Gebrek aan samenwerking nekt integrale aanpak schulden: WSNP ondervindt vooral tegenwerking

Eind september evalueert de Tweede Kamer de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP). Deze wet, die in december 1998 werd ingevoerd, is het sluitstuk van de integrale schuldhulpverlening. Het moet ervoor zorgen dat mensen met problematische schulden na een aantal jaren weer met een schone lei kunnen beginnen. 'Er bestaat echter veel tegenwerking van instanties die juist betrokken zijn bij de integrale schulddienstverlening.’

Bij de WSNP worden mensen op last van de rechter voor

een periode van minimaal één en maximaal drie jaar onder toezicht van een

bewindvoerder gesteld. Deze bestiert hun financiële huishouden en betaalt de

door de rechter bepaalde aflossingsbedragen aan schuldeisers af. De bedoeling is

uiteindelijk dat mensen met problematische schulden niet levenslang door

schuldeisers worden achtervolgd of failliet gaan. Ze moeten met een schone lei

een financieel onbeschreven toekomst tegemoet kunnen gaan. Sinds de WSNP van

kracht werd, zijn er ruim tienduizend mensen in een traject voor schuldsanering

geplaatst. De laatste maanden neemt het aantal geslaagde schuldenregelingen niet

meer toe. In sommige gemeenten daalt het zelfs, terwijl het aantal huishoudens

met problematische schulden stijgt. De wet zelf wordt door vrijwel iedereen die

erbij betrokken is als een technisch goede gezien, maar het schort voornamelijk

aan de manier waarop verschillende instanties ermee omgaan.

Onvoorziene effecten

Volgens Erik van Cuyk, bewindvoerder bij de Stadsbank Arnhem, gaat het om

‘een financieel-technisch goede wet’. De uitvoering van de WSNP kent echter tal

van haken en ogen. Van Cuyk meent dat veel van die problemen te maken hebben met

de opstelling van partijen waarvan juist verwacht mag worden dat ze zich

welwillend tegenover schuldsaneringen opstellen, zoals sociale diensten,

justitiële instanties en woningcorporaties. De problemen betreffen niet zozeer

de WSNP zelf, maar eerder de fase die eraan vooraf gaat. Zo worden mensen, die

diep in de schulden zitten, niet zomaar opgenomen in een WSNP- traject. De

rechter beslist daarover en stelt tevens het aflossingsbedrag en de duur van de

sanering vast. Ook beoordeelt de rechter of de schulden ‘te goeder trouw’ zijn

ontstaan en ze hij bekijkt of een vrijwillig akkoord over afbetaling niet meer

mogelijk is. Voordat een schuldenaar in een WSNP-traject wordt opgenomen, moet

hij namelijk proberen in de zogenaamde ‘minnelijke fase’ zelf tot een akkoord

met de schuldeisers te komen. In die fase wordt het de schuldenaar allerminst

gemakkelijk gemaakt.

‘Het is opvallend dat er veel tegenwerking bestaat van instanties die

juist betrokken zijn bij de integrale schulddienstverlening,’ meent Van Cuyk.

‘Met name de woningbouwverenigingen willen nogal eens naar de kantonrechter

hollen zodra ze er lucht van krijgen dat iemand mogelijk in een WSNP-traject

terecht zal komen. Wanneer iemand in een traject terecht komt krijgen de

woningcorporaties nog maar een deel van het geld terug, en de huurder blijft in

de woning zitten. Daarom proberen ze wel een huurder uit het huis te krijgen

voordat de WSNP is uitgesproken. Dan blijft de vordering staan en kunnen ze

iemand uit het huis laten zetten, waardoor de woning weer beschikbaar is voor

iemand anders. Het effect is wel dat de schuldenaar voor allerlei nieuwe kosten

komt te staan in verband met het vinden en inrichten van een andere woning.’

Volgens Van Cuyk is dit één van de onvoorziene effecten van de WSNP. ‘Je zou

verwachten dat woningcorporaties, die toch een maatschappelijke doelstelling

hebben, zich soepeler zouden opstellen.’

Ook Gerard Possemis, teamcoördinator van de stichting De Vliegende

Hollander, een samenwerkingsverband voor schuldhulpverlening van het Leger des

Heils en Hulp voor Onbehuisden, herkent dit beeld. ‘Ik kan geen exacte aantallen

noemen, maar ik weet dat het vaak gebeurt. Woningbouwcorporaties moeten

financieel hun eigen broek ophouden. Ze bepalen hun eigen beleid op dit gebied.

Ze zijn niet meer zo gebonden aan subsidieregelingen die een maatschappelijke

opstelling van hun kunnen vereisen.’

