Psychotherapeut Indra Boedjarath over interculturele ggz: ‘Ggz is doordrongen van westerse normen en waarden’

‘Allochtone cliënten worden vaak beschouwd als moeilijk en onbenaderbaar. Maar in de ggz zou men eens kritisch moeten kijken naar de vanzelfsprekendheden waarmee mensen worden behandeld. Taalproblemen zijn er, maar te weinig hulpverleners vinden de weg naar de uitstekende tolkencentra die hun diensten gratis beschikbaar stellen.’ Dat stelt psychotherapeut Indra Boedjarath, één van de schrijvers van het manifest ‘Interculturele ggz in de 21e eeuw’.

Voordat psychotherapeut/psycholoog Indra Boedjarath

eind vorig jaar een eigen praktijk in Den Haag startte, werkte ze onder meer bij

de Riagg Rijnmond Noord-West als hoofd van de afdeling Transculturele

Hulpverlening. Het werk, dat volgens haar uniek is binnen de Riagg’s in

Nederland, richtte zich specifiek op de hulpverlening aan allochtonen. Ook

verdiepte de psychotherapeut zich in de problemen die samenhangen met migratie.

Omdat de Hindoestaanse Indra Boedjarath zelf op achtjarige leeftijd met haar

ouders uit Suriname naar Nederland kwam, weet ze wat het is om zo’n

‘cultuurshock’ te ondergaan. Over de problemen die samenhangen met een overgang

naar een andere cultuur en het aanbod van de ggz schreef ze met een aantal

collega’s een manifest. Daarin wordt een nogal somber beeld geschetst van de

situatie waarin vele migranten in Nederland verkeren en de invloed daarvan op

hun geestelijke gezondheid. Volgens de schrijvers stranden veel initiatieven in

de migrantenhulpverlening op geldgebrek, onvoldoende inbedding van de resultaten

in het beleid of vertrek van projectmedewerkers. Ook signaleren zij een

maatschappelijke tweedeling in de ggz: de zorgvraag en -consumptie van

allochtonen nemen toe, terwijl hun gemiddelde behandelduur veel korter is dan

die van autochtonen. ‘Na een kwart eeuw migrantenhulpverlening is het beeld

hoofdzakelijk negatief,’ stellen de auteurs. ‘Daarnaast wordt de

tekortschietende hulpverlening verklaard door onveranderlijk geachte culturele

of etnische kenmerken.’

Is het werkelijk zó somber gesteld met migranten in de

ggz?
‘Rondom de publicatie in 1990 van het manifest ‘De

dilemma’s’, waarin de Riagg’s in de grote steden duidelijk maakten dat de

leefsituatie van migranten een wezenlijke rol speelt bij psychische problemen,

kwam er veel aandacht van de overheid en de media voor dit thema. Maar van een

goed transcultureel beleid is nooit sprake geweest. Dit moet namelijk

doorsijpelen in alle niveaus van de instelling en niet alleen in het contact

tussen hulpverlener en cliënt. Aan de andere kant zijn er best goede

voorbeelden, zoals de Riagg in Utrecht, die inmiddels 25 procent van het

bijscholingsbudget heeft gereserveerd voor trans- of interculturele

hulpverlening.’

Wat moet er veranderen in de ggz om de hulpverlening wel te

laten aansluiten op de vraag van allochtonen?
‘Grofweg: het ter

discussie stellen van vanzelfsprekendheden. Waarom duurt een sessie bijvoorbeeld

niet langer dan drie kwartier als iemand daar behoefte aan heeft? Ook

inhoudelijk kunnen we onze westerse manier van werken ter discussie stellen. Als

we meer rekening houden met de diversiteit aan culturele normen en waarden van

cliënten kan dat zowel het professionele als het persoonlijke leven van de

hulpverlener verrijken. Maar zowel autochtone als allochtone hulpverleners

hebben nog te weinig oog voor de kracht van de culturele achtergrond van een

cliënt. Dat onderkennen zie ik als een positieve kant van het werken met mensen

vanuit vele culturen.’

Een stad als Rotterdam kent 156 nationaliteiten. Het is toch

onmogelijk om je als hulpverlener in een grote stad te verdiepen in al die

verschillende achtergronden en culturen?
‘Het is lastig, maar

niet onmogelijk. Ik krijg in mijn praktijk ook mensen van zeer veel

verschillende nationaliteiten. Zeventig procent is allochtoon. De eerste keer

dat ik een cliënt uit Abchazië op bezoek kreeg, wist ik echt niet waar dat land

lag. Ogenschijnlijk ligt die achtergrond van zo’n persoon dan heel ver van me

af, maar met iedereen is contact te maken. Je moet de vaardigheden hebben om

verschillen te kunnen overbruggen. Dat is de essentie, terwijl je natuurlijk ook

een goede tolk moet hebben.’

Het taalprobleem is wellicht een oorzaak voor het feit dat

allochtone cliënten eerder afhaken of geen contact maken met de hulpverlening.

Hoe lost u dat op?
‘Er zijn hele goede tolkencentra die hun

diensten hebben afgestemd op medisch-somatische en psychische indicaties. Die

diensten zijn bovendien gratis beschikbaar, maar er wordt nog heel weinig

gebruik van gemaakt. In de primaire hulpverlening in de ggz werkt de

onbekendheid hiermee bijvoorbeeld drempelverhogend. Het ‘anders zijn’ wordt vaak

geïnterpreteerd als ‘onbenaderbaar’. De hulpverleners zijn ook niet in staat om

de geleerde westerse theorieën en methodieken in de psychiatrie te vertalen naar

bevolkingsgroepen uit totaal andere culturen.Het vergt veel creativiteit en

flexibiliteit van een hulpverlener om daarmee uit de voeten te kunnen. Als ik

een cliënt niet kan verstaan en ook de tolk er niet goed uitkomt, vraag ik

bijvoorbeeld om een tekening te maken van hetgeen de ander voelt of wil zeggen.

Het is toch ook een uitdaging om die cliënt vanuit een hele andere cultuur te

kunnen helpen?’

Waar moet de ggz alert op zijn bij hulpverlening aan allochtone

Nederlanders?
‘Altijd iemand zien vanuit zijn of haar context,

maar dat geldt ook voor autochtonen. We roepen wel dat we dat doen, maar net

zoals in de somatische zorg wordt een cliënt of patiënt vaak behandeld voor een

specifiek probleem: ‘Het gebroken been komt binnen’, om het even te chargeren.

Er wordt vanuit het individu maar naar één aandoening gekeken, maar bij

allochtone cliënten – vooral bij de oudere generatie – is de omgeving juist heel

belangrijk. Hun identiteit wordt gevormd vanuit de groep of familie waartoe zij

behoren. Als je dan iemand alleen als individu benadert en behandelt, voelt hij

of zij zich noch begrepen, noch erkend.’

Alhoewel u zelf van allochtone afkomst bent, zegt men dat

hulpverleners vanuit andere culturen moeilijk zijn te vinden. Hoe kijkt u tegen

dat probleem aan?
‘Wellicht moeten er andere kanalen gebruikt

worden om hulpverleners te vinden. Zelf zit ik met collega’s in een netwerk, de

Stichting IGGZ (Interculturele Geestelijke Gezondheidszorg). Het is een soort

denktank en vanuit die club hebben we het manifest geschreven. Maar we gebruiken

de onderlinge contacten ook om te wijzen op vacatures in het land. We zoeken dan

in onze eigen omgeving naar iemand die aan het profiel voldoet. Dat werkt vaak

beter dan een advertentie. Overigens merkte ik bij de Riagg in Rijnmond ook dat

de aanwezigheid van allochtone hulpverleners zowel naar het personeel als naar

de cliënten een positieve uitstraling heeft. De afstand tot andere culturen

binnen de instelling wordt kleiner en dat verlaagt weer de drempel voor cliënten

om bij die instelling hulp te zoeken. Het gaat om wederzijdse beïnvloeding, want

de hulpverlening hoeft zich natuurlijk niet alleen maar aan te passen aan de

allochtone cliënt.’/Mariëtte Seysener

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.