Ervaringen van maatschappelijk werkenden met agressie gebundeld: Doelwit: de hulpverlener

Van scheldpartijen en bedreigingen tot zwaar lichamelijk geweld: veel maatschappelijk werkenden hebben te maken met agressie van cliënten. Bij het verwerken van geweldsincidenten is goede opvang door collega's en leidinggevenden van het grootste belang. Toch staat het veiligheidsbeleid bij veel instellingen nog in de kinderschoenen, stelt auteur Huub Buijssen in zijn binnenkort te verschijnen boek 'Aangeslagen. Indringende ervaringsverhalen van maatschappelijk werkenden.' In dit nummer van Zorg + Welzijn een voorpublicatie.

Toen ik enige jaren terug voor een welzijnsstichting

studiedagen mocht verzorgen over schokkende ervaringen in het club- en

buurthuiswerk, ontdekte ik dat forse agressie tegen medewerkers van deze

instellingen geen uitzondering was. Tot dat moment dacht ik dat alleen

maatschappelijk werkenden bij de sociale dienst een verhoogd risico liepen op

confrontatie met agressie. Daarover verschenen immers bij tijd en wijle

berichten in de krant. Toen ik bij toeval stuitte op een Engels boek over geweld

tegen maatschappelijk werkenden, las ik dat agressie ook bij veel andere

instellingen voorkwam waar maatschappelijk werkenden werkzaam zijn, zoals de

reclassering, de kinderbescherming, de jeugdhulpverlening en de

verslavingszorg.

Velen die iets schokkends overkomt, raken in een isolement doordat ze

zich schamen voor hun gevoelens. Kennisnemen van de ervaringen van anderen kan

dan een belangrijke vorm van zelfhulp zijn. Het slachtoffer kan ontdekken dat de

vreemde gevoelens die hij bij zichzelf waarneemt heel gewoon zijn. Hij kan er

hoop aan ontlenen, want in verreweg de meeste gevallen is er licht aan het einde

van de tunnel, en bij de verwerking leren van de fouten van anderen.

Ervaringsverhalen zijn om nog een andere reden belangrijk. Meer nog dan cijfers

of argumenten kunnen ze instellingen ervan overtuigen dat agressie tegen

medewerkers een serieus probleem vormt dat beleidsmatige aandacht

verdient.

Het verhaal van Walter

Walter, jongerenwerker in een Bredaas jongerencentrum dat vooral bezocht

wordt door Marokkaanse drop-outs: “Op een doordeweekse dag sta ik met

collega-jongerenwerker S. en een banenpooler achter de bar. Vandaar hebben we

goed zicht op een groepje van zeven jongeren dat bezig is met tafelvoetbal.

Opeens ontstaat er beroering. Eén van de jongens, de Marokkaanse J., heeft met

een spuitbus zijn vrienden in de rotte eieren-lucht gezet en zij vallen hevig

tegen hem uit. Omdat hij vaker met zulk soort spelletjes de boel tracht te

verzieken, spreken we J. resoluut toe. ‘J., eruit. Ga nu naar huis en kom

vanavond maar niet meer terug.’ Op een gegeven moment moet je als jongerenwerker

ingrijpen, niks doen is ook funest. Maar wat zo vaak gebeurt als je er eentje

uit de groep pikt, gebeurt nu ook: de rijen sluiten zich en de groep keert zich

en bloc tegen je. ‘Als J. eruit moet, dan krijgen jullie met ons allemaal te

maken.’ In dit geval verrast ons de opstelling van de groep. De groep keurde

zojuist het gedrag van J. immers óók af.Als de groep voor J. in de bres

springt, speelt mijn collega-jongerenwerker het meteen hard. ‘Neen, J. eruit of

we bellen de politie.’ Maar ook dit dreigement helpt niet. ‘Bel de politie

maar’, laten ze ons weten. Voor ons is er op dat moment geen weg meer terug. We

moeten onze autoriteit laten gelden. We bellen dus de politie. Deze is snel ter

plekke, maar dan is een aantal van de jongeren reeds vertrokken. Zodra de

politie weg is, komen ze weer opdagen. Tot onze schrik zien we bij een drietal

onder hun jack de kolf van een pistool naar buiten steken. Onmiddellijk gaan ze

ertoe over ons te bedreigen. Dat doen ze door eerst onze aandacht te trekken en

vervolgens hun hand naar ons uit te steken en met hun wijsvinger een

schietbeweging te maken waarbij ze het geluid van een kogel nabootsen:

‘psst’.

Mijn collega S. kan daar niet tegen en klapt in elkaar. Niet zo vreemd: het

ís ook echt bedreigend. S., die van Indonesische komaf is en daarom een groot en

hecht familie- en vriendennetwerk heeft, belt zijn familie. Deze komt snel met

enkele grote auto’s en ‘ontzet’ S. De banenpooler en ik blijven op onze plek en

tot onze opluchting overleven we de avond zonder kleerscheuren. Daags daarna

breng ik mijn coördinator op de hoogte van wat er die avond is voorgevallen. In

overleg met de directie wordt besloten de soos twee weken te sluiten.

Op een avond ben ik voor administratieve werkzaamheden in de soos. Als ik

bijna klaar, gaat de telefoon. Als ik opneem, hoor ik in gebroken Engels iemand

zeggen: ‘You’re death and your car is history.’ Dit laatste geloof ik

onmiddellijk. In de bewuste groep zitten elementen die voor zwaardere delicten

in de bajes hebben gezeten en voor niets terugdeinzen. Na het telefoontje loop

ik onmiddellijk naar buiten. In één oogopslag zie ik dat er een blik verf over

mijn auto is gegooid en dat alle vier de banden lek zijn gestoken. In de

omgeving van de soos staan veel struiken en bosjes, vanuit die richting hoor ik

een hoop gelach. Dan weet ik zeker dat de bewuste groep mij dit geflikt

heeft.

Een week na dit voorval krijg ik ’s nachts een telefoontje van de

beveiligingsdienst die onze gebouwen bewaakt. De muren van de soos zijn beklad.

Er is een groot pistool op de muur gespoten met hakenkruizen eromheen. In grote

letters hebben ze hier onder geschreven: ‘Walter dood’. Een paar dagen later

krijg ik ’s middags om half vier het eerste dreigtelefoontje. Mijn vrouw neemt

die keer aan. ‘Jullie gaan er allemaal aan’ krijgt ze te horen. Ik schakel

onmiddellijk de politie in. Deze neemt het telefoontje heel serieus op. Ik ben

daar heel blij mee. Het geeft mij en mijn gezin het gevoel er niet alleen voor

te staan.

’s Avonds om half tien komt het tweede telefoontje, ook nu neemt mijn vrouw

op. Weer hetzelfde dreigement, maar nu noemen ze ook mijn adres erbij. ‘We weten

je wel te vinden.’ Dan breekt bij ons de paniek echt uit. Je weet immers nooit

waartoe die lui allemaal in staat zijn. Het ergste van de telefoontjes vind ik

dat ze niet alleen gericht zijn tegen mij, maar ook tegen mijn vrouw en zoon.

Degene die de tweede keer belde had mijn vrouw expliciet gewaarschuwd en

uitgescholden: ‘Vuil teringwijf, jij gaat er ook aan.’

De telefoontjes blijven weken duren, vaak midden in de nacht. Al die tijd

kook ik van binnen van kwaadheid en word ik bijna gek van machteloosheid. Ik

pieker me suf hoe ik ze een halt kan toeroepen. Dan weet ik ineens wat ik moet

doen. Ik zoek telefoonnummer op van de ouders van G., een van de harde

kern-leden van het groepje. Ik draai het nummer en krijg de vader van G. aan de

telefoon. Ik vertel hem wat me dwarszit. Ik doe dat op rustige toon, zonder

enige dreiging. Het effect is er niet minder om. Twee dagen later loop ik Frank

tegen het lijf, een collega die ook in de bewuste soos werkt en de jongeren

allemaal goed kent. ‘Ik zag gisteren G. en die hééft me toch een pak slaag

gehad. Ik denk dat hij in de stad ruzie heeft gehad met deze of gene,’ vertelt

hij. ‘Neen Frank, die heeft in de stad geen ruzie gehad, hij heeft thuis ruzie

gehad. Met zijn vader. Ik heb G.’s vader gebeld.’ ‘Maar dat kun je toch niet

maken,’ krijg ik te horen. ‘Sorry,’ zeg ik, nood breekt wet. Ik wil ook rust in

mijn huis.’ Het telefoontje heeft gewerkt, want vanaf nu krijg ik er geen

meer.”

