Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Anne van Veenen over opbouwwerk bij herstructurering van wijken: ‘We zijn weer terug bij de samenlevingsopbouw’

Opbouwwerkers hadden tot de jaren tachtig een centrale rol als belangbehartiger in de stadsvernieuwing. Nu de naoorlogse wijken aan de beurt zijn, spelen ze nauwelijks een rol bij de planvorming. De Rotterdamse socioloog Anne van Veenen schetst een terugkeer naar de klassieke samenlevingsopbouw. ‘Het wordt steeds moeilijker een gemeenschappelijk belang tussen bewoners te vinden.’

Rotterdamse wijken als Pendrecht, Zuidwijk en Hoogvliet veranderen het komende decennium totaal van aangezicht. In Hoogvliet maakt een derde van verouderde woningvoorraad - zo’n vijfduizend stuks - plaats voor duurdere, ruimere huizen voor middengroepen. Maar wonen en wijkbeheer zijn niet langer de thema’s om samenhang te organiseren in een wijk. Er zijn zoveel verschillende groepen, dat deze onmogelijk op een gemeenschappelijk belang te organiseren zijn. Tussen grootschalige sloop, verloedering en nieuwbouw staan opbouwwerkers voor de paradoxale opdracht samenlevingsopbouw te ondersteunen.

Basis
Socioloog Anne van Veenen laat in zijn boek ‘Op het scherp van de snede’ naar aanleiding van een onderzoek in Rotterdam zien dat het basiswerk de belangrijkste bijdrage is van het opbouwwerk in herstructureringsbuurten. ‘Aanwezig zijn, contact leggen met mensen, initiatieven stimuleren en vervolgens die initiatieven in een groter verband brengen. Zo kun je tegenstellingen in de wijk tegen gaan of verminderen. Je moet de mensen en de ontwikkelingen kennen, weten welke mensen je met elkaar in contact kunt brengen om initiatieven te nemen. Verbindingen leggen tussen groepen en initiatieven van instanties. De werker moet groepen bij elkaar kunnen brengen in een groter verband, zodat er communicatie plaatsvindt tussen mensen van verschillende culturen, jong en oud, tussen achterblijvers en Marokkaanse en Antilliaanse jongeren. Dat allemaal kunnen, is de belangrijkste bijdrage van het opbouwwerk.’

Van Veenen (63) weet waarover het gaat. Zijn hele loopbaan is hij verweven met het opbouwwerk in de Maasstad. Vanaf 1981 was hij directeur van het Instituut Opbouwwerk Rotterdam en daarna coördinator opbouwwerk van het Rotterdams Instituut Bewonersondersteuning. Sinds 1995 werkt hij als onderzoeker. Met zo’n honderd actieve werkers heeft Rotterdam nog altijd de grootste batterij opbouwwerkers van het land.

De socioloog schetst hoe het opbouwwerk zich ontwikkelde van belangenbehartiging, via campagnes als ‘schoon-heel-en-veilig’ terug in de richting van de klassieke samenlevingsopbouw. ‘Bouwen voor de buurt had tot in de jaren tachtig een samenbindende functie, dat sprak brede groepen aan. Ook allochtonen, maar er ontstonden in de relatief witte naoorlogse wijken tegenstellingen en die hebben zich alleen maar versterkt. De bewonersorganisaties vertegenwoordigden vaak een deelbelang en zetten zich af tegen allochtonen. Het werd steeds moeilijker om een gemeenschappelijk belang te definiëren. Overlast bijvoorbeeld werd steeds vaker toegeschreven aan de komst van buitenlanders.’

Het roer om
Na een veiligheidscampagne in Oud-Mathenesse -Witte Dorp die een averechts effect sorteerde, ging begin jaren negentig het roer in het werk om, vertelt Van Veenen. ‘Mensen kregen extra sloten op de deur, maar trokken zich terug en durfden niet meer de straat op. De onveiligheidsgevoelens waren eerder vergroot dan verkleind en dat in combinatie met afweer tegen buitenlanders. In plaats van communicatie en ontmoeting, zag je het tegengestelde effect. Opbouwwerker Johan Janssens (tegenwoordig coördinator van bureau Opzoomer Mee, red.) trok daaruit de conclusie dat het anders moest. Het accent zou moeten liggen op communicatie, de ontwikkeling van sociale netwerken en op het organiseren van stimulerende activiteiten. Opzoomeren is het belangrijkste voorbeeld daarvan.’ (Onder ‘opzoomeren’ worden die initiatieven verstaan die bijdragen aan het sociale klimaat van een straat, red.)

Maar hoe doe je aan samenlevingsopbouw in afbraakbuurten?

‘De aanknopingspunten voor samenlevingsopbouw zijn beperkt, omdat de herstructurering erop is gericht om een nieuwe bevolkingssamenstelling te krijgen: mensen, met een beter inkomen en opleiding, zodat een mix in de bevolkingssamenstelling ontstaat. In sloopbuurten staan veel woningen leeg of er komen nieuwe bewoners, vaak allochtonen en Antillianen, die er tijdelijk zitten. Daarnaast zijn er bewoners die een nieuwe woning hebben gekocht en oude bewoners die een beter huis proberen te krijgen.

Tijdens de herstructurering ontstaan grote tegenstellingen. Er zijn wijken waar nieuwbouw komt, een nieuwe bevolking, waar opbouw is. In het centrum van zo’n nieuwe wijk is samenlevingsopbouw belangrijk. Daarnaast heb je sloopbuurten, waar de opbouwwerker niet zozeer de samenlevingsopbouw ondersteunt, maar aan sociale begeleiding doet. Daar gaat het om het tot stand brengen van steunnetwerken, die onderlinge steun bieden, en om individuele doelen, zodat mensen in de nieuwe situatie een betere start kunnen maken, zoals schuldsanering, een taalcursus of een scholingstraject.’

Dat bewoners geen betaalbare nieuwe huisvesting zouden krijgen, was in de stadsvernieuwing ondenkbaar. Opbouwwerkers zouden daar een enorme strijd van maken. Hun speelruimte is nu veel kleiner.

‘De maatschappelijke positie van de groepen die in de herstructurering geen betaalbare huisvesting vinden, is heel erg zwak. Opbouwwerkers zijn niet in staat om daar zelf veel verandering in te brengen. Ze kunnen een actiegroep ondersteunen die ijvert voor een betere herhuisvesting zoals in Hoogvliet gebeurt. Ze kunnen verder alleen signaleren dat nieuwbouw onbetaalbaar wordt, en zulke signalen hebben er toe geleid dat in een aantal wijken al een huurgewenningsbijdrage is.

‘Een praktisch probleem is dat het vinden van een woning na sloop voor iedereen een individueel probleem is. Vaak is het aanbod van goedkope woningen heel erg beperkt en moeten ze zoeken naar een goedkope woning elders in Rotterdam. Mensen proberen dat individueel op te lossen. Er zijn ook weinig gegevens over het herhuisvestingproces in de herstructurering. Uit een onderzoek blijkt dat mensen vaak naar een nieuwe woning verhuizen in een wijk die binnen tien jaar zelf aan herstructurering moet doen. De mensen weten dat zelf niet. Een ander probleem in een wijk als Hoogvliet is dat het een ongelooflijk grootschalig proces is. Vijfduizend van de zestienduizend woningen worden de komende tien jaar vervangen. Dat stempel heeft een negatieve invloed op het woon- en leefklimaat. En dan worden soms ook nog uitgesteld. In plaats van vier jaar wachten op herhuisvesting wordt het acht of twaalf jaar.’

Hoe ziet u dan die herstructurering en de poging de middenklasse in de stad te houden?

‘De vermenging van klassen is een goed streven, maar het gaat nu te geforceerd. Het herstructureringsproces biedt te weinig kans voor de mensen die er nu wonen om hun positie te verbeteren. Nieuwe woningen kunnen ze vaak niet betalen. Een grote groep is aangewezen op goedkope sociale huurwoningen, maar daarvan zijn er te weinig, waardoor de herhuisvesting stagneert. Een groot deel komt vaak terecht in wijken die ook weer op de nominatie staan te worden gesloopt, zonder dat ze dat zelf weten.’

Hoe verkoopt het opbouwwerk zijn resultaten? De beroepsgroep doet te weinig aan profilering, zo blijkt uit onderzoek van de beroepsvereniging BON.

‘Daar moet je niet op antwoorden met een opsomming van succesvolle projecten. Het gaat niet om allerlei projecten maar om de volgehouden aanwezigheid in wijken. De strekking van mijn boek is dat het basiswerk de belangrijkste bijdrage is van het opbouwwerk. Neem het initiatief van een moedergroep in Pendrecht. Dit is niet opgezet vanuit een programma voor opvoedingsondersteuning, maar vanuit het belang van die vrouwen. De groep ontstond na een uitje voor de kinderen, waarna die moeders aan de praat gingen over de problemen die komen kijken bij de opvoeding. Voor alleenstaande moeders is het vaak moeilijk om kinderen op te voeden. De opbouwwerker zocht ruimte voor ze en zorgde ervoor dat er iemand van de welzijnsorganisatie kwam voor de cursus "Opvoeden doe je zo". Vervolgens werd dat groepje aangesproken door allerlei instanties. Zoals de sociale activering die op zoek was naar mensen en door de sociale dienst. De groep mengde zich in discussies in de wijk over opvoedingsondersteuning. Zo creëer je een bewonerskader op een totaal andere noemer dan herstructurering. Bovendien ontstaat er een nieuwe vorm van sociaal leiderschap: de moeders strijden voor hun belang in de wijk, goedkope kinderopvang bijvoorbeeld. Voor hun eigen ontwikkeling is het ook belangrijk.’

Martin Zuithof

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden