Wanneer heeft iemand een licht verstandelijke beperking of is iemand zwakbegaafd?
Volgens de DSM-5-TR en de American Association on Intellectual and Developmental Disabilities functioneert iemand op het niveau van een LVB als hij aanzienlijke beperkingen heeft in zowel zijn cognitieve ontwikkeling als zijn adaptieve vaardigheden. Dit kan gaan om beperkingen in onder andere logisch nadenken, problemen oplossen en leren door ervaringen. Maar ook conceptuele, sociale en praktische vaardigheden.
Daarnaast speelt ook het IQ een rol. Een gemiddeld IQ dat lager dan 70/75 is duidt op een LVB, een gemiddeld IQ tussen de 70 en 85 duidt op zwakbegaafdheid. Maar, zo stelt het Landelijk Kenniscentrum LBV, een IQ-test is geen ‘robuust gegeven’. Het is slechts een momentopname. ‘Het geeft een uitslag op die specifieke test, bij die specifieke persoon, op dat specifieke moment, onder die specifieke omstandigheden.’
Handreiking (vroeg)signalering van een LVB en zwakbegaafdheid van Landelijk Kenniscentrum LVB
In maart 2025 heeft Landelijk Kenniscentrum LVB hun Handreiking (vroeg)signalering van een LVB en zwakbegaafdheid vernieuwd. Deze handreiking komt uit 2015 en was voor het eerst in 2017 herzien.
In de handreiking wordt benadrukt dat vroegsignalering heel belangrijk is. ‘Hoe eerder een LVB/zwakbegaafdheid herkend wordt, hoe meer problemen op latere leeftijd kunnen worden voorkomen.’ Om professionals te helpen, zijn in de handreiking bronnen gebundeld die informatie geven over de normalen of gemiddelde ontwikkeling. Ook zijn er screeningsinstrumenten beschreven die ontwikkelingsachterstanden en indirecte kenmerken in kaart brengen en instrumenten verzameld voor verdiepende diagnostiek.
Een LVB of zwakbegaafdheid herkennen
Je spreekt dus over een LVB of zwakbegaafdheid wanneer iemand aanzienlijke beperkingen heeft in zowel zijn cognitieve ontwikkeling als zijn adaptieve vaardigheden. Bij cognitieve ontwikkeling gaat dit om beperkingen in bijvoorbeeld het redeneren, logisch nadenken, problemen oplossen, plannen, abstract denken, oordelen, schoolse leren en leren door ervaringen.
Wanneer je naar de adaptieve vaardigheden kijkt, dan kun je die in drie categorieën onderdelen. Zo heb je conceptuele vaardigheden: lezen, schrijven en rekenen en begrip van tijd. Maar ook sociale vaardigheden: communicatieve vaardigheden, hoe om te gaan met andere mensen en het oplossen van sociale problemen. En als laatst praktische vaardigheden. Daaronder vallen persoonlijke verzorging, vaardigheden om te kunnen werken, omgaan met geld en gebruikmaken van openbaar vervoer.
Wanneer je werkt met mensen met een – verstandelijk – beperking, dan heeft jouw manier van begeleiden invloed op de mate van zelfstandigheid van de cliënt. Het kan geen kwaad om regelmatig je eigen begeleidingsstijl ter discussie te stellen om de ontwikkeling van jouw cliënt te bevorderen. Lees meer >>
Indirecte signalen van een licht verstandelijke beperking of zwakbegaafdheid
Naast bovenstaande directe signalen, kunnen ook indirecte signalen wijzen op een LVB of zwakbegaafdheid. ‘Dat zijn problemen of omstandigheden die vaker geconstateerd worden bij jeugdigen/(jong)volwassenen met een LVB/zwakbegaafdheid, maar daar dus niet direct op wijzen.’
Voorbeelden van indirecte signalen kunnen zijn dat kinderen in emotioneel opzicht jonger zijn dan leeftijdsgenootjes. Dat ze moeite hebben met het geven van selectieve aandacht en dat logisch nadenken minder vanzelfsprekend voor ze is. Bij (jong)volwassenen kunnen een laag opleidingsniveau, een klein sociaal netwerk, een gebrek aan concrete vaardigheden als klokkijken en het hebben van wat meer kinderlijke hobby’s en voorkeuren tekenen zijn dat er sprake is van een LVB of zwakbegaafdheid.
Verkeerde diagnose bij kinderen
‘Bijvoorbeeld, als een kind niet voldoende cognitief gestimuleerd is door de ouders, heeft hij zich niet naar alle vermogen kunnen ontwikkelen. Hij kan daardoor in een test op LVB-niveau uitkomen. Als dat kind vervolgens wel adequaat gestimuleerd wordt, kan hij alsnog een groei in zijn cognitieve ontwikkeling doormaken en daardoor niet langer voldoen aan de criteria een LVB. Je zou kunnen zeggen dat dit kind geen LVB had, maar tijdelijk op dat niveau functioneerde toen hij ondergestimuleerd werd. Bij kinderen die in aanleg al minder cognitieve mogelijkheden hebben, zien we dit vrijwel niet.’
Waarom een LVB of zwakbegaafdheid vaak moeilijk te herkennen is
Mensen met een LVB, laag gemiddeld IQ of zwakbegaafdheid zullen het zelf lang niet altijd zeggen als ze iets niet begrijpen en ook aan hun taalgebruik merk je dit vaak niet. Ze gebruiken woorden en zinnen die ze hebben opgevangen, maar die ze zelf niet altijd ook echt begrijpen. Dit maakt het nog lastiger om een LVB/zwakbegaafdheid te herkennen. Het inzicht in hun beperkingen ontbreekt vaak, al merken ze wel dat ze dingen niet kunnen die bij hun leeftijdgenoten vanzelf lijken te gaan. Ze doen zich vaak groter voor om dit, al dan niet bewust, te verbergen en lopen op hun tenen om zich staande te houden.
Faalervaringen, frustratie en negatief zelfbeeld
Dit alles kan leiden tot faalervaringen, gevoelens van frustratie en een negatief zelfbeeld, wat vervolgens de verdere ontwikkeling kan belemmeren omdat ze gedemotiveerd raken als ze niet aan de verwachtingen kunnen voldoen. ‘Want, als het toch niet lukt om iets te leren, hoe erg je het ook probeert, waarom zou je dan nog je best doen? Dit kan een reden zijn voor schooluitval. Deze negatieve gevoelens kunnen zich ook uiten in opstandig gedrag. Leeftijdsgenoten voelen meestal wel haarscherp aan dat ze anders zijn, wat ze kwetsbaar maakt voor pesten en uitsluiting.’