Het verhaal van Trudy

Trudy werkt als maatschappelijk werkster bij de reclassering, maar is

gedetacheerd bij het CAD, het consultatiebureau voor alcohol en drugs. Zij

vertelt: “Deze twee hulpverleningsorganisaties waren een samenwerkingsproject

gestart rond verslaafde delinquenten. Mijn cliëntenbestand bestond voornamelijk

uit diehards, langdurig verslaafden die vanwege inbraken, tasjesroof en

winkeldiefstallen enzovoort al vaak in aanraking waren geweest met justitie. Eén

van de cliënten was A., een lange, magere jongeman van 27 jaar. Omdat hij zich

altijd goed verzorgde, zag hij er niet echt uit als een drugsgebruiker. Vanaf

het moment dat ik hem leerde kennen gaf hij me het idee met een soort van

tijdbom te doen te hebben. Misschien lag het aan zijn grote, enge ogen, ik weet

het niet. Ik was altijd een beetje bang van hem. Ik had dat ook een paar keer

tegen mijn leidinggevende gezegd, maar er was geen collega-hulpverlener die hem

kon of wilde overnemen. Meestal kwam hij naar mijn kantoor, een enkele keer

zocht ik hem thuis op. Zo ook die keer dat het misging.

Als ik op die bewuste dag bij hem binnenkom, heb ik al vrij snel in de

gaten dat hij gebruikt heeft en onder de coke zit. Ik merk het aan de pupillen

van zijn ogen, zijn drukke gedrag, zijn manier van praten en zijn uitbundige

stemming. Zodra ik binnen ben, vraagt hij me of ik wat wil eten of drinken. Ik

antwoord hem dat ik alleen maar even langskom om te kijken hoe het met hem gaat

en zijn aanbod daarom moet weigeren. Aanvankelijk gaat alles nog goed. We

spreken met elkaar zoals gewoonlijk. Het enige verschil is dat wat ik tegen hem

zeg, niet echt tot hem doordringt. Omdat ik me niet op mijn gemak voel, laat ik

hem na een kwartier weten weer weg te gaan. Maar dat vindt hij niet zo’n goed

idee. ‘Neen, blijf toch nog even, doe niet zo ongezellig, drink nog een kopje

koffie.’ Ik laat me door hem overhalen en blijf zitten. Mijn overweging daarbij

is dat het wellicht de sfeer ten goede komt.Hij heeft een open keuken met

een barretje en gaat daar naartoe om koffie te zetten. Vanaf het driezitsbankje

zie ik hem in een laatje rommelen. Even later haalt hij er een pistool uit

tevoorschijn. En dan richt hij het pistool op mij: ‘Jij wou weg hè, maar je gaat

helemaal niet weg. Je drinkt gewoon een kopje koffie met mij. En als je dat niet

doet, dan schiet ik je voor je kop.’ Zijn pistool is dreigend op me gericht,

maar de toon waarop hij spreekt is dat helemaal niet. Die is eerder joviaal.

Overdreven joviaal, bravoure-achtig. Hoewel zijn toon er geen aanleiding toe

geeft, schrik ik wel. Heel even maar, want enkele seconden later voel ik me heel

rustig worden. Het lukt me om hem voortdurend op een vriendelijke manier aan te

kijken. Ik registreer daarbij alles. Alsof een stemmetje me influistert: nu moet

je bij de les blijven.

Ineens schakelt hij over op de cynische, provocerende toon die ik zo goed

van hem ken. Ik zie ook dat hij blauw schuim op zijn mond krijgt. ‘Och God,’

denk ik, ‘hij is nu helemaal de weg kwijt.’ Hij laat zijn pistool zakken en even

later legt hij het naast zich neer, maar nog wel binnen handbereik. Ook houdt

hij me voortdurend in de gaten. Alsof hij wil voorkomen dat ik plotseling

ontsnap. Ik doe hetzelfde als hij: ik houd hém voortdurend nauwlettend in de

gaten en verlies zijn pistool geen moment uit het oog.

Zo verstrijkt de tijd. De minuten lijken uren. Ik wil niets liever dan

weggaan, maar dat lijkt me te riskant. Hij is zo onberekenbaar. Na drie à

drieënhalf uur (!) wordt zijn praten steeds onsamenhangender en wordt zijn lopen

steeds onvaster. Dan neem ik toch het besluit te vertrekken. ‘Nu ben ik sterker

dan jij, nu kan ik weggaan’, schiet het door mijn hoofd. Ik bedank hem voor de

koffie, het gesprek, en de gezelligheid, stap op, loop heel kordaat naar de

gang, pak mijn jas van de kapstok en loop over de galerij. Ik doe dat alles heel

rustig. In plaats van de lift die ik gewoonlijk neem neem ik nu de trap en loop

vervolgens (‘niks aan de hand’) rustig naar mijn auto. Al die tijd kijk ik niet

om. Dat durf ik niet. Ik start mijn auto en rijd de straat uit. Aan het eind

ervan stop ik. Ik weet ineens niet meer welke kant ik op moet. Ik weet zelfs

niet meer hoe ik moet schakelen. Plotseling ben ik zelf de weg kwijt, letterlijk

en figuurlijk. Alle spanning die ik in de voorbije uren heb opgebouwd, komt er

nu uit. Ik huil niet, maar begin wel vreselijk te bibberen.

Op de automatische piloot rijd ik naar mijn kantoor. Daar loop ik als

eerste mijn leidinggevende tegen het lijf. Ik vertel hem wat me is overkomen.

Als ik met mijn verhaal klaar ben, adviseert hij me meteen aangifte te doen bij

de politie. Ik ben in eerste instantie verbaasd over dit advies. Sinds ik bij A.

ben vertrokken, zijn al weer drie kwartier verstreken en mijn hersenen zijn weer

gaan werken. Al heel snel ben ik begonnen alles te vergoelijken: ‘Dit is nu

eenmaal het risico van het vak’ en ‘Het is toch mijn cliënt en als ik dit bij de

politie aanhangig maak, dan is hij echt verloren.’ Maar ik denk ook al aan de

gevolgen die aangifte kunnen hebben voor mijn baan: ‘Als dit uitkomt en andere

cliënten horen ervan, dan verlies ik hun vertrouwen en is het met mijn baantje

afgelopen.’ Cliënten, collega’s en publiek zullen wel denken: ‘Dat het zover is

kunnen komen, ze heeft het vast niet goed aangepakt, wat een klungelige

hulpverlener.’Het advies van mijn leidinggevende betekent echter dat ik

serieus wordt genomen. Achteraf beschouwd is het het beste wat hij in deze

situatie voor me had kunnen doen. Nadat ik aangifte heb gedaan, ga ik naar huis.

Ik slaap die nacht niet. Daags daarna ga ik wel gewoon naar mijn werk. Ik vind

het zelfs plezierig om ernaar toe te kunnen. Daar kan ik tenminste wel mijn

verhaal kwijt. Het is niet zo dat mijn collega’s uit zichzelf naar me toekomen

om mijn verhaal aan te horen, daar is het weer niet uitzonderlijk of bijzonder

genoeg voor. Om mijn verhaal kwijt te kunnen moet ik in zekere zin aandacht

claimen.Een paar weken na het incident ben ik weer helemaal de oude. Bijna

dan. Als er op tv een film is met een scène waarin wordt geschoten of met

pistolen wordt gedreigd, schrik ik toch weer even. Ik schakel dan over naar een

andere zender, kijk de andere kant op of ga even de kamer uit. Op zo’n moment

denk ik: het had ook mis kunnen gaan.”

‘Aangeslagen. Indringende ervaringsverhalen van maatschappelijk

werkenden; gids voor nazorg bij schokkende gebeurtenissen’ door Huub Buijssen

met medewerking van Jos Kooreman verschijnt volgende maand bij Elsevier/De

Tijdstroom.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.