Registreren Waarom moet u zich registreren voor deze site? Lees meer

Socioloog Gabriël van den Brink pleit voor actiever burgerschap: 'Oplossingen komen niet meer uit Den Haag'

'Burgers voelen zich vaak gekrenkt door de manier waarop de publieke dienstverlening functioneert,' zegt NIZW-socioloog en filosoof Gabriël van den Brink. Hij pleit voor meer vrijheid voor burgers en professionals zodat zij zich beter kunnen roeren in het publieke debat. Kortom: een nieuwe cultuur van toezicht.

De ideeën van Gabriël van den Brink - over bijvoorbeeld het beschavingsoffensief, de assertieve burger of het republikeinse burgerschap - vindt veel weerklank in de media, bij wetenschappers en beleidsmakers. Onlangs verscheen zijn boek ‘Mondiger of moeilijker’, over de problematische relatie van burgers met de politiek en de groeiende kloof tussen geslaagde, dynamische mensen en de bedreigde achterblijvers. Ondanks alle aandacht gelooft de NIZW’er (Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn) niet dat hij veel invloed heeft. ‘Ik geef wel eens een lezing, maar maak je geen illusies over mijn invloed. Het is belangrijk om met mensen, die in het centrum van de macht staan, in gesprek te zijn. Anders blijf je een studeerkamergeleerde. Maar een idee als het beschavingsoffensief is niet praktisch, ik weet helemaal niet hoe dat moet.’

Het intellectuele debat wordt in Nederland nog te weinig serieus genomen, vindt Van den Brink. ‘We gaan naar een kennismaatschappij. Een kwart van de mensen is hoger opgeleid. Het denken doet er dus alles toe. Kijk naar het debat over het multiculturalisme. Iedereen dacht: de multiculturele samenleving bestaat en is goed. Totdat Paul Scheffer kwam met zijn artikel over het “multiculturele drama”. Waarom is dat zo succesvol? Omdat hij het denken omgooit.’

Volgens u is ‘de opstand der burgers’ die Pim Fortuyn ontketende nog niet voorbij. Hoe weet u dat?

‘Burgers voelen zich vaak gekrenkt door de manier waarop instituties en de publieke dienstverlening functioneren. Stel: je hebt straks een regering. Heeft dat nog iets te maken met de problemen in het veld? Het gaat om uitvoeringsproblemen in het onderwijs, wachtlijsten, de veiligheid, openbaar vervoer. Dat brengt de onvrede over de staat met zich mee. Je wordt niet goed bediend, je kunt je vleugels niet uitslaan. De oplossingen komen niet meer uit Den Haag. Balkenende had een ferme verklaring dat hij in een jaar de wachtlijsten wilde oplossen, maar ik zie dat niemand doen.’

Maatschappelijke problemen zijn alleen op te lossen als de professionals en de instellingen ruimte krijgen. ‘Mensen moeten zich er meer tegenaan kunnen bemoeien. Nu mogen ze eens per vier jaar een stem uitbrengen. Maar in hun hele leven, op school, bij de partner die ze kiezen wordt mensen geleerd voor zichzelf te zorgen, een ondernemende houding aan de dag te leggen, risico’s te nemen. Dan kun je niet hebben dat je van de politiek volkomen afhankelijk bent, geen directe invloed hebt en je moet onderwerpen aan regels waarvan de ratio je ontgaat.’

Is het zo erg met de bureaucratie?

‘Het is ook gebrek aan verantwoordelijkheid, zodat je niet weet waar je naartoe moet als er iets gebeurt. Stel je hebt een ernstige ziekte of je moet je moeder ergens geplaatst krijgen. Dan zit je maanden met een pijnlijk geval. Wie moet je daar op aanspreken? Dat is een typisch Nederlands probleem: een volstrekt onheldere verantwoordelijkheidsstructuur. Er zijn te veel partijen die langs elkaar heen werken en niemand gaat over het geheel. Niet alleen in de publieke sector, maar dat speelt veel breder.’

Met de NS ging het goed zolang het bedrijf zichzelf opvatte als een publieke dienst. ‘Hetzelfde geldt voor de gezondheidszorg. Met bepaalde delen kun je misschien wel de markt op, maar de publieke dimensie moet overeind blijven. Vroeger dacht ik: moeten we dat via de overheid of via het bedrijfsleven regelen? Maar dat is de kwestie niet. Je mag best dingen via de markt regelen, als je de publieke kant maar waarborgt. De overheid moet daar op toezien. Dat is een fundamentele kanteling van het perspectief.’

U pleit voor een nieuwe cultuur van toezicht met expliciete gedragsregels, waarbij elk domein een specifieke opdracht heeft. Wie stelt die vast?

‘Dat doe je gezamenlijk, de mensen die het werk doen. Dat kan natuurlijk niet meer van buitenaf of bovenaf. Een school heeft een missie, bijvoorbeeld sociaal gedrag van leerlingen bevorderen. In een collectief proces heb je niet alleen te maken met je persoonlijke voorkeuren, maar met regels die gedeeld worden. Het gesprek gaat over wat wij de publieke zaak vinden, dat is de kern van de politiek. Vandaar mijn pleidooi voor meer republicanisme onder de burgers. In hoeverre vinden wij goede spoorrails van algemeen belang? Of een gratis basispakket voor de gezondheidszorg? Dat debat moet gevoerd.’

Hoe kan de republikeinse burger die u bepleit invloed uitoefenen?

‘Burgers en professionals zuchten onder de wijze waarop instituties en organisaties vanaf de jaren tachtig werken. Veel instellingen werken nu bedrijfsmatig, klantgericht, zetten producten op de markt. Het bedrijfsmodel is overgeplant naar de publieke sector. Zo ontstond vaak een top-downstructuur, waarbij het management vaststelt wat de professionals moeten doen. Als die een probleem aantreffen, kunnen managers wel wat roepen, maar die kunnen het helemaal niet beoordelen. Professionals moeten de ruimte krijgen om het oordeel dat ze hebben in de praktijk te brengen. Daarbij dient ook de gewone burger te worden betrokken. Er moet een samenspel ontstaan tussen professionals en burgers. Zij moeten wel verantwoording afleggen, niet op elke minuut, maar op kwaliteit en op lange termijn. De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling zegt hetzelfde over de normen en waardendiscussie: de uitvoering van het werk moet kleinschaliger. Normen en waarden vaststellen werkt alleen als je mensen kent. Als je elkaar niet kent, komt daarvan niets terecht, dat bevordert profiteursgedrag. Kleinschaligheid in plaats van anonimiteit. Bovendien heb je langdurige relaties nodig. Een jongerenwerker moet langdurig in een buurt zitten, buurtbewoners moeten hem kennen. Wisselende contacten zijn niet bevorderlijk voor de moraliteit.’

Wat betekent die nieuwe cultuur van toezicht en discipline voor jongeren? Het lijkt alsof u veel nadruk legt op discipline en niet op de opvoedkundige taak van bijvoorbeeld jongerenwerk.

‘De jeugdcultuur zoals die zich nu ontwikkelt, staat sterk in het teken van je eigen gang gaan, jezelf ontdekken, feestvieren. Wie legt de grens aan? Historisch bekeken zie je dat die steeds opschuift, daar is geen einde aan. Neem alcohol, die jongeren zuipen zich misschien lam in het weekend. Ligt de grens bij vijf dagen lam zuipen of bij Korsakov? Dat wordt steeds opgerekt, met pillen, met marihuana. Op een bepaald moment is de grens bereikt, bijvoorbeeld bij de erotische MTV-clips. Dat is interessant. Op een bepaald moment willen mensen de normen en waarden weer herstellen.’

Van den Brink vindt dat je het verschil tussen volwassenen en jongeren niet moet wegpoetsen. ‘Je moet niet doen alsof je niet de macht hebt. Je hebt je eigen functie, je eigen normbesef. Voor jongeren die het verkeerde pad op dreigen te gaan, moet natuurlijk professionele steun zijn. Daar moet veel in geïnvesteerd worden. Mits die werkers normatief weten wat ze doen. Ik denk wel dat het wegbezuinigen van jongerenwerk vroeger alleen maar bevorderd is doordat jongerenwerkers normatief zwak stonden.’

U constateert in uw boek een grote kloof tussen de geslaagde, dynamische burgers en de bedreigde burgers. Wat is de taak van het welzijnswerk daarbij?

‘Die professionals heb je hard nodig om de mensen die het moeilijk hebben te helpen het enigszins leefbaar te houden. Daarnaast kan welzijnswerk helpen bij het expliciteren van normen. Burgers hebben hun mening lange tijd niet verwoord, terwijl ze veel normen en waarden delen. We hebben er wel overeenstemming over, maar we spreken ze niet uit. Dat kan via stadsregels in Gouda of de stadsetiquette in Rotterdam. Daar komen dan dingen uit als: “Als je iets kapot maakt, dan betaal je dat.” Dat hebben we dat heel lang niet gezegd.’

U was onder de indruk van de politicus Fortuyn. Was dat ook omdat hij het debat naar zijn hand zette en dingen bespreekbaar maakte?

‘Je zag iemand een kracht mobiliseren die we niet kenden in Nederland. Het was intrigerend, Fortuyn was authentiek. Hij kon verbaal verleiden, had een soort scherpzinnigheid en een zekere intellectuele kwaadaardigheid. Dat tegen de heersende opinