Riagg-medewerkers blikken terug op de hulpverlening na de Bijlmerramp: ‘Ik dacht altijd dat ik alles aankon’

De parlementaire enquête naar de Bijlmerramp rakelt emoties op bij slachtoffers én hulpverleners. De chaotische weken na de vierde oktober 1992 vergden het uiterste van de medewerkers van de toenmalige Riagg Zuid-Oost. Toch is er steeds professioneel omgegaan met de slachtoffers, zeggen Ad Oud, coördinator van het traumateam, en zorgmanager Victor Kense, destijds hoofd van de afdeling psychotherapie. De ramp heeft ze wel veranderd. 'Ik zie nu de relativiteit van onze business in.'

‘Als ik de krant lees of televisie kijk en het gaat

over de Bijlmerramp, dan word ik onrustig. De parlementaire enquête laat me niet

onberoerd. Ik kan er niets over zien of horen zonder dat ik daarbij met cliënten

in mijn achterhoofd zit,’ zegt Victor Kense, tegenwoordig manager zorgzaken bij

het sociaal-psychische dienstencentrum Oost in Amsterdam. Zes jaar geleden was

hij hoofd van de afdeling psychotherapie van de toenmalige Riagg Zuid-Oost.*

Zijn collega Ad Oud, coördinator van het traumateam van de Riagg, ondervindt

hetzelfde gevoel van onrust. ‘Ik hoop van harte dat de enquête de waarheid boven

tafel haalt, een waarheid waar niemand onderuit kan. De slachtoffers hebben die

erkenning nodig. Zolang er geen duidelijkheid is over wat er is gebeurd, komt

het verwerkingsproces niet op gang.’

Hoe reageerde u destijds op de ramp?

Oud: ‘Eerst met veel ongeloof, ik had het gevoel dat we in een film waren

beland. Het duurde even voordat doordrong wat er nu echt was gebeurd. De maandag

erna ben ik bij de flats gaan kijken. Dat maakte me wel een beetje angstig voor

wat ons te wachten stond. Maar ik heb geprobeerd mijn emoties in te kapselen. Ik

moest mijn kruit drooghouden. In de eerste periode richtte ik me vooral op het

lange baan-werk. Ik zat in de stuurgroep die een plan aan het uitdenken was over

hoe we de mensen op de lange termijn het beste konden bijstaan, terwijl Victor

zich bezighield met de organisatie van de eerste opvang van de slachtoffers.’

Kense: ‘Je reageert met ontkenning en je hebt in die eerste periode soms de

absolute fantasie dat het allemaal niet is gebeurd als je ’s maandags op je werk

komt. Het zou zó fijn zijn als alles voorbij was, heb ik vaak gedacht. Wat me

veel kracht heeft gegeven is de stille tocht een week na de ramp, ter

nagedachtenis van de overledenen. Daar zijn we met veel collega’s bij geweest.

Het was een bijzondere gebeurtenis, waar een enorm solidariteitsgevoel heerste.

Het idee van:we staan met z’n allen voor hetzelfde. Na die dag kostte het mij

minder moeite een professionele houding aan te nemen.’

Hoe verliep de eerste opvang van de slachtoffers?

Kense: ‘Toch wel chaotisch. De Riagg had geen actieve rol toebedacht

gekregen in het rampenplan van de gemeente, maar we werden de eerste dagen wel

overspoeld met mensen die gewoon kwamen binnenlopen voor hulp. De wachtkamers

zaten vol. Zo’n vierhonderd slachtoffers meldden zich aan. Alle spreekuren

vervielen, we probeerden simpelweg zoveel mogelijk mensen op te vangen. De

capaciteit was een probleem. We hadden extra hulpverleners nodig. Daarvoor

haalden we zelfs mensen uit Groningen. Onze eigen collega’s moesten afspraken

met een deel van hun vaste cliënten afzeggen. We maakten veel overuren en

stuurden elkaar ’s avonds naar huis met “het is al acht uur, ga jij nu maar weg,

ik help deze cliënt nog wel”. Zo’n soort sfeer was er.’

Wat hadden jullie de mensen te bieden?

Kense: ‘Na aanmelding kregen de cliënten eerst drie individuele gesprekken.

Zij konden hun verhaal kwijt en wij konden hun klachten monitoren en proberen

hen een beetje gerust te stellen. Kort daarna begonnen we met groepsgesprekken,

de zogenoemde trauma-preventieve fase. Doel hiervan was dat de mensen

gestabiliseerd zouden raken. Dat ze klaarheid kregen in wat er was gebeurd. Zo’n

honderd mensen hebben gebruik gemaakt van die mogelijkheid. Bij de meesten

zorgde het natuurlijke aanpassingsmechanisme ervoor dat ze het alledaagse leven

weer redelijk snel konden oppakken. Anderen bleven klachten houden. De

zogenoemde getraumatiseerden vingen we daarna individueel op.’

Hebben jullie alle slachtoffers goed kunnen helpen?

Oud: ‘Gelukkig de meesten wel. Maar uit een tevredenheidsonderzoek bleek

dat een aantal mensen dat de groepsgesprekken had gevolgd, zich gefrustreerd

heeft gevoeld. Ze durfden hun diepste angsten niet te laten zien in de groep.

Dat is triest. We moeten niet vergeten dat bij sommigen het water al aan de

lippen stond vóór de ramp. Sommige bewoners verkeerden in de illegaliteit, of

kampten met andere problemen die al heel veel spanningen met zich meebrachten.

De ramp was voor hen de druppel. De mensen die hun heil elders wilden zoeken,

hebben we zoveel mogelijk doorverwezen. Onze contacten met kerken en

multiculturele instellingen zijn sindsdien stevig aangehaald.’

Vindt u achteraf dat u het goed heeft gedaan?

Oud: ‘Ondanks de hectiek en het feit dat we nog nooit zo’n grote ramp voor

de kiezen hebben gehad, zijn we steeds heel professioneel te werk gegaan. Daar

durf ik mijn handen wel voor in het vuur te steken.’ Kense: ‘Echte fouten hebben

we niet gemaakt. Wel heb ik sommige zaken verkeerd ingeschat. Naïef misschien,

maar ik dacht dat we de hulpverlening aan de slachtoffers na anderhalf jaar wel

aardig rond zouden hebben. Maar er zijn nog steeds mensen die niet over hun

klachten heen zijn of die pas na een paar jaar langskomen. Er zijn er ook die

ons opzoeken omdat ze kampen met bijvoorbeeld werkstress en ineens last krijgen

van nachtmerries over de ramp. Ik had nooit gedacht dat zo’n gebeurtenis er zo

in zou kunnen hakken. Ook heb ik de community-strength overschat. Ik ging er

vanuit dat slachtoffers vooral steun aan elkaar konden hebben. Maar veel

bewoners verkeerden in een totaal isolement. Die hadden helemaal geen

community.’

Hebben jullie als hulpverleners voldoende steun gehad?

Kense: ‘We steunden elkaar zoveel mogelijk. Veelal tussen de bedrijven

door, in korte, informele gespreken op de gang bijvoorbeeld. Als je lange dagen

maakt en de hele tijd hebt gepraat met rampslachtoffers, dan heb je het gehad.

Dan ga je niet nog eens langdurig napraten met je collega’s over je eigen

emoties. Dan wil je wat anders doen.’ Oud: ‘We organiseerden debriefings voor

onze hulpverleners, maar daar bleek na verloop van tijd niet zoveel behoefte aan

te zijn. Gelukkig is niemand overspannen geworden na de ramp, dat zegt wel iets

natuurlijk.’

Heeft de ramp uw kijk op uw werk veranderd?

Kense: ‘Absoluut. Ik ben bescheidener geworden. Ik dacht altijd dat ik

alles aan zou kunnen wat betreft verhalen van cliënten. Maar bij zo’n ramp krijg

je zoveel over je heen. Dat gaat je niet in je koude kleren zitten. Ik heb mijn

eigen grenzen ervaren.’ Oud: ‘Het heeft me geleerd de relativiteit van onze

business in te zien. In mijn therapeutenoptimisme dacht ik altijd dat we alle

mensen zouden kunnen behandelen. Maar zo’n traumatische gebeurtenis op zo’n

grote schaal doet je inzien dat sommige problemen moeilijker liggen dan je

denkt. Op het gebied van traumatherapie heb ik veel bijgeleerd. Wij

hulpverleners hebben nogal de neiging onze cliënt op de stoel te willen zetten

en hem zijn problemen zo snel mogelijk te laten verwerken. Als dat op weerstand

stuit bij het slachtoffer, zeggen we: “U stopt het weg”. Dat vind ik getuigen

van arrogantie bij de hulpverlener. We moeten meer uitgaan van de cliënt, die

geeft zelf wel aan wanneer hij toe is aan verwerking. Het is belangrijk dat hij

eerst zijn gevoel van veiligheid terugkrijgt en dat wij hem serieus nemen. Je

kan je soms afvragen of het oprakelen van alle ellende niet te schadelijk

is.’/Jeannine Westenberg

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.