Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

De Wmo op weg naar volwassenheid

Maar liefst drie onderzoeken zijn er gedaan naar het wel en wee van de Wmo. Conclusies: gemeenten nemen meer regie, Wmo-raden winnen aan invloed. Maar ondanks dat staan burgers en hun organisaties nog te vaak aan de zijlijn.
De Wmo op weg naar volwassenheid

We schrijven begin 2010. De Wet maatschappelijke ondersteuning, die ervoor moet zorgen dat iedereen zo lang mogelijk zelfstandig kan zijn en participeert in de samenleving, bestaat drie jaar. Drie onderzoeksinstellingen vinden het tijd om te rapporteren over de stand van zaken. Alledrie doen ze dat op een andere manier. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) betrok er alle Nederlandse gemeenten bij, stelde aan tachtig ervan vragen over het sociale veld en deed onderzoek onder 4000 aanvragers van zorgvoorzieningen. SGBO Benchmark presenteert de Benchmark Wmo, een instrument waarmee 190 gemeenten hun prestaties over 2008 met elkaar kunnen vergelijken. En tot slot keek Movisie, kennis- en adviesbureau voor maatschappelijke ontwikkeling, bij zo’n vierhonderd uitvoeringsorganisaties naar de veranderingen die de Wmo teweegbracht in het maatschappelijk middenveld.

Elk jaar beter
‘De Wmo begint volwassen te worden,’ stelt Wendy van Beek, senior onderzoeker bij SGBO. ‘Het gaat elk jaar beter. Steeds meer inwoners worden betrokken bij het beleid. Per prestatieveld komen er meer faciliteiten en de Wmo-loketten worden steeds uitgebreider.
Ook het SCP stelt vast dat de meerderheid van de gemeenten de Wmo goed heeft opgepakt. ‘Vijf op de zes voert een breed beleid,’ aldus Mirjam de Klerk, senior wetenschappelijk medewerker. ‘Dat betekent dat ze kijken naar sociale samenhang en dat ze naar verbindingen zoeken, passend in de gedachte van de Wmo.’ Ook andere spelers in het maatschappelijk veld, zoals welzijnsinstellingen, cliëntorganisaties en organisaties van vrijwilligers en mantelzorgers, zien dat de samenhang in het beleid is toegenomen: 70 procent vindt dat de gemeente meer regie voert. En 85 procent van de Wmo-raden vindt bovendien dat zij invloed heeft op het gemeentebeleid.’

Maar bij een volwassen Wmo hoort ook volwassen effectmeting, zegt Van Beek (SGBO). ‘Nog te vaak gaat een grote pot geld naar een instelling. Daar kan een gemeente veel beter op sturen.’ Zowel Wmo-beleidsplannen als prestatieafspraken met instellingen zouden volgens SGBO veel concreter en meetbaarder kunnen. Van Beek: ‘In plaats van “wij willen een Wmo-loket”, zou er moeten staan: “Wij willen per jaar bij het Wmo-loket 1000 informatievragen beantwoorden”. Of “wij subsidiëren een vrijwilligersvacaturebank met 10.000 euro en willen daar honderd vacatures van vervuld zien”. De vraag of Wmo-geld efficiënt wordt besteed, is nu moeilijk te beantwoorden.’

