Do’s and dont’s voor sociaal professionals bij transseksualiteit

De coming out van YouTuber Nikkie de Jager als transgender persoon werd binnen een week meer dan 31 miljoen keer bekeken en maakte haar in één klap een rolmodel. Volgens Els Meijsen, adviseur Inclusie en diversiteit bij Movisie, is het belangrijk dat de sociaal professional meer kennis over transgenders heeft. Ze zet de do’s and dont’s voor sociaal professionals op een rij.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Foto: AdobeStock

De coming out van Nikkie de Jager oogstte overal veel lof, al vindt Els Meijsen van Movisie de manier waarop het gegaan is niet okay: ‘Dat iemand anders haar chanteerde en zo gedwongen heeft om haar coming out te hebben, vind ik heel triest. Iemand moet voor zichzelf bepalen om wel of niet uit de kast te komen en wanneer. Zij is een vrouw, en nu gaat iedereen haar zien als een transvrouw. Iemand moet zelf kunnen bepalen wie zij/hij zelf is.’ Wel denkt de adviseur inclusie en diversiteit dat het voor anderen inspirerend kan zijn dat iemand zoals Nikkie uit de kast komt. ‘Het is een aanleiding om het bespreekbaar te maken.’

Zorgprofessionals moeten sensitiviteit ontwikkelen voor LHBTI-jongeren, en ze ondersteunen, vindt Else Boss, adviseur bij Movisie. De campagne #kweetnie laat zien dat het oké is als je nog niet weet wat of wie je bent. Lees meer >>

Uit onderzoek van Movisie blijkt dat sociaal werkers nog veel kunnen leren over transseksualiteit, vertelt Meijsen:  ‘In de gespecialiseerde hulpverlening is hier wel aandacht voor, maar de algemener opgeleide sociaal werker krijgt hier weinig  over tijdens de opleiding.’ Terwijl dit wel hard nodig is, vindt Meijsen. ‘Transgenders staan op lange wachtlijsten als het gaat om gespecialiseerde hulpverlening. Het zou goed zijn als sociaal professionals in het voortraject de cliënt kunnen ondersteunen.’

Do’s

  • Stel open vragen: ‘Als iemand iets vertelt over zijn genderidentiteit, vraag dan dingen als: wat betekent dat voor jou? Wat houd je bezig? Waar heb je vragen over? Waar loop je tegenaan? Wat zou ik voor je kunnen betekenen? Vermijd mogelijke oordelen.’
  • Houd het neutraal: ‘Wanneer je bij iemand binnenkomt van wie je twijfelt of hij man of vrouw is, zeg dan “goedemorgen” in plaats van “goedemorgen mevrouw/meneer”. Wanneer je wéét dat iemand transgender is en je twijfelt hoe je hem/haar moet aanspreken, vraag hier dan gewoon naar.
  • Vraag wat iemand van jou verwacht: ‘Dus hoe iemand aangesproken wil worden, wat hij prettig vindt. Geef iemand de ruimte om er niet over te praten als hij dat niet wil, ook al weet je dat iemand in transitie is. Soms is het niet relevant voor de hulpvraag.’
  • Weet waar je de juiste informatie vandaan haalt: ‘En dan heb ik het zowel over informatie voor je cliënt, zoals lotgenotencontact, belangengroepen en gespecialiseerde zorg, als voor jezelf als hulpverlener. Want het is logisch dat je niet alles weet en om raad moet vragen.’
  • Wees alert op pestgedrag: ‘In groepen is het belangrijk om alert te zijn op grappen, opmerkingen, flauwe gebeurtenissen. Zorg dat je als organisatie uitstraalt dat iedereen welkom is. Bijvoorbeeld met een Regenboogvlag, maar ook in communicatie-uitingen. Bijvoorbeeld door ook afbeeldingen van trans personen te gebruiken. En in formulieren geen verplichte velden met alleen meneer mevrouw. ‘

Dont’s

  • Iemand afkappen: ‘Als iemand vertelt dat hij trans/homo/lesbisch is kun je vanuit de beste bedoelingen zeggen: “Oh maar daar heb ik geen enkel probleem mee hoor!” Hiermee kap je het onderwerp eigenlijk direct af, terwijl iemand hier misschien juist graag iets over kwijt wil. Je ontkent dat het voor iemand zelf wél een probleem kan zijn, en worstelt met zijn of haar identiteit.’
  • Oordelen: ‘Je kunt zonder dat je het door hebt de plank misslaan als hulpverlener. Veel hulpverleners hebben het gevoel dat ze zelf moeten beoordelen of iemand twijfelt over zijn/haar genderidentiteit. Terwijl de enige die daarover kan oordelen de persoon zelf is. Blijf open vragen stellen en vermijd stereotyperingen.’
  • Verkeerde termen gebruiken: ‘Het is belangrijk dat je als hulpverlener de juiste termen gebruikt. Het woord “ombouwen” gebruiken is not done. Zeg in plaats daarvan: in transitie gaan.’
  • Intieme vragen stellen: ‘Vanuit je persoonlijke nieuwsgierigheid of als die van sociaal professional kun je vragen stellen aan een trans persoon die helemaal niet gepast zijn of terzake doen. Vermijd vragen als: ben je geopereerd? Hoe zit het dan? Mag ik foto’s van vroeger zien? Hoe heette je als kind? Dat gaat je niets aan. Als je meer wilt weten over transpersonen voor je eigen kennis, vraag het dan niet aan je cliënt. Er zijn genoeg algemene kennisbronnen, e-learnings, websites en tv-programma’s met informatie.’

Handige info:

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.