Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

HET RUGZAKJE Philip Huff groeide op met huiselijk geweld: ‘We zaten continu in de stress’

‘Het gevaar dat er ruzie kwam tussen onze ouders en dat uit de hand liep was er altijd.’ Aldus schrijver en regisseur Philip Huff in de magazinerubriek Het Rugzakje. In zijn vierde roman: “Wat je van bloed weet” schrijft hij over kindertijd in een groot huis met oprijlaan en huiselijk geweld. ‘We hebben te weinig hulp gehad.’
Foto Carilijne Pieters

Een zaterdagochtend. De hoofdpersoon, een jongen van acht, wordt wakker naast zijn kleine broertje in diens bed. Het is stil in huis. Gespannen luistert hij naar de stilte: is de stilte voor of na de storm? Na, zo blijkt. In de gang liggen de scherven van een vaas. In de keuken treft hij zijn moeder, die doet of er niks is gebeurd, maar de zijkant van haar gezicht is rood en gezwollen. En de auto van vader is weg.

Hockey en wintersport

Bij de beginscène van het boek “Wat weet je van bloed” van Philip Huff weet je gelijk waar je als lezer in valt. Huff baseert zijn roman op zijn eigen jeugd. ‘Mijn broertje, zusje en ik stonden in een soort van continue stressstand. Je loopt altijd op eieren om maar niets verkeerds te doen of verkeerds te zeggen, waardoor het weer mis kan gaan.’ Philip is de tweede in een gezin van drie: hij heeft een oudere zus en een jonger broertje. Hij groeit op in Laren, in een chique twee-onder-één-kap woning met een rieten dak en oprijlaan van grind. Een ‘geprivilegieerd leven’ met hockey en wintersportvakanties. Maar achter die fraaie voordeur gaan zijn ouders elkaar met regelmaat te lijf. En ook de kinderen krijgen er vaak van langs, verbaal en fysiek.

Als kind sprak je er met vrijwel niemand over. Sterker: je ontkende het zelfs een keer toen een vriendinnetje zei: “Je ouders maken toch veel ruzie?” Waarom?

‘Dat heeft te maken met schaamte, en het schuldgevoel waar we het net over hadden. En ik denk ook dat je er niet mee geïdentificeerd wil worden: je wilt normaal gevonden worden. Daarbij voelde het vaak ook niet veilig. Zo herinner ik me het kringgesprek op maandag op school. Meestal zei ik dan dat we in het weekend ‘niks’ hadden gedaan. Daar maakte de meester dan een grapje over waar iedereen om moest lachen. Dan vertel je dus niks meer.’

En als kind ben je vaak ook loyaal naar je ouders.

‘Ja, dus ga je, zeker als je ouders in de buurt zijn, downplayen, het minder groot maken of dus zelfs ontkennen. En je bent natuurlijk ook afhankelijk van je ouders. Dus dat is heel ingewikkeld.’

Toch wisten veel mensen ervan. Je schrijft ergens: Het hele dorp wist het, maar niemand deed iets.

‘Dat heeft iemand ooit zo tegen me gezegd, maar dat is te kort door de bocht. Er waren zeker wel mensen die iets deden. De buren hebben regelmatig de politie gebeld als er weer erge ruzie was. Of ze belden ouders van vriendjes bij wie we dan gingen logeren. En er waren meer lieve mensen, zoals een oom en tante, bij wie we vaak logeerden en op de middelbare school was ik vaak bij het gezin van mijn beste vriendin Claire.’

Was er geen professionele hulp? Als mensen het weten en de politie staat geregeld aan de deur, dan verwacht je toch dat zij een melding doen bij Jeugdzorg of Veilig Thuis ofzo?

‘Dat ben ik met je eens, maar er was geen professionele hulp. Misschien omdat er in Nederland toch iets is van: wat er achter de voordeur gebeurt, daar bemoeien we ons niet mee. En misschien nog meer in dat milieu waarin iedereen het ogenschijnlijk goed voor elkaar heeft en dat ook graag wil uitstralen. Daarbij hielden mijn ouders op een bepaalde manier ook de rijen gesloten. Zo vonden ze het maar niks dat ik op de middelbare school zo veel bij Claire was. Dat was dan toch gezichtsverlies ofzo, denk ik.’

Lees het hele artikel in Zorg+Welzijn magazine>>

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.