Niet alleen de woninbouwcorporaties werken volgens de Arnhemse

bewindvoerder Van Cuyk tegen, maar ook het Justitieel Incassobureau. ‘Mensen die

zijn toegelaten tot de WSNP en nog boetes hebben openstaan, kunnen die boete

niet meer betalen. Daar krijgen ze van mij als bewindvoerder niet eens

toestemming voor. Maar het Justitieel Incassobureau vindt dat het nu eenmaal een

maatschappelijke wens is dat die boete wordt geïnd. Daarom wordt wel geprobeerd

de boete alsnog om te zetten in vervangende hechtenis. Als de schuldenaren dan

in de gevangenis komen, kan dat ertoe leiden dat ze hun baan verliezen. Dat is

niet bepaald bevorderlijk voor de schuldsanering.’ Van Cuyk vindt het dan ook

vreemd dat het Incassobureau naar dergelijke maatregelen grijpt. ‘Als de rechter

vindt dat iemand in aanmerking komt voor een schuldsanering op grond van de

WSNP, dan moet justitie niet met de ene hand weer terugpakken wat ze met de

andere hand heeft gegeven.’

Vorig jaar is een advocaat een procedure gestart tegen zo’n vervangende

hechtenis voor iemand in een WSNP-traject. De rechter moet zich hierover nog

uitspreken. Van Cuyk: ‘We kijken uit naar de jurisprudentie hierover. Veel van

dergelijke zaken zijn nog onduidelijk. Vergeet niet dat de WSNP bijzonder

ingrijpend is in het Nederlands rechtsstelsel. Er wordt een stukje

debiteurenrecht geïntroduceerd in het al eeuwen geldende

crediteurenrecht.’

Geen bijzondere bijstand

Andere instanties die uitvoering van de WSNP niet zelden bemoeilijken

zijn de gemeentelijke sociale diensten. Volgens Van Cuyk zijn er nog veel

sociale diensten die slecht op de hoogte zijn van de wet en op dit gebied ook

weinig doen aan voorlichting en verwijzing. ‘De goede niet te na gesproken

natuurlijk,’ zegt Cuyk. ‘Maar het gebeurt geregeld dat sociale diensten aan

mensen in een WSNP-traject bijzondere bijstand weigeren. Terwijl de ene gemeente

een hele woninginrichting betaalt, krijgen mensen in een andere gemeente

helemaal niets. Ik heb cliënten die op de grond slapen omdat ze niet eens een

bed hebben. Je moet maar net de goede persoon in de goede gemeente treffen.’

Daarnaast laten sociale diensten geregeld het beslag op een uitkering

te lang doorlopen. Van Cuyk: ‘Als mensen in een WSNP-traject terecht komen, moet

dat beslag onmiddellijk worden opgeheven, anders kun je als bewindvoeder nog

niets doen. Soms duurt het maanden voordat de sociale dienst dat beslag opheft,

en onderwijl lopen de betalingen aan schuldeisers gewoon door. Dat geld moet je

als bewindvoerder dan weer terugeisen, maar schuldeisers zijn er niet happig op

geld terug te geven dat ze eindelijk van iemand hebben ontvangen. Het is vreemd

dat als een deurwaarder beslag heeft gelegd, ik dat met één telefoontje ongedaan

kan maken en de ten onrechte betaalde bedragen teruggestort kan krijgen, terwijl

daar bij de sociale dienst maanden overheen moet gaan. Zeker omdat de

deurwaarder de schuldeiser vertegenwoordigd en de sociale dienst hun

cliënt.’

Van Cuyk geeft al aan dat het niet bij alle sociale diensten zo

verloopt. Mat Masthoff, directeur van de sociale dienst Rotterdam, herkent zich

dan ook niet in dit verhaal. ‘Natuurlijk weigeren wij geen bijzondere bijstand

aan cliënten in de WSNP. Als de wasmachine van iemand in zo’n traject kapot gaat

kun je toch niet zeggen: dan was je de komende drie jaar maar niet? Het is zelfs

andersom: onze schuldhulpverleners hebben juist de opdracht om de cliënten op

alle bestaande subsidiemogelijkheden en voorzieningen te wijzen.’

Postorderbedrijven

In de minnelijke fase, die vooraf gaat aan een WSNP-traject, moet de

schuldenaar eventueel met ondersteuning van de Kredietbank en

schuldhulpverleners proberen zelf tot een akkoord te komen met de schuldeisers.

Dat is echter niet zo gemakkelijk als het klinkt. Want alle schuldeisers moeten

met de voorgestelde regeling akkoord gaan. Masthoff: ‘Mensen hebben vaak

tienduizenden guldens schuld. De kredietbanken zijn gehouden aan de regel dat ze

alle schuldeisers gelijk moeten behandelen. Ze mogen niet de één meer geven dan

de ander. Het probleem is dat alle schuldeisers dus akkoord moeten gaan. Vaak

staan mensen zeker wel bij een stuk of twaalf instanties in de schuld. Als twee

daarvan afhaken en bij hun vordering blijven, dan gaat het hele verhaal niet

door. Dat hebben we vaak meegemaakt.’

Het grote voordeel van de WSNP vindt Masthoff juist dat de rechter de

mogelijkheid heeft om de medewerking van schuldeisers op te leggen. ‘De

schuldeisers hebben maar al te goed door dat als zij in de minnelijke fase niet

akkoord gaan met een regeling die door de Kredietbank wordt voorgesteld, de

rechter een regeling kan opleggen die financieel weleens nadeliger kan

uitpakken. Daardoor is de neiging weer groter om akkoord te gaan met een

regeling voordat er een WSNP-traject is vastgesteld. En daardoor kan deze wet

weer minder worden gebruikt.’ Daarnaast noemt Masthoff het feit dat ‘instanties

die mensen verleiden tot onverantwoorde uitgaven, zoals postorderbedrijven, zich

wat voorzichtiger zullen opstellen. Want het zou kunnen gebeuren dat ze een deel

van hun geld niet meer terug krijgen. Ze zullen zich dus moeten afvragen: wil ik

dit risico wel aan?’

Masthoff vindt dat de Kredietbanken niet te gemakkelijk moeten zijn met het

verstrekken van leningen aan mensen met een inkomen op bijstandsniveau. ‘Als

mensen een nieuwe koelkast of wasmachine nodig hebben en de sociale dienst

verstrekt geen bijzondere bijstand, dan moet de Kredietbank natuurlijk een

lening kunnen geven. Maar ze verstrekken ook leningen om een auto aan te

schaffen of voor een vakantie. Deze mensen krijgen zo’n krediet niet bij de

Postbank, omdat ze de aflossing niet kunnen betalen. Het is immers erg moeilijk

voor een gezin om rond te komen van de bijstand. Als de Kredietbank wel geld

geeft voor dergelijke uitgaven, dan werk je er als overheid aan mee dat deze

mensen extra in de problemen komen. Als mensen een auto kopen, zitten ze zo drie

jaar aan een afbetalingsregeling vast. Met de WSNP is dat hetzelfde, alleen is

er dan wel een gigantisch probleem opgelost.’

Volgens de directeur van de Rotterdamse sociale dienst is het nog te

vroeg om te beoordelen of de wet gunstig uitpakt of niet. ‘Pas na drie jaar

kunnen we kijken of mensen die het traject doorlopen hebben recidivegedrag

vertonen. Daar kunnen we nu nog niets zinnigs over zeggen. Wel ben ik heel

benieuwd hoe de jurisprudentie zich ontwikkelt. Volgens de huidige regels moet

de rechter kijken in hoeverre het verwijtbaar is dat iemand in de schulden is

geraakt. Wij kijken in zo’n geval liever naar de toekomst. Als we er vertrouwen

in hebben dat iemand uit de schulden wil en kan blijven, dan moet zo iemand

worden geholpen, of de schulden uit het verleden nu verwijtbaar waren of niet.

Je moet mensen de kans geven ten goede te veranderen. Ik hoop dat de rechters

die lijn zullen volgen.’

Verder van huis

Ook Van Cuyk vraagt zich af of mensen na drie jaar niet weer in hun oude

fouten zullen vervallen. ‘Ik zie in de praktijk dat veel mensen een WSNP-traject

krijgen terwijl ze daar helemaal niet aan toe zijn. In de minnelijke fase zouden

hun problemen al integraal aangepakt moeten worden, in samenwerking met het

maatschappelijk werk en de verslavingszorg. Dat netwerk zou eerst goed moeten

functioneren, maar dat is vaak niet het geval. Je kunt niet van de

bewindvoerders verwachten dat zij de hele psycho-sociale problematiek er ook nog

bij op hun bordje nemen. Als het dan na drie jaar toch misloopt, komen deze

mensen de eerste tien jaar niet meer in aanmerking voor een WSNP-traject. Dan

zijn ze nog verder van huis dan toen ze eraan begonnen.’

‘De samenwerking tussen de verschillende instanties is de crux van het

verhaal,’ meent Gerard Possemis van de Vliegende Hollander. Enerzijds is er een

capaciteitsprobleem. In heel Amsterdam zijn er bijvoorbeeld maar twee instanties

die zich met WSNP-trajecten bezighouden. Dat is heel weinig. Alle acht

‘schuldenregio’s’ in Amsterdam zouden er volledig bekend mee moeten zijn. En de

activiteiten op het gebied van schuldhulpverlening moeten veel meer op elkaar

worden afgestemd. Nu zijn vaak vijf instanties rondom een cliënt bezig het wiel

uit te vinden, terwijl niemand weet wie wat precies doet. Als de boel dan

vastloopt, wordt geconcludeerd dat de cliënt te weinig gemotiveerd is om uit de

schulden te komen.’/Eric de Kluis

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.