Openbare aanbesteding moet wao’ers en ww’ers klantvriendelijk laten reïntegreren: Het veilen van kavels werkzoekenden

Precies een jaar geleden werden arbeidsongeschikten en ww'ers voor het eerst ondergebracht bij reïntegratiebureaus via een grootscheepse aanbesteding - in de volksmond ‘de veiling’ genoemd. Dit jaar staat in september alweer de tweede lichting - een kleine zeventigduizend cliënten - op de rol. Het is de bedoeling dat de uitkeringsgerechtigden een bureau kunnen kiezen dat voldoet aan de eigen wensen en behoeften. 'Hoe groot de eigen inbreng echt wordt, blijft twijfelachtig.'

Vorig jaar maakten de uitvoeringsinstanties GAK,

Cadans, GUO, en SFB een begin met het aanbieden van zogenoemde ‘kavels’ van

arbeidsongeschikten en ww’ers aan commerciële reïntegratiebureaus (rib’s). Die

maken dan een offerte van wat zij te bieden hadden op reïntegratiegebied en de

instanties – uvi’s – ‘gunnen’ dan een kavel van duizenden uitkeringsgerechtigden

aan het geschikte bureau. Zo gingen zo’n zeventigduizend uitkeringsgerechtigden

de reïntegratiemarkt op. Door deze werkwijze zou de reïntegratie transparanter

worden, want voorheen was niet duidelijk waarom een bepaalde cliënt door een

bepaalde instelling werd geholpen. Ook zou de concurrentie onder de bureaus de

terugkeer van wao’ers en ww’ers naar de arbeidsmarkt effectiever maken. Maar in

hoeverre heeft iedereen een vaste baan na de eerste veiling? ‘Daar is nog niets

over te zeggen,’ zegt Luc Schmidt, woordvoerder van het Landelijk Instituut

Sociale Verzekeringen, die de aanbestedingen coördineert. ‘Een

reïntegratietraject duurt een tot anderhalf jaar. We zijn in januari begonnen,

dus begin volgend jaar verwacht ik de eerste gegevens over resultaten.’

‘In het eerste half jaar zijn tweeduizend cliënten door de uvi aan ons

overgedragen,’ zegt Aura Laumen, een van de zes directeuren van

reïntegratiebureau Alexander Calder, ‘en daarvan zijn inmiddels 122 mensen in

een arbeidscontract langer dan zes maanden geplaatst.’ Vorig jaar haalde het

bureau als één van de kleinere relatief veel cliënten binnen, zo’n tienduizend.

Sindsdien verdubbelde Calder in omvang. Aan de andere kant hebben de bureaus

voor begeleid werken – van oudsher gespecialiseerd in het begeleiden van

gehandicapten naar werk – onverwacht weinig cliënten toegewezen gekregen.

Slechts twee bureaus konden opdrachten binnen halen.’ Onze plaatsingspercentages

liggen tussen de 70 en 75 procent,’ zegt Jan van der Blom, directeur van de

brancheorganisatie voor begeleid werken (BOBW). ‘We hebben het GAK gevraagd naar

de reden van het geringe aantal toewijzingen. Het bleek dat bij de gunning niet

expertise en deskundigheid de doorslag heeft gegeven, maar zaken als de prijs

van het traject en of het bureau landelijk kan functioneren.’

Kwaliteitseisen

Kritiek op de uitvoering van reïntegratietrajecten door de rib’s komt

vooral van de bedrijfsgroep Uitkeringsgerechtigden van FNV Bondgenoten. Tijdens

informatiebijeenkomsten begin dit jaar door het hele land – waar zo’n zeshonderd

mensen kwamen – bleek dat veel arbeidsongeschikten slechte ervaringen hadden met

reïntegratiebureaus. In een Zwartboek somt de vakbond belangrijke pijnpunten op:

cliënten worden misleid met mooie brochures en mooie beloftes, er worden geen

schriftelijke afspraken of stappenplannen gemaakt, er is noch ruimte voor eigen

ideeën van de cliënt noch een garantie op werk, aan mensen boven 50 jaar wordt

weinig gedaan en mensen voelen zich gedwongen werk te aanvaarden dat onder hun

niveau ligt en niet aansluit bij hun wensen. ‘Je kunt niet zeggen dat de

problemen zich bij bepaalde reïntegratiebedrijven concentreren,’ meldt

vakbondsbestuurder Erna Bezemer, ‘maar duidelijk is wel dat de kwaliteit soms te

wensen over laat.’ Daarom pleit FNV Bondgenoten voor kwaliteitscriteria voor

rib’s. Volgens Bezemer is er weinig tot niets aan kwaliteitseisen bij

reïntegratie. Dat ‘de markt’ nu zijn werk voor een snelle reïntegratie van

wao’ers en ww’ers moet gaan doen, vindt zij niet verkeerd: ‘Er mag best geld aan

verdiend worden, maar de enorme geldstromen die door het kabinet zijn ingezet

voor reïntegratie moeten dan wel goed besteed worden. Een goed bureau selecteer

je door er eisen aan te stellen.’

‘Bij het binnenhalen van reïntegratieopdrachten gaat het om veel geld,’

erkent Aura Laumen van Alexander Calder. ‘Maar daar moet je ook veel voor doen.

We krijgen wel een vast deel van de kosten betaald. Maar een ander deel van de

kosten, plus een premie, wordt pas betaald bij een plaatsing langer dan zes

maanden. We rapporteren elke twee maanden over de cliënt aan de uvi. De opdracht

is: mensen plaatsen in werk, en onze output is het kwaliteitscriterium.

Reïntegratie moet een zorgvuldig proces zijn, anders vind je gewoon geen baan

voor die man of vrouw. Als je als reïntegratiebureau geen kwaliteit levert,

besta je volgend jaar niet meer. Dan krijg je geen trajecten meer toegewezen

door de uvi’s.’

Inmiddels is FNV Bondgenoten in overleg met onder meer de

brancheorganisatie voor rib’s over het opstellen van kwaliteitscriteria. De bond

heeft onderzoeksbureau Stab van Universiteit Utrecht opdracht gegeven een model

te ontwikkelen voor optimale reïntegratie, waaruit een lijst met

kwaliteitscriteria is ontstaan. Concreet komt het erop neer dat de cliënt keuzes

maakt en de regie houdt. Het reïntegratiebureau op haar beurt faciliteert en

begeleidt met bijvoorbeeld goede voorlichting, passende scholing en een vaste

consultant. Er moet bovendien een mogelijkheid komen voor de cliënt in beroep te

gaan tegen een plaatsing. En wat gebeurt er als een plaatsing mislukt? Niet

duidelijk is wat dan de mogelijkheden voor de cliënt nog zijn.

Aanpoten

‘Het reïntegratiebureau moet maatwerk bieden, ingaan op vragen en

ideeën van de cliënt,’ zegt stafmedewerker Eric van Bavel van Arcon, de

belangenorganisatie voor lichamelijk arbeidsgehandicapten en chronisch zieken in

Overijssel.’Onderzoeken tonen aan dat de kans van een geslaagde terugkeer naar

arbeid het grootst is als mensen zelf het initiatief nemen. Dan is de motivatie

het grootst.’ Arcon krijgt ook klachten binnen over rib’s. ‘In bijna alle

gevallen blijkt dat er niet goed op de vraag van de cliënt wordt

ingespeeld.’

‘Natuurlijk is de cliënt het uitgangspunt,’ bevestigt directeur Laumen

van het commerciële bureau Alexander Calder. ‘Er is geen andere mogelijkheid om

iemand goed te bemiddelen. Wel zijn er mensen die het geloof in zichzelf hebben

verloren en denken: “wie wil mij nou nog”. Daar moet je aan werken, vertrouwen

geven. Onze kracht? De geconcentreerde aanpak op specifieke beperkingen van de

cliënt en de persoonlijke aandacht; onze begeleiders zien elke cliënt wekelijks

minstens een uur.”Het gaat om de betrokkenheid van de cliënt wil je

plaatsingen tot een succes maken,’ meent Jan van der Blom van BOBW. ‘De

betrokkene moet de regie houden over zijn eigen traject. Niet iedereen kan dat;

denk aan mensen met een psychiatrisch ziektebeeld. Maar daar zijn weer

organisaties voor die mensen kunnen begeleiden in het maken van keuzes. En

overigens is het ook belangrijk dat de begeleiding niet stopt bij de plaatsing.

Vaak blijkt begeleiding op de werkplek ook nog nodig te zijn, om terugval te

voorkomen.’

De mondigheid van arbeidsgehandicapten en langdurig werklozen om hun eigen

weg naar een geschikte werkplek uit te stippelen, krijgt ook bij de

aanbestedingen van wao’ers en ww’ers eindelijk erkenning. Gevraagd naar een

reactie op de conclusie van FNV Bondgenoten dat de cliënt meer centraal moet

staan, meldt Luc Schmidt van het LISV, dat de aanbestedingen coördineert, dat

voor 2002 alle cliënten de mogelijkheid krijgen zelf een rib te kiezen dat

voldoet aan eigen wensen. Maar: hoe is zo’n eigen keuze van de cliënt in te

passen in het systeem van aanbestedingen, waarbij uvi’s groepen gunnen aan rib’s

op de komende ‘veiling’ medio september?

‘Hoe dat vorm moet krijgen, kan ik nog niet zeggen,’ aldus

LISV-woordvoerder Schmidt. ‘Dat moet vóór de aanbestedingsronde duidelijk zijn,

ja. Dat betekent dus aanpoten.’ Dat het LISV nu ook de cliënt meer centraal

stelt, zal ook te maken hebben met de resultaten van een evaluatierapport van

KPMG over de eerste aanbestedingsronde van vorig jaar. Een van de aanbevelingen

is de cliënt meer eigen keuze te geven. Verder concludeert KPMG onder meer dat

het met de transparantie, dat ook bij de eerste veiling werd beoogd, beter kan.

De zogenoemde ‘gunningen’ aan reïntegratiebureaus zouden meer gericht moeten

zijn op specifieke doelgroepen arbeidsongeschikten en bureaus zouden niet alleen

op aantallen plaatsingen, maar ook op uitvalpercentage beoordeeld moeten worden.

Overigens doet het onderzoeksbureau ook een suggestie voor de vorm waarin

aanbesteding en eigen keuzes van de cliënt te combineren zijn: Uvi’s kunnen

raamovereenkomsten sluiten met rib’s, die dan later – nadat de cliënt zijn keuze

heeft gemaakt – ingevuld worden.

Gemiste kansen

Of de cliënt nu ook echt de vrijheid krijgt zijn eigen pad te kiezen,

is maar zeer de vraag, denkt Eric van Bavel van belangenvereniging Arcon. Hem

zijn enkele intenties van het LISV ter ore gekomen. ‘De functionaris van de

uitvoeringsinstantie moet voorafgaand aan het te kiezen reïntegratietraject de

cliënt raadplegen. Hoe die cliënt geraadpleegd wordt, is onduidelijk. De stem

van de uvi blijft doorslaggevend. Het keuzemoment van de cliënt krijgt nu wel

een plek. Dat is winst, maar het blijft erg afhankelijk van de

onderhandelingsvaardigheid van de cliënt hoe groot de ruimte voor de eigen

inbreng is. En goed onderhandelingen is niet voor iedereen weggelegd.’

Echte keuzevrijheid biedt volgens Van Bavel het zogenoemde

persoonsgebonden reïntegratiebudget (prb). In die – nog experimentele – regeling

kunnen cliënten beschikken over een eigen budget van tien- tot vijftigduizend

gulden. Met dat geld kunnen ze op maat diensten en scholing inkopen. Overigens

blijkt uit een recente evaluatie dat er van de 450 mogelijke cliënten in twee

jaar nog maar 140 gebruik hebben gemaakt van het prb. Volgens het rapport is een

van de redenen dat cliënten niet op de hoogte zijn van het bestaan van de

regeling omdat arbeidsdeskundigen van de uvi’s hen daar niet over voorlichten.

De experimentele regeling, die op 1 januari 2002 tot een landelijke regeling had

moeten leiden, wordt voortgezet en uitgebreid.

Hoe zit het met de houding van werkgevers wanneer de uitkeringsgerechtigden

via de reïntegratie-nieuwe stijl op de arbeidsmarkt aankloppen? Een traditioneel

struikelblok bij arbeidsgehandicapten is immers de onwil bij werkgevers een

‘werknemer met een vlekje’ in dienst te nemen. Het risico dat de werkgever bij

terugval zelf voor de kosten moest opdraaien, was bijna nooit bevorderlijk voor

indienstneming van hen. De wet Rea probeerde dat risico – via het geven van een

vette premie voor de werkgever die een arbeidsgehandicapte of langdurig werkloze

in dienst neemt – tot nul terug te brengen. Zo heeft de werkgever tegenwoordig

binnen vijf jaar na indiensttreding van de arbeidsgehandicapte geen kosten als

deze terugvalt als gevolg op grond van zijn ‘oude’ handicap.

‘Werkgevers zijn niet onwillig,’ ervaart Aura Laumen van Alexander

Calder, ‘maar veel werkgevers zijn niet op de hoogte van de mogelijkheden die de

wet biedt.’ Een premie voor indienstneming van een arbeidsgehandicapte is

volgens haar nooit een reden voor een werkgever iemand aan te nemen. ‘Hij heeft

werk en dus goede arbeidskrachten nodig.”Als een werkgever een goede

werknemer kan krijgen en hij loopt niet te veel risico’s, dan zijn er weinig

problemen,’ stelt Jan van der Blom van BOBW. ‘Wat dat betreft denk ik dat we het

afgelopen jaar een kans gemist hebben om veel arbeidsongeschikten en werklozen

te plaatsen. Werkgevers stonden te springen om arbeidskrachten.’

Vernieuwingen

De inschrijving voor reïntegratiebedrijven om een kleine

zeventigduizend arbeidsgehandicapten en langdurig werklozen te bemiddelen naar

werk staat inmiddels voor de tweede keer open. Een lichting arbeidsgehandicapten

en langdurig werklozen gaat binnenkort weer ‘de markt’ op. Ten aanzien van de

aanbestedingsprocedure van vorig jaar heeft het LISV een viertal wijzigingen

aangebracht. Uvi’s moeten zich meer aan dezelfde uitgangspunten bij de

aanbestedingsprocedure houden. Er wordt meer regionaal – en niet uitsluitend

landelijk – aanbesteed, zodat ook beter op de regionale arbeidsmarkt ingespeeld

kan worden. Reïntegratiebureaus zijn niet meer verplicht alle taken, zoals

begeleiding, scholing, bemiddeling en assessment, in eigen beheer uit te voeren.

En er komt een ‘vrije ruimte’ voor twintig procent van de aanbestedingen. Die

kunnen worden toegewezen aan bijvoorbeeld experimentele trajecten, nieuwe

bureaus, specifieke doelgroepen, wijkprojecten. Er komen wellicht meer

spelers op de markt. Dus weer grotere keuzemogelijkheden voor de cliënten, want

hij mag nu zelf een bureau kiezen dat bij zijn wensen past. Vervolgens moet de

toekomst uitwijzen of door de vele bomen het bos ook nog gezien wordt./Caroline

Stam

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.