Mentorproject demente ouderen wacht op groen licht voor landelijke invoering: De stem van wilsonbekwamen

'Ik kom even kijken hoe het met u gaat,' zegt Laura Meilink. Haar cliënt - de 85-jarige mevrouw Van Hooff - pakt haar hand vast. Ze is blij iemand te zien. Meilink is één van de vrijwilligers van Stichting Mentorschap in Rotterdam die als aanspreekpunt voor hulpverleners fungeert en noodzakelijke beslissingen voor een demente oudere neemt.

Laura Meilink komt de kamer van mevrouw Van Hooff

binnen met een cadeautje en een kaart. ‘Voor haar verjaardag,’ zegt Meilink.

‘Dan kan ze ook iets boven haar bed hangen.’ De muur achter het verpleeghuisbed

is inderdaad erg kaal, in vergelijking met die van de drie kamergenoten. Mevrouw

Van Hooff is heel blij een bezoeker te zien, ook al herkent ze haar mentor niet.

‘O, wat leuk. Ben ik jarig?’

Laura Meilink-Hoedemaker is mentor van de dementerende mevrouw Van Hooff.

De mentor behartigt de persoonlijke belangen van zijn of haar cliënt, die

daartoe door lichamelijke- of psychische gebreken zelf niet meer in staat is.

Meestal gaat het om ouderen die dement zijn of door een hersenbloeding zijn

getroffen en geen naaste familie meer hebben.

Persoonlijke belangen

Het is moeilijk demente bejaarden een stem te geven in het zorgproces.

Beslissingen die genomen moeten worden – bijvoorbeeld over de behandeling –

komen terecht bij de betrokken hulpverleners. In zo’n geval is het, ook voor de

hulpverleners, prettig en noodzakelijk om een formeel aanspreekpunt te hebben.

Immers, het is niet wenselijk dat beslissingen over het zorgaanbod genomen

worden door mensen die de zorg ook uitvoeren.

Ook over de verzorging en het verdere leven van de oudere moeten veel

beslissingen genomen worden. Bijvoorbeeld over het zorgplan, over behandeling en

begeleiding, maar ook over zaken rondom de dood. Een mentor kan namens de

wilsonbekwame oudere het woord voeren over alle niet-materiële zaken. Voor de

financiën wordt een aparte bewindvoerder aangesteld. Vanwege de beslissingen die

zij in de persoonlijke levenssfeer van hun cliënten moeten nemen, worden zij via

door de kantonrechter benoemd.

De centrale cliëntenraad van de Stichting De Stromen – de koepelorganisatie

voor verpleging en verzorging in Rotterdam – heeft ruim een jaar geleden het

initiatief genomen om de Stichting Mentorschap op te richten met als doel een

groep vrijwilligers te vormen die mentor wil worden. In 1998 bleek bij de

evaluatie van de wet Mentorschap (1995) dat er veel te weinig mentoren voor

demente ouderen zijn en dat het mentorschap nauwelijks bekend is bij het publiek

en de instellingen. ‘Veel mensen in verpleeg- en verzorgingshuizen kunnen hun

persoonlijke belangen niet meer behartigen,’ legt Ines van Es uit. Zij is

coördinator van de Rotterdamse stichting Mentorschap. ‘Ze hebben geen familie

meer. Of de familieleden kunnen of willen niet als verantwoordelijke optreden.

Hulpverleners hebben dan geen aanspreekpunt om te overleggen met iemand die

vanuit het standpunt van de bewoner spreekt.’

De onafhankelijke Stichting Mentorschap heeft tot maart 2003 subsidie van

het ministerie van Volksgezondheid. Dan wordt het project geëvalueerd en wordt

bekeken of het in het hele land ingevoerd kan worden. In Rotterdam en omstreken

werft de stichting vrijwilligers en leidt hen op tot mentor. In een cursus van

zes dagdelen worden de vrijwilligers bekend gemaakt met hun taken,

verantwoordelijkheden en bevoegdheden als mentor. Achtentwintig mentoren zijn

inmiddels opgeleid, van wie er vijftien in een verpleeghuis werken.

Zielenroerselen

Laura Meilink-Hoedemaker, 62 jaar, is mentor geworden omdat ze na haar

pensioen eigen bezigheden op wilde bouwen. Ze is cardioloog van beroep. ’Ik

dacht: “waar ligt nou mijn kracht?” In de zorg, dus daar moet ik mee verder. Ik

ben goed in medische zaken en organisatie. Ik zag een advertentie in een

huis-aan-huis blad en heb me opgegeven. Het is leuker, maar ook intensiever dan

ik dacht. Je moet toch wel elke week langs voor een bezoekje en je moet ook in

het contact met de cliënt investeren. Maar dat maakt het ook boeiend.’

Het is Meilinks taak om als vertegenwoordiger van mevrouw Van Hooff op te

treden. Bijvoorbeeld bij de halfjaarlijkse evaluatie van het zorgplan, als het

zorgteam overlegt over de verdere zorg voor de cliënt. Laura Meilink is daar

bij. Zij ziet toe of de verzorging en de behandeling van mevrouw Van Hooff goed

verloopt en kaart namens de cliënt zaken aan bij de hulpverleners. ‘Mevrouw zit

heel slecht in haar rolstoel, ze hangt. Ik heb de arts en de fysiotherapeut

daarover aangesproken. Ze gaan kijken wat er met de heup aan de hand is.’

De mentor neemt dus beslissingen voor de bewoner. Maar hoe kan mevrouw

Meilink weten wat een voor haar totaal onbekende vrouw zou willen? Bijvoorbeeld

over hoe ze begraven zou willen worden? ‘Dat is heel moeilijk, ja,’ erkent Laura

Meilink. ‘Is ze gelovig? Wil ze beademd worden als ze ernstig ziek wordt? Er is

geen familie meer waar ik dat allemaal aan kan vragen. De hulpverleners weten

wel veel van de achtergrond van mevrouw Van Hooff, maar niet van de diepere

zielenroerselen van mevrouw. Wellicht kan ik veel aanwijzingen uit het fotoboek

halen, door samen met haar de foto’s te bespreken die haar dierbaar zijn.

Er zijn nog andere moeilijke situaties denkbaar waarin een mentor voor zijn

of haar cliënt een plaatsvervangende stem heeft. Wat te denken van de

omstandigheden rond het levenseinde. ‘Euthanasie, palliatieve zorg, over deze

onderwerpen spreek ik met de mensen van het verpleeghuis. Is er een

wilsverklaring of een donatieverklaring? Huid en hoornvlies zijn tot op hoge

leeftijd bruikbaar. Over dat soort dingen moet ik namens mevrouw Van Hooff

nadenken en beslissingen nemen. Ik moet in kaart brengen hoe de bejaarde erover

zou denken. Dat geldt ook voor de uitvaart. Ik wil proberen te achterhalen hoe

haar man begraven is. Dat heeft zij zelf geregeld, dus daaruit kan je ook

opmaken wat haar eigen wensen zijn. De laatste verzorging van haar man is een

uiting van haar manier hoe daarmee om te gaan.’

Natuurlijk spelen eigen normen mee in het nemen van beslissingen, erkent

mevrouw Meilink. ‘Ik probeer ook mijn grenzen te verkennen. Ik vind bijvoorbeeld

niet dat je iemand via een neussonde moet bijvoeren als diegene niet wil eten

als gevolg van dementie. Maar ook over vragen als: hoe lang moet je iemand in

leven houden in een medisch uitzichtloze situatie? Ik zou er zelf moeite mee

hebben als mensen bijgevoerd moeten worden via een neussonde terwijl hun

gezondheid steeds verder achteruit gaat. Ik ben niet bang daarmee geconfronteerd

te worden. Ik heb vijfendertig jaar in een ziekenhuis gewerkt.’

Opname voorkomen

Stichting Mentorschap is de enige proeftuin van het ministerie van VWS voor

het vrijwillige mentorschap. Er zijn ook particulieren en bureaus die zich laten

inhuren als mentor voor wilsonbekwame ouderen. Verder leidt de Alzheimer

Stichting mentoren op. Tilburg kent sinds kort de dementieconsulent. Die geeft

ondersteuning en begeleiding aan de demente oudere die nog thuis woont, maar ook

aan de mantelzorger. Hij of zij fungeert tijdens het zorgproces in de

thuissituatie als vertrouwenspersoon, adviseur en belangenbehartiger voor de

cliënt én voor de mantelzorger. De begeleiding begint idealiter aan het begin

van het dementeringsproces en eindigt bij opname in bijvoorbeeld een

verpleeghuis. Een belangrijk doel van het werken met een dementieconsulent is

vroegtijdige en onnodige opname van demente ouderen te voorkomen. In het

driejarige project wordt samengewerkt door de gemeente Tilburg, het Zorgkantoor

en het Zorgcentrum Tilburg Zuid, dat als werkgever voor de dementieconsulenten

optreedt.

Inmiddels wordt mevrouw Van Hooff geruisloos door de afdelingshulp naar de

koffietafel geschoven. Het is elf uur en ze is net aangekleed en opgefrist.

‘Klaar voor een kopje koffie?’ Daar heeft mevrouw Van Hooff wel zin in. Ze

begint weer te babbelen, terwijl haar ontbijt – een wit boterhammetje met een

plakje kaas, in zes stukjes gesneden – voor haar wordt neergezet. Laura Meilink

kijkt naar de rolstoel. ‘Zit u wel lekker?’ ‘Kijk, ze hangt te veel

onderuit.’

Belangrijk is dat haar cliënt zich goed voelt, vindt Meilink. ‘Mijn doel is

dat mevrouw Van Hooff een prettig leven heeft. Ik vind het een uitdaging om

samen met de mensen in het verpleeghuis te proberen dat ze weer in een gewone

stoel kan zitten, misschien wel weer een stukje kan lopen.’/Carolien

Stam

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.