Analyse: ‘Onderzoek naar suïcides jongeren is goed maar pijnlijk’

Ruim tachtig jongeren onder de twintig pleegden in 2017 suïcide, tegen gemiddeld vijftig in de jaren ervoor. Dat kwam hard aan in Nederland, zeker omdat de vraag naar jeugdzorg ook al zo sterk stijgt. Gaat het steeds slechter met onze jeugd, hoe kan dit, is er voldoende hulp? Lector Bauke Koekkoek vraagt het zich af in dit opinie-stuk.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Foto: AdobeStock

Veel vragen, emoties en opinies maar weinig antwoorden. Gelukkig zette de stijging niet door (in 2018 suïcideerden zich 51 jongeren), wel vroeg het ministerie van VWS aan 113 Zelfmoordpreventie om onderzoek te doen. Hieronder bespreek ik de bevindingen daarvan vanuit drie perspectieven: als onderzoeker, als hulpverlener en als burger (waaronder vader en voetbalcoach van kinderen in deze leeftijd).

De onderzoeker: blij met brede blik

De onderzoeker in mij is blij met dit rapport: er is veel aan gedaan om alle nabestaanden te betrekken – maar met respect voor weigering vanwege hun (recente) verdriet. Er zijn cijfers én persoonlijke verhalen verzameld, en naast ouders werden ook leeftijdsgenoten en andere betrokkenen geïnterviewd. Dit type onderzoek, een ‘psychologische autopsie’ van een aantal suïcides, heeft een groot risico: een ‘enge’ blik leidde in het verleden wel eens tot een sterke focus op individuele problematiek en hoge percentages achteraf vastgestelde stoornissen. De onderzoekers hebben hier juist breed gekeken en bedacht dat terugkijkend alles er altijd anders uitziet. Een breed scala aan oorzaken (correcter: risicofactoren) komt langs. Voorzichtig formuleren de onderzoekers drie profielen: ‘meisjes met perfectionistische kenmerken en een plotselinge knik in de levensloop’, ‘jongeren die moeten overstappen naar speciaal onderwijs’ en ‘out-of-the-blue suïcides’. Dit zijn drie heel verschillende groepen waar je als lezer door de verhalende beschrijvingen wel gevoel bij krijgt.

De hulpverlener: kritisch(er) op dit onderzoek

Als hulpverlener ben ik kritischer. Dat komt deels omdat in het NOS-nieuwsbericht, waarop de onderzoekers vast maar beperkte invloed hadden, de nadruk lag op een gebrek aan ‘passende zorg’ door ‘complexe diagnoses’. In een opiniestuk werd het rapport dit weekend al ‘gebruikt’ om te stellen dat er ‘een directe relatie is tussen meerdere zelfdodingen en het gebrek aan passende zorg en opnameplekken’. En ook Eva Jinek viel in de uitzending van haar talkshow op 16 januari binnen met de volgens haar ‘meest schrijnende conclusie’: dat zestig procent van deze jongeren al in beeld was bij de hulpverlening. Gelukkig kreeg het gesprek daarna een veel inhoudelijker wending dankzij ervaringsdeskundige Carlijn Mol. Ze legde de vinger op de zere plek door de standaard zorgsysteemreactie op suïcidale uitspraken te benoemen: niet meer van mens tot mens met de jongere praten, niet vragen naar oorzaken maar snel verantwoordelijkheid overnemen en gaan voor ‘veiligheid’.

Torenhoge verwachting

Op deze typische interactie hadden de onderzoekers mijns inziens dieper in kunnen gaan. Mijn ervaring is dat professionals en instellingen hun handen nauwelijks willen branden aan suïcidale jongeren, zeker niet als er nog andere (gedrags)problematiek bij komt. Alle betrokkenen gaan dan zitten ‘wachten’: jongere gaat niet meer naar school, ouders tobben voort, professionals gaan ‘overbruggen’ en vaak worden de onderlinge interacties destructiever. Deze wachtstand schroeft de verwachtingen van de (klinische) behandeling die ooit gaat starten torenhoog op, terwijl ondertussen het echte leven volledig tot stilstand komt.

Angst en onmacht

Ervaringsdeskundige Carlijn Mol zei bij Jinek terloops dat die langverwachte kliniek, zij zat er zeven maanden, de zaak eerder erger dan minder maakt. Want ook daar draait het vaak om risicobeheersing en lukt het niet om het goede, menselijke gesprek met de jongere te voeren. Veel professionals vinden suïcide doodeng en missen de kunde om echt nabij te zijn. Aan huis komen, ons echt verdiepen in de situatie, aandacht besteden aan de interacties tussen systeemleden en daarbij allen pogen te ondersteunen – we doen het nauwelijks. In dit onderzoeksrapport van 113 is er helaas geen aandacht voor de angst en onmacht die maken dat mensen ineffectieve dingen gaan doen: overmatig zorgen of juist afwijzen en doorverwijzen, zichzelf of anderen verwijten maken of juist alle conflicten vermijden en dergelijke. Maar eerlijk is eerlijk: een dergelijke analyse, hoe cruciaal ook, was niet de hoofdvraag van dit onderzoek.

De burger: informatief onderzoek

Voor burgers is het onderzoek behulpzaam en informatief, vooral door de aandacht voor mogelijke oorzaken van suïcide. Van seksuele voorkeur, imitatie, via de Netflix-serie 13 Reasons why en internet-challenges tot sociale media in de volle breedte. Buitengewoon confronterend en beschamend vind ik het dat bijna de helft van de jongeren die in 2017 overgingen tot suïcide gepest werd – een nog steeds ernstig onderschatte factor bij het ontstaan van ontwikkelingsproblemen die kunnen leiden tot ernstiger psychische problematiek (of een vroege dood dus). Nog eentje: ouders weten vaak niet wat hun kinderen online aan het doen zijn – en wat voor bagger ze daar soms bekijken of over zich heen krijgen. Kon je vroeger op school gepest worden maar er op je sportclub gewoon bij horen, in het huidige social media-tijdperk ben je nergens veilig. Naar het einde toe staat, ietwat tussen de regels, een belangrijke zin over laatste druppel-aanleidingen: deze “gebeurtenissen lijken te worden gekenmerkt door het verliezen van (soms een laatste) verbinding in het leven”. Hier hebben burgers (zoals coaches, leraren en vele anderen) een belangrijke taak. Ze kunnen door op te letten en contact te houden mogelijk voorkomen dat jongeren zo geïsoleerd raken dat ze suïcide als de enige resterende optie zien.

It takes a village

In gesprek met een moeder die haar zoon ‘out of the blue’ was verloren, worstelde Eva Jinek duidelijk (en herkenbaar) met haar eigen emoties. Haar slotvraag luidde, over onmacht gesproken, bijna iets als ‘wat gaan jullie nu doen om dit te voorkomen?’ – maar ze herstelde zich net op tijd. Hoofdonderzoekster Saskia Mérelle hapte niet en benadrukte, in lijn met het rapport, de taak van de samenleving en niet slechts die van de ‘de zorg’. Samenvattend: er is door de onderzoekers veel en knap werk verricht in relatief korte tijd. Alle lof voor het brede, maatschappelijke perspectief en de toegankelijke formulering die gekozen is. Voor deze speciale gelegenheid haal ik graag een cliché van stal: it takes a village to raise a child.

Bauke Koekkoek is crisisdienstverpleegkundige en lector Onbegrepen gedrag en Samenleving aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen en de Politieacademie.

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.