Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Jaarlijks 180.000 leerlingen op maatschappelijke stage. Hoe voorkom je chaos?

Zelden is een maatregel zo enthousiast ontvangen als de verplichte maatschappelijke stage, die dit jaar voor alle leerlingen in het voorgezet onderwijs wordt ingevoerd. Maar hoe creëer je 180.000 stageplaatsen en voorkom je chaos?

Door Maria van Rooijen – ‘Nu al komt het voor dat tien scholen in dezelfde periode honderd leerlingen op stage sturen. Ze beconcurreren elkaar om de leukste stageplekken. Bij organisaties die de stages aanbieden staat de telefoon roodgloeiend’, zegt Hanneke Mateman, adviseur vrijwillige inzet bij MOVISIE, die sinds 2001 de invoering van maatschappelijke stages begeleidt. ‘Ze worden er gek van en doen op een gegeven moment gewoon de deur dicht.’ Om dat te voorkomen zal er volgens Mateman in elk geval een betere afstemming moeten plaatsvinden tussen scholen en stageaanbieders.

Breed draagvlak
Vanaf dit schooljaar moeten alle leerlingen in het voortgezet onderwijs ergens in hun schoolcarrière op maatschappelijke stage, zo heeft het kabinet besloten. Zelden heeft een overheidsmaatregel op een dergelijk breed maatschappelijk draagvlak kunnen rekenen. Alle betrokkenen – onderwijs, stage-aanbieders, vrijwilligerswerk – omarmen het doel van de stages. Dat is om leerlingen in contact te brengen met vrijwilligerswerk, zodat ze zich realiseren dat een samenleving alleen kan floreren als mensen onbetaald iets voor elkaar doen.

Maar er komt wel heel wat bij kijken om dat goed te organiseren. Want stuurde vorig jaar driekwart van de scholen in een of andere vorm hun leerlingen op maatschappelijke stage, in totaal 50.000 tot 70.000 stageplaatsen, nu worden dat er jaarlijks 180.000. De stages varieerden voorheen van twee tot tien dagdelen, terwijl staatssecretaris Marja van Bijsterveldt van OCW nu denkt aan zes tot twaalf dagen, oftewel honderd uur. Bovendien moeten de stages aan bepaalde kwaliteitseisen gaan voldoen.

Om chaos te voorkomen pleiten de betrokken organisaties ervoor om de coördinatie bij één partij neer te leggen. De vrijwilligerssteunpunten komen daarvoor het meest in aanmerking. Mateman: ‘Zij hebben ervaring met het bemiddelen naar vrijwilligerswerk. Uit onderzoek blijkt ook dat scholen die van hun bemiddeling gebruikmaken de stages beter georganiseerd krijgen.’ Aly van Beek van de MO-groep, brancheorganisatie welzijn en maatschappelijke dienstverlening, vult aan: ‘Sommige organisaties willen alleen stages aanbieden als ze via de steunpunten worden georganiseerd. Vaak doen scholen het eerst zelf, maar schakelen dan alsnog het vrijwilligerssteunpunt in.’

De belangenorganisatie voor vrijwilligerswerk NOV zou willen dat die samenwerking verplicht wordt, maar daar willen de andere organisaties niets van weten. Van Beek: ‘De staatssecretaris wil de stages terecht niet optuigen met allerlei regels. Ze legt de verantwoordelijkheid bij de scholen. Vrijwilligerssteunpunten moeten scholen maar duidelijk maken wat hun meerwaarde is.’

Zware dobber
Naast coördinatie en bemiddeling zouden vrijwilligerssteunpunten ook moeten zorgen voor begeleiding op de stageplek. Dat kan nog een zware dobber worden. Els Berman van de NOV: ‘Veel vrijwilligersorganisaties zitten niet op die pubers te wachten. De gemiddelde leeftijd van vrijwilligers is boven de zestig. Deze ouderen hebben niet gekozen om met jongeren te werken, hen te motiveren op tijd te komen en zich aan afspraken te houden. Daarom is het heel belangrijk dat jongeren zelf een stageplek mogen kiezen en dat medewerkers van vrijwilligersorganisaties geschoold worden in het omgaan met jongeren. Met de scholen moeten verder duidelijke afspraken gemaakt worden wat er van de jongeren verwacht wordt.’

Lees het hele artikel in Zorg + Welzijn Magazine nummer 10, 2 oktober 2007

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.