Psycholoog Albert Mulder over de vermissingszaak Sybine Jansons: ‘Als hulpverlener ga je ook door fasen van rouw’

Dinsdag 19 januari verdween de 13-jarige scholiere Sybine Jansons uit Maarn. Vijf weken later werd ze dood teruggevonden in een vaart bij Breukelen. De zaak wekte grote beroering in Maarn en omgeving. Albert Mulder, psycholoog bij de afdeling Jeugdgezondheidszorg van de GGD Zuid-Oost Utrecht in Zeist, werd de dag nadat Sybine was verdwenen door de gemeente Maarn gevraagd het beleidsteam dat de hulpverlening rondom de vermissing en het overlijden van het meisje coördineerde te adviseren. 'Je bent louter bezig de negatieve gevolgen te beperken. Een positieve wending aan de situatie geven, kun je niet,' concludeert hij.

Albert Mulder ontwikkelde in het verleden verschillende

protocollen voor scholen over hulpverlening wanneer er een kind overlijdt of

seksueel misbruikt blijkt te zijn. In de zaak Sybine Jansons was het zijn taak

ervoor te zorgen dat procedures en protocollen in werking traden op het moment

dat het nodig was.’De vermissing van een kind leidt tot grote onrust in een

lokale samenleving,’ vertelt Mulder. ‘Gevoelens van machteloosheid, van gebrek

aan controle over de situatie, overheersen. Het is heel belangrijk de mensen dat

gevoel van controle terug te geven. Het geven van informatie is daarbij van

cruciaal belang. Doe je dat niet, dan ontstaan er geruchtenstromen die voor meer

onrust zorgen. Je moet laten zien wat je doet, wie erbij betrokken zijn, welke

strategieën gehanteerd worden.”Zolang de situatie crisisachtig was, hebben

we via de locale media ieder stukje informatie en iedere ontwikkeling aan de

mensen doorgegeven. Via de scholen hebben we kinderen brieven meegegeven waarin

werd verteld wat de school deed, wie de contactpersoon was en wat ouders zelf

konden doen als er onrust in het gezin zou ontstaan. De hulpverleningsinstanties

hebben we op de hoogte gesteld van de effecten die zo’n vermissing op termijn

kan hebben. Mensen die met een vermissing te maken krijgen, gaan door

verschillende fasen van machteloosheid, woede, verdriet, depressiviteit. Dat

zijn hele normale reacties en niets om je zorgen over te maken, zolang ze maar

bespreekbaar zijn. Maar zon situatie kan ook emoties losmaken bij mensen die

iets heel anders hebben meegemaakt. Ook daar moeten de instanties dan op

berekend zijn. Negentig procent van de mensen komt goed door een rouwproces

heen. Een deel van hen krijgt echter wel sterke psychosociale problemen die niet

zonder meer voorbij gaan. We hebben dan ook met hulpverleningsinstanties

afgesproken dat ze capaciteit daarvoor reserveren. Als je daar geen rekening mee

houdt, krijg je een ramp na de ramp.’

Over vermissing bestaat nauwelijks literatuur. Waar moet je je

dan op baseren?

‘Er zijn wel protocollen over dood, rouw en calamiteiten. Wat we hebben

gedaan is het hele protocol in werking stellen waarin we er rekening mee hielden

dat Sybine was overleden. Dat betekende dat er mensen beschikbaar moesten zijn

om mee te praten, dat er stilte-lokalen in de scholen werden ingericht waar

mensen zich konden terugtrekken of met een vertrouwenspersoon konden praten, en

dat er de mogelijkheid was voor ouders en kinderen om groepsgesprekken te houden

onder begeleiding van de Riagg.’

Vriendinnen van Sybine verklaarden op tv dat hun verteld was

dat ze hoop moesten houden dat ze levend terug zou komen.

‘Op individueel niveau is het belangrijk hoop te houden, positieve

verwachtingen te koesteren. Als je je negatief instelt, loop je een grotere kans

op stressverschijnselen en depressies. Je moet pas aan het rouwproces beginnen

als er iets te rouwen valt. Niet eerder. Maar de hele structuur van de

hulpverlening moest intussen wel zo worden opgezet dat alles paraat was als

bekend werd dat het meisje niet meer leefde. Dat was immers de situatie die

reëel te verwachten was. We hebben het systeem ingesteld op verschillende

verwachtingen en het individu op de hoop.’

Waarin verschilt de hulpverlening bij de dood van een kind van

die na vermissing?

‘Toen Sybine verdween hebben we verschillende opties tegen het licht

gehouden. We hebben steeds de mogelijkheid open gehouden dat ze was weggelopen,

hoe onwaarschijnlijk dat ook leek. Als ze dan zou terugkomen, zou de blijdschap

natuurlijk overheersen. Vervolgens moet je dan iets doen aan de reden waarom ze

weggelopen was. De tweede optie was dat ze levend zou worden gevonden en

slachtoffer was van een misdrijf. Dan zou je de gevoelens van verdriet en woede

over wat haar was aangedaan moeten bekrachtigen en natuurlijk ook blijdschap

tonen dat ze terug is. Als ze dood zou worden gevonden, heb je te maken met het

verdriet en de woede van de omgeving van het meisje. Dan moet de hulpverlening

daarop inspelen en starten de processen van rouw en afscheid. De laatste

mogelijkheid was dat ze blijvend of voor lange tijd vermist zou zijn. Dat is de

minst verkiesbare situatie. Je kunt geen afscheid nemen. Iedere keer dat de

telefoon gaat, iedere glimp van een kind dat op haar lijkt, activeert de emoties

weer. Vermissing is heel moeilijk te verteren. Dood is duidelijk en daar kun je

in de hulpverlening iets mee, hoe hard dat ook klinkt.’

Kende u Sybine persoonlijk?

‘Nee. Vanuit mijn positie mag ik daar blij om zijn. Ik kom regelmatig in

aanraking met nare gevallen. Het is dan beter als je geen persoonlijke band met

de betrokkene hebt gehad. Anders zou ik in al die gevallen een persoonlijk

rouwproces moeten doorlopen. De kans is groot dat ik daar op den duur niet

gezond bij zou blijven.’

Wat deed het u toen u hoorde dat ze was

gevonden?

‘Ik was er vanuit mijn adviserende taak, gericht op het groepswelzijn, op

enige afstand bij betrokken. Maar toch ben je er ieder moment van de dag mee

bezig. Mijn mobiele telefoon stond steeds aan of stand-by. Je bent steeds aan

het wachten op dat ene telefoontje. Dat wil je ook krijgen. Pas dan kun je

beginnen met het afscheid, met het afhandelen. Ook als dienstverlener voel je

die machteloosheid zolang er niets bekend is. Dat geldt ook sterk voor de

anderen die erbij betrokken waren. De politie-agenten en de therapeuten. Voor

hen bestond ook de noodzaak afscheid te nemen van Sybine, zodat ze iets konden

afsluiten en verder konden gaan. Zij gaan ook door fasen van rouw. Velen van hen

zijn ook naar de begrafenis geweest. Dat was heel emotioneel.’

Is het hulpverleningsproces goed verlopen? Zijn er zaken die u

een volgende keer anders zou aanpakken?

‘Wat mij vanaf de dag van de vermissing trof, is de hoge mate van

professionaliteit van werkelijk iedereen die erbij betrokken was. Lokale en

regionale plannen voor rampenbestrijding traden vlekkeloos in werking. Ik heb

ook grote bewondering voor de manier waarop de scholen het hebben aangepakt.

Anderhalve dag na de vermissing zaten alle directeuren om acht uur ‘s morgens op

het gemeentehuis om te bespreken wat ze konden doen voor de leerlingen en de

ouders. De manier waarop de uitvaartplechtigheid was georganiseerd was eveneens

erg goed. Niet alleen was er een zaal beschikbaar waar 1400 mensen in konden,

met alle bijbehorende faciliteiten, ook alle activiteiten rond opvang,

crisisteams van de Riagg en EHBO waren bijzonder goed op elkaar afgestemd. Er

zijn hooguit wat details die we nog moeten bespreken.’

Heeft deze zaak uw kijk op uw werk

veranderd?

‘Dat niet, maar het heeft me wel weer duidelijk gemaakt dat je als

hulpverlener geen toverstok hebt waarmee je een nare situatie in een mooie kunt

veranderen. Je bent alleen bezig met negatieve gevolgen te beperken. Dat is een

andere rol dan die van de politie of van medische hulpverleners. Die trachten

wel een positieve wending te geven aan een negatieve situatie. Bijvoorbeeld door

het meisje te vinden. Of door een zieke te genezen of een wond te helen. Wij

kunnen slechts proberen schade te beperken of te voorkomen.’/Eric de

Kluis

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.