Oudere werknemers in zorg en welzijn: duf en duur of gedreven rotten?: Rond de kaap van vijftig

Wie de vijftig passeert, ontwaart in de verte de horizon van het pensioen. De vijftigste verjaardag is een natuurlijk moment voor een persoonlijke afweging van wensen en mogelijkheden. Wil ik in mijn werk nog iets anders? Wil ik minder werken? Zal ik niet die grote reis gaan maken nu ik nog gezond ben? De sociale sector telt veel vijftigers die al lange tijd meedraaien. Wat gebeurt er met ze als ze die kaap passeren? Maken ze zich op voor een eindsprint of zal het hun tijd wel duren? Wat houdt ze gaande, waar halen ze hun inspiratie vandaan? Twee loopbaanadviseurs geven hun visie op de perspectieven van de oudere werknemer en drie werkers met een lange staat van dienst blikken terug én vooruit

Hoe je het wendt of keert, rond de vijftig begint voor

veel mensen een nieuwe levensfase. Het lichaam dwingt tot bescheidener ambities,

de geest ontdekt nieuwe dimensies. Menig gemoed vraagt om meer rust. De een kan

beginnen te oogsten wat decennialang tijdens het werk is gezaaid. De ander gaat

denken aan afbouwen en richt de blik op nieuwe uitdagingen buiten het

werk.Het kabinet wil oudere werknemers zonder pensioenverlies laten kiezen

voor een minder drukke en lager betaalde functie, de veelbesproken demotie. Van

staatssecretaris Hoogervorst van Sociale Zaken mag het in de laatste fase van

het werkzame leven wat minder hectisch. Maar de druk op de betaalbaarheid van

oudedagsvoorzieningen dwingt werknemers intussen wel om weer gewoon tot hun 65e

te blijven werken. De tijd van goudgerande uittredingsregelingen nadert haar

einde. Wat kunnen werknemer en werkgever doen om die langer wordende eindfase

productief te maken?

Volgens Peter Rouwendaal (45) van bureau Papageno te Heerenveen,

job-coacher en adviseur bij veranderingen in bedrijven, hebben oudere werknemers

een sterk punt. ‘Ze hebben veel meegemaakt. Daardoor zijn ze in staat om bij

zichzelf te rade te gaan. Ze kunnen aangeven wat hen goed en wat hen minder goed

af gaat.’ Heel anders zijn de jonge werknemers van de impuls-generatie, vindt

Rouwendaal: ‘Die hoppen van de ene ervaring naar de andere. Ze werken wel hard,

maar zijn vooral bezig met ervaring opdoen.’Iedereen, jong of oud, heeft

ambities. Ook op de ambities van zijn oudere werknemers, op hun inspiratie of op

blokkades daarvan, moet de werkgever proberen zicht te krijgen Die dienen

regelmatig besproken te worden om vervolgens hun vertaling te vinden in concrete

werksituaties, meent Rouwendaal.Vijftig is niet oud en is niet jong. Op de

levenspyramide staan Sara en Abraham stevig op de hoogste trede. Maar ze voelen

dat hun lichaam niet meer alles kan, al geven ze het misschien niet openlijk

toe. In werksituaties zal de ene vijftig-plusser fanatiek vasthouden aan zijn

flitsende verleden. Zijn lot is dat van een opgejaagd dier. De ander zal wijs

zijn en taken delegeren om jongere collega’s ook een kans te geven. Zo gaat die

werknemer de vruchten plukken van zijn ervaring. ‘

Gifdruppels van collega’s

Volgens psychotherapeute Diet Verschoor (52) uit Amsterdam is dat laatste

de verstandigste houding. ‘Op ervaring kun je heel goed teren. Ervaring is dé

meerwaarde van de oudere werknemer.’ Wie lang meegaat, kent de geschiedenis van

zijn bedrijfstak. Handig, als oude, eerder afgewezen plannetjes van de werkgever

in de OR opnieuw ter sprake worden gebracht. Of wanneer ambtenaren voor de

zoveelste keer een fusie willen doorzetten. In het directe werk zal een ervaren

kracht eerder doorzien wat er aan de hand is, zowel met cliënten als met de

werkorganisatie. In vergaderingen en overleggen kan hij afwachten. Door pas in

een later stadium te oordelen, heeft hij in heftige discussies een

stabiliserende invloed. Wie lang meegaat, kent – kortom – zijn klassieken.