Kloof
Ook Movisie signaleert dat Wmo-beleid niet concreet genoeg wordt gemaakt, en ziet vooral een kloof tussen gemeenten en burgerorganisaties die maar niet gedicht lijkt te worden. Ja, de gemeente heeft wel meer regie en ja, er zijn wel meer Wmo-raden en dus is er meer beleidsparticipatie, maar de samenleving, ofwel de burgerorganisaties, staan nog steeds aan de zijlijn. Terwijl die de belangrijkste Wmo-partners van de gemeente zouden moeten zijn. Hoe kan dat, na drie jaar op weg te zijn? Vasco Lub, onderzoeker bij Movisie, legt uit: ‘We zien dat vooral vertegenwoordigende organen uitgebreid worden betrokken, maar de doe-organisaties, het verenigingsleven en vrijwilligersorganisaties, die middenin het veld staan, juist niet. Dat komt deels door laksheid van gemeenten, die weinig visie etaleren en vasthouden aan oude subsidielijstjes, en deels doordat burgerorganisaties zelf terughoudend zijn om bijvoorbeeld groepen met een ondersteuningsbehoefte in te sluiten. Een voorbeeld: autistische kinderen zitten nu vaak in een bijzonder voetbalteam, maar de bedoeling is dat ze meer in reguliere teams gaan spelen. Dát is participatie. Maar het probleem is: die voetbalvereniging zit er niet op te wachten om daar verantwoordelijk voor te worden gemaakt. Ze willen zich niet als zorgorganisatie zien.’ Kortom: burgers en gemeente wachten op elkaar, en dat lijkt een trend te worden.
Ook aan de verhouding tussen gemeenten en professionele organisaties – zorg- en welzijnsinstellingen – schort nog het een en ander. Volgens het SCP wordt de marktwerking bij de Europese aanbestedingsregels als moeilijk punt ervaren. Mirjam de Klerk: ‘En dan vooral dat er om de paar jaar opnieuw moet worden aanbesteed: dat betekent weer opnieuw investeren.’ Volgens Vasco Lub (Movisie) lijkt het erop dat concurrentie tussen professionele organisaties eerder leidt tot vertraging, terwijl samenwerking juist meer innovatie oplevert. ‘Maar,’ zegt hij ook: ‘We hebben gezien dat concurrentie ook positieve gevolgen kan hebben voor de dienstverlening in de zorg en het welzijn. Als kwaliteitsimpuls voor de sociale sector hebben dus zowel samenwerking als concurrentie bestaansrecht.’

Dieper graven
Een belangrijke conclusie uit het SCP-rapport is dat hoe meer vragen gemeenten stellen aan Wmo-aanvragers, hoe meer voorzieningen ze verstrekken en hoe zelfredzamer de aanvragers worden. Mirjam de Klerk: ‘Hoe dieper je graaft, hoe meer je op het spoor komt. Dat kwartje moet vallen bij de Wmo-loketten. Iemand die bijvoorbeeld een rolstoel aanvraagt, zal na een beetje doorvragen door de medewerker van het Wmo-loket wellicht ook baat blijken te hebben bij taxivervoer en inkomensondersteuning.’ Ook de SGBO stelt dat stevig inzetten op het voorportaal van de Wmo veel meerwaarde geeft. ‘Iemand die bij zijn eerste aanvraag een huisbezoek krijgt, blijkt tevredener te zijn over de aanvraag procedure.’

Scootmobiel
Van de gemeenten zegt 80 procent dat het Wmo-beleid nog volop in ontwikkeling is, aldus het SCP-rapport. Ook De Kanteling is in beweging: het project waarbij centraal staat dat gemeenten van aanbod- naar vraaggericht denken overgaan en van claim- naar kansgericht denken voor de burger. Wendy van Beek, SGBO: ‘Waar mevrouw X en Y eerder allebei een scootmobiel kregen, ontstaat nu bijvoorbeeld de situatie dat mevrouw X wel een scootmobiel krijgt, en mevrouw Y boodschappenservice en een taxipas. Over dit soort onderwerpen worden allerlei juridische uitspraken gedaan waarmee de wettelijke kaders van de Wmo worden vastgesteld.’
Maar om echt iets te kunnen zeggen over de omslag in het denken die de Wmo moet bewerkstelligen, is nog meer tijd nodig, zeggen alle drie de onderzoekers. ‘Voor de echte effecten moet het beleid zich nog verder uitkristalliseren,’ concludeert Mirjam de Klerk. ‘In feite zou je kunnen zeggen dat we nu een goede nulmeting hebben.’

Dit artikel staat in Zorg + Welzijn Magazine nummer 3, maart 2010.

Tirzah Schnater/Fotografie Koen Suyk

Gerelateerde tags

Eén reactie

  • no-profile-image

    E.S.Bergh-Martens

    Ik zou graag willen weten waar de volwassenheid van de WMO-raden uit bestaat. In Amsterdam Noord bestaat deze raad al meer dan een jaar, maar als eventuele gebruiker heb ik nog nooit een letter op papier gezien nog minzicht in hun beleid.

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden