelfde bezig, in een buurt wonen ouderen, jongeren, allochtonen,

wat heeft het dan voor zin om naast buurtwerk, ook nog ouderenwerk, jongerenwerk

en allochtonenwerk te hebben. Je moet het juist integreren.

‘Binnen het bureau bestond een sectiestructuur waarbij ieder sectiebestuur

een eigen aanspreekpunt binnen het bureau had met eigen afdelinkjes. Voor een

directeur was dat bijna onwerkbaar. De sectiebesturen stuurden rechtstreeks een

aantal medewerkers aan. Dat leidde tot eindeloos gepalaver. Die besturen hebben

we omgevormd naar adviesfuncties. In mijn begintijd was het nog vrij

amateuristisch. Bestuurders deden taken die nu professionele medewerkers doen.

De vereniging heeft een hele professionaliseringsslag gemaakt.’

Wat ziet u als uw belangrijkste mijlpalen?

‘Het doorbreken van het sectiedenken binnen welzijn. De verhuizing van

Rijswijk naar Utrecht was ook belangrijk, ook symbolisch. Weg bij de

rijksoverheid, letterlijk midden in het land. En recent de herinvoering van een

branchestructuur waarbij welzijn en maatschappelijke dienstverlening een branche

werd, naast jeugdzorg en kinderopvang. De belangrijkste ontwikkeling binnen

welzijn is in mijn ogen de schaalvergroting. We hebben naar mijn oordeel nog

altijd een te groot aantal instellingen en leden. Op welzijn en maatschappelijke

dienstverlening hebben we alleen al 1300 leden hebben, op een kleine 2000

MOgroep-leden. Schaalvergroting betekent dat je efficiënter kunt werken, meer

professionaliteit kunt inbrengen in de organisatie.’

Hoe komt u bij die overtuiging? Komt die meerwaarde van de

schaalvergroting er ook uit?

‘Ik kan me niet voorstellen dat een organisatie met vier medewerkers en een

directeur efficiënt is. Maar je moet het vooral ook niet te groot maken, want

dan verlies je de menselijke maat. Deze sector bestaat toch uit publieke

dienstverlening die zich nooit volledig commercieel kan bedruipen. Het

marktdenken en het ondernemersdenken heeft in deze sector terecht veel terrein

gewonnen. Dat leidde tot grote efficiency, waardoor je met hetzelfde geld meer

kunt doen. Instellingen die intern goed samenwerken, binnen een redelijk grote

schaal en die professioneel worden aangestuurd, kunnen iets bereiken. Een

serieuze gesprekspartner zijn voor gemeenten, allerhande instellingen, scholen

en politie.’

Hoe ziet u de pleidooien voor marktwerking in de

welzijnssector?

‘Een zekere mate van marktwerking kan professionals scherp houden. De

sector is vroeger te veel aanbodgestuurd geweest. Het besef bij gebruikers en

professionals van voorzieningen is gegroeid dat ze er invloed op uit kunnen

oefenen. Marktwerking betekent niet automatisch dat je commercieel hoeft te

werken. Ik kan me welzijnswerk, en ook jeugdzorg slecht anders voorstellen dan

als non-profit branches. Die kunnen niet zonder een forse bijdrage uit de

publieke middelen.

‘Bij de kinderopvang ligt dat anders. De sector is enorm gegroeid en is

afgesplitst van welzijn. Een heel belangrijk moment was vier jaar geleden, toen

de kinderopvang niet meer onder cao-Welzijn viel maar een eigen cao kreeg. In

feite is de kinderopvang sindsdien commercieel geworden. Een keuze voor het

Scandinavisch model waarbij kinderopvang een gemeenschapsvoorziening is zoals

onderwijs, had ik persoonlijk liever gezien.’

In hoeverre horen de drie branches binnen de MOgroep – kinderopvang,

jeugdzorg, en welzijn/ maatschappelijke dienstverlening – nog bij

elkaar?

‘Dat wordt een centrale vraag voor mijn opvolger. De vroegere secties

gingen een beetje hun eigen gang, we konden ze als VOG-bestuur nauwelijks

aansturen. Iedere sectie had weer zijn eigen financiële overzichten, dat was

afschuwelijk ingewikkeld. Toen de sectiebesturen omgevormd werden tot

adviescommissies kreeg het VOG-bestuur meer greep op zaak. Maar allengs

ontdekten we toch dat er bij bepaalde groepen leden behoefte bestond aan wat

nestgeur. De gemiddelde jeugdzorger heeft niet zoveel te maken met een

ouderenwerker. We hebben toen opnieuw gekozen voor een vorm van functionele

decentralisatie. Geen scheiding, maar wel meer profilering van de drie

branches.’

Waar blijkt de comeback van de welzijnssector volgens u uit?

‘Ik denk zeker dat welzijn serieuzer genomen wordt dan tien jaar geleden.

De laatste maanden, sinds de moord op Van Gogh, spreken boekdelen: iedereen

roept om meer sociale cohesie. Het welzijnswerk moet die roep veel meer

kapitaliseren. Het begon al met de waarden- en normendiscussie, wat bindt

burgers in de samenleving, waar houdt de vrijheid van de een op en in hoeverre

moet de overheid daarbij sturen. Ik hoor onze leden nog te weinig over de rol

van het welzijnswerk binnen het integratiedebat. Wees als instelling

assertiever, bied je diensten aan bij het gemeentebestuur, maak plannen met de

woningcorporatie, de politie, de scholen. Het gebeurt, maar er kan nog veel

meer. Zet de gemeente onder druk en benader de middenstand.’

U wordt omschreven als een goede organisator op de achtergrond. In het

integratiedebat bent u al dertig jaar spraakmakend aanwezig. Had juist u het

welzijnswerk niet veel meer op de kaart kunnen zetten?

‘Dat is heel lastig. We hadden de afspraak dat Sjef van Gennip, de

directeur van het bureau, de woordvoerder zou zijn. Bovendien is de MO-groep een

belangenvereniging. Ik wil mij in de eerste plaatst profileren vanuit de

wetenschappelijke invalshoek. Het is onmogelijk je als onafhankelijk

wetenschapper te profileren en tegelijkertijd ook als belangenbehartiger van een

bepaalde sector. Je kunt niet het ene moment met de MO-pet op meedoen aan het

publieke debat en het volgende moment als wetenschapper. En nu we branches

hebben, moet je ook meer ruimte geven aan de besturen om zich te

profileren.’

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.