Toch worden ouderen vaak afgedaan als duur en suf. Niets werkt op iemand zo

neerdrukkend als negatieve signalen van collega’s,’ stelt Verschoor . ‘Het zuigt

alle inspiratie, alle levensmoed weg. En die geluiden klinken nog te vaak. Zo

van: “Die? Dat is een oude vrouw.” Gifdruppels zijn het, zulke uitspraken. Ze

maken oudere medewerkers tot slachtoffer.Daarom moet de werkgever aan oudere

werknemers een tegengif geven in de vorm van waardering. Zeker, ouderen zijn

duurder en werken wat minder hard, maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door

hun ervaring.’ Bevestiging geven. Expliciet de bijdrage van een oudere werknemer

aan het bedrijfsresultaat erkennen, dat is wat een werkgever volgens Verschoor

zou moeten doen.

Een kiene P&O-er brengt elke vijf jaar, tijdens

functioneringsgesprekken, de vraag ter sprake of de werknemer op dezelfde voet

door wil gaan. ‘Het zou heel normaal dienen te zijn om daarover te praten. Wordt

de werkdruk niet te hoog? Misschien moet de kaasschaaf over het takenpakket,

zodat alles wat minder wordt. Ook overwerk. De werkdruk kan omlaag. Misschien

moet de uitvoerend werker overschakelen naar projectmatige taken. Daarvoor zijn

soms nieuwe werkafspraken nodig. Er is van alles mogelijk om binnen de nieuwe

lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van een vijftig-plusser te blijven

profiteren van zijn of haar schat aan ervaring.’

Oudere werknemers hebben in dit heroriëntatie-proces ook een taak. Als het

waar is wat Rouwendaal zegt, dan kennen zij zichzelf. Weten ze waar hun sterke

en zwakke kanten liggen. Zelfbewust brengen zij hun kwaliteiten in, vragen

desnoods een andere taak of functie waarin hun ervaring beter tot uiting komt.

In het onderwijs verwisselen oudere leerkrachten het leslokaal voor een

counselingpraktijk. Ouderen gaan bij hun lichaam en geest te rade om te weten te

komen wat er in het werk moet veranderen. Die persoonlijke signalen vertalen in

voorstellen voor een aangepaste werklast, dat is voor de assertieve generatie

die in de jaren zestig op de barricaden heeft gestaan toch geen probleem?

Psychotherapeute Verschoor steekt de ouderen nog graag een hart onder de riem:

‘Besef hoe saai kan een glad gezicht zijn. En hoe fascinerend de rimpels waarin

het leven is te lezen.’

De evenwichtige

Ineke Alsem:

‘Ik ben nog even geïnspireerd als dertig jaar

geleden’

‘Over twee weken word ik 50. Dan ben ik een oudere werknemer zoals dat

heet. Ach, wat maakt het uit. Je moet alleen wat zuiniger met je energie om

gaan.’ Sinds 1989 werkt Ineke Alsem bij de werkgeversorganisatie VOG. Eerder was

ze maatschappelijk werker in ziekenhuizen. Ze is al bijna dertig jaar werkzaam

in de sector welzijn. Bij de VOG was ze acht jaar lang staffunctionaris

Onderwijszaken. Ze werkte hard, ook in het weekend als het moest. Bij een

interne reorganisatie in 1997 stelde ze vast dat een belangrijke etappe in dat

werk was afgerond en pakte de kans om van functie te wisselen. Nu is ze

beleidsmedewerker positionering en profilering met als aandachtsgebied Welzijn

Ouderen. Ook maakte ze vorig jaar van de gelegenheid gebruik om van vijf naar

vier werkdagen te gaan.’Nu is er meer tijd voor andere dingen,’ zegt ze. ‘Ik

heb een studie afgerond in de avonduren, ik ben gaan zingen in een koor en

opeens blijkt fietsen heel leuk te zijn. Die afwisseling maakt het leven

prettiger. Er is meer onder de zon dan werk en voor die andere dingen wil ik

tijd en ruimte hebben.Maar mijn werk blijft ook heel belangrijk en heel leuk,

net als vroeger. Ik doe het graag. Soms stop ik vijf dagen in vier dagen.’

‘Ik merk dat ik qua motivatie en energie nog even geïnspireerd ben als

dertig jaar geleden. Waar ik voor sta, daar ga ik nog steeds voor. Ik zie een

duidelijke lijn in mijn carrière in het welzijnswerk, een lijn die bij me past.

Welzijnswerk is heel positief ingesteld, het richt zich op het stimuleren van

mogelijkheden en kracht van mensen. Wat mij drijft, heb ik in verschillende

functies op steeds andere manieren vorm kunnen geven. Nu ook bij de VOG. Daar

kan ik nog heel lang mee doorgaan, denk ik.”Als oudere werknemer moet je op

tijd signalen bij jezelf serieus nemen. Ga ik met plezier naar mijn werk? Heb ik

wel voldoende inspiratie, kan ik het nog aan? In de tredmolen van het werk ben

je geneigd die signalen te negeren en dan kom je in de stress terecht. Daar kun

je als werker zelf wat aan doen. Maatregelen nemen B bijvoorbeeld een lager

tempo – om je werk aan te passen aan je leeftijd. De werkgever van zijn kant

moet een oudere werknemer de ruimte gunnen om zijn inspiratie op peil te

houden.’

Ineke weet dat ze rond haar zestigste kan stoppen. Ze heeft daar nog niet

tot in detail over nagedacht. Haar echtgenoot stopt over twee jaar met werken.

Met hem wil ze leuke dingen doen: genieten en waarderen dat ze gezond zijn. Maar

een blauwdruk voor de toekomst maakt ze niet. ‘Zolang ik het gevoel heb dat er

een bepaald evenwicht in mijn leven zit, zolang het werk me inspireert en het

werk iets aan mij heeft, heb ik geen reden om te veranderen. Dat kan volgend

jaar anders liggen. Dan zal ik met dezelfde uitgangspunten moeten bekijken wat

ik verder met mijn leven wil.’

De standvastige

Ron Klingen:

‘Ik voel wat metaalmoeheid als opbouwwerker’

Sinds mensenheugenis is Rob Klingen opbouwwerker in Arnhem. Al die tijd –

hij begon in 1980 – in de wijk Malburgen. Tot 26 oktober 1998. Op die dag nam

hij, de nodige emoties wegslikkend, afscheid en verhuisde naar de wijk

Klarendal. Om aan de andere kant van de stad opnieuw opbouwwerk te gaan doen.

‘Al die jaren in Malburgen heeft het opbouwwerk me getrokken, daarom ben ik

nooit van functie veranderd. Ik had altijd een eenmanspost, lekker zelfstandig.

Mijn werkplek bleef wel dezelfde, maar het werk evolueerde en ik ontwikkelde

mee. Ik ben steeds meer coördinator geworden. Stel je voor, dat ik na achttien

jaar nog uitsluitend met groepjes bewoners bezig was om een flatportiek schoon

te houden.’

Op de achtergrond voltrokken zich ook veranderingen.

Wijkwelzijnsinstellingen fuseerden tot één grote stedelijke organisatie. Nieuwe

managementprincipes deden hun intrede. Rob werd er een beetje door ingehaald.

Hij kwam te ressorteren onder een stadsdeelmanager. Hij, die in de loop der

waren was uitgegroeid tot Meneer Malburgen, mocht steeds minder zelfstandig

overleggen over voorzieningen voor zijn wijk. Daar kon hij zich moeilijk mee

verenigen.De afdeling P&O polste hem daarom over ‘iets anders’. Met als

gevolg dat deze professional, die het liefst een winkel in modelautootjes was

begonnen, voor een keerpunt in zijn loopbaan staat. Rob: ‘Ik voel wat

metaalmoeheid als opbouwwerker. Op voorhand kan ik het verloop van sommige

vergaderingen uittekenen. Opgebrand ben ik zeker niet, maar ik besef dat, als ik

wil veranderen, ik dat nu moet doen. Ik heb een loopbaanonderzoek gedaan en dat

bevestigt wat ik sluimerend al wist: dat ik goed ben ik dingen overbrengen, in

trainingen geven. Sinds kort volg ik een opleiding om docent te worden bij het

Landelijk Centrum Veiligheid door Leefbaarheid. Daar leren professionals hoe ze

bewoners zelfredzaam kunnen maken. Eerst wilde mijn werkgever die opleiding niet

betalen, omdat hij er niet direct profijt van heeft. Nu betaalt hij de helft,

omdat hij inziet dat het goed is voor mij als werknemer.’

In oktober 98, als de cursus net is begonnen, moet Rob afscheid nemen in

Malburgen. Hij wordt overgeplaatst naar Klarendal, en ten tweede male begint hij

op een eenmanspost. Alweer als opbouwwerker. Met hart en ziel? ‘Ik weet niet of

mijn hart daar nog ligt. Ik wil kijken of ik de goede ervaringen van Malburgen

kan overbrengen naar Klarendal. Deze wijk is wat in de vergetelheid geraakt. Hoe

kan ik dat met de bewoners weer opvijzelen? Dat lijkt me toch wel leuk. Maar

laat ik eerlijk zijn: hier ligt niet mijn toekomst. Ik heb niet de ambitie om

hier over twaalf jaar nog als opbouwwerker te zitten. Mijn hart ligt bij mijn

nieuwe baan als docent. Mijn werkgever weet dat, de bewoners nog niet.’Rob

zal volgend jaar waarschijnlijk minder uren gaan werken in Klarendal. De

vrijkomende uren zijn voor de nieuwe docentenbaan. ‘Ik heb me in Malburgen sterk

vereenzelvigd met mijn werk. Mijn leidinggevende zei eens: je denkt altijd aan

de wijk en nooit aan jezelf. Dat is nu anders. Het is ook een bevrijding die me

goed uitkomt, want we hebben thuis een baby gekregen.’Binnenkort begint Robs

tweede carrière. Hij blijft voltijds werken vanwege de kosten van het kind en

zijn dure hobby met race-autootjes. Nog vijftien jaar arbeiden, tot zijn

zestigste. ‘Ik ben dan hopelijk nog sterk. Vanaf dat moment ga ik

vrijwilligerswerk doen. Gek hè?’

De bezetene

Dimitris Giannakos:

‘Mijn geluk is dat ik me binnen de organisatie kon blijven

ontplooien’

Een blauw boekje bundelt cursiefjes van Dimitris Giannakos. Met vooraf de

dichtregels van Kavafis: Houdt Ithaka wel altijd in gedachten. Daar aan te komen

is je doel. Maar overhaast de reis in geen geval. ‘ t Is beter dat die vele

jaren duurt, zodat je als oude man pas bij het eiland het anker uitwerpt, rijk

aan wat je onderweg verwierf. Het boekje is drie jaar oud en verscheen toen

Dimitris vijftig werd.Bijna de helft van zijn leven werkt hij al bij

dezelfde regionale instelling voor allochtonen in Utrecht. Ooit als elektronicus

bij Philips begonnen, raakte hij betrokken bij het welzijnswerk voor

landgenoten. ‘Ik heb nooit afscheid genomen van Griekenland. En ik ben ook

volledig ingeburgerd in Nederland. Het prikkelt me om steeds alle facetten van

mijn migrantenleven uit te proberen.’

Tien jaar lang was Dimitris hulpverlener en opbouwwerker voor Grieken. Zijn

doelgroep was tevens zijn band met het vaderland. Daarna moesten hij en zijn

collega’s tweedelijns gaan werken. Zo werd hij gedurende vijf jaar consulent,

redacteur van het instellingsblad en voorzitter van een lokaal inspraakorgaan.

Na een tweede reorganisatie was Dimitris vier jaar lang afdelingsmanager. ‘Ik

ben nooit van werkgever veranderd, omdat ik graag met migranten werk. Dan kan

hier. Mijn geluk is dat ik me binnen dit bedrijf altijd heb kunnen ontplooien.

Mijn innerlijke prikkels kan ik verwezenlijken. Ik kreeg kans om de sociale

academie en de voortgezette opleiding opbouwwerk te volgen en om opleidingen

journalistiek en non-profit management te doen.’Sinds twee jaar, na de

zoveelste reorganisatie en zijn vijftigste verjaardag, wil Dimitris geen manager

meer zijn. ‘Ik werk altijd als een bezetene. Dat geeft me het gevoel dat ik hier

nog maar kort werk. Maar ik vind het moeilijk om te scoren via het succes van

anderen die ik moet inspireren.’ Als manager lag hij nog wakker van zijn werk,

tegenwoordig niet meer.

‘Nu ben ik webmaster. Heerlijk. Ik ben kleine zelfstandige. In mijn hoofd

heb ik het volledige overzicht zitten van wat wij te bieden hebben aan derden.

Dat wil ik allemaal in onze website verwerken. Ik doe er ook de technische kant

bij. Ik zet mijn visie op migranten om in een electronische presentatie. Dat

motiveert me enorm. En: geen collega’s meer aan m’n hoofd. Van elektronicus tot

webmaster, ik heb het gevoel dat dit de synthese is van mijn loopbaan.’Naast

zijn werk runt Dimitris een vertaalbureau en is hij secretaris van een mondiale

organisatie van Griekse journalisten. Thuis vindt hij dagelijks een volle

elektronische postbus met berichten uit alle hoeken van de wereld. Zijn hart,

geeft hij toe, is verschoven van de betaalde baan naar de vrije tijd. ‘Mijn

echte inspiratie ligt buiten dit kantoor, daar vind ik mijn vrijheid,’ zegt hij

om er meteen aan toe te voegen: ‘Mijn productiviteit is met het klimmen van de

jaren niet lager geworden. Ik plan elke dag vol. Om te laten zien hoe de website

vordert, geef ik regelmatig een interne presentatie aan collega’s. Dat smoort

mogelijke achterdocht.”Op mijn 58ste wil ik stoppen met werk. De laatste

jaren van mijn carrière zou ik graag als adviseur van de directie werken. Met de

mij eigen bezetenheid projecten doen. Dan kunnen collega’s de vruchten plukken

van mijn ervaring. En daarna? Ga ik heen en weer pendelen tussen mijn tweede

vaderland en mijn Griekse eiland.’/Rogier Wiercx

Rogier Wiercx is freelance journalist Zijn website is te vinden op

internetadres:
href=”http://www.antenna.nl/wiercx”>www.antenna.nl/wiercx

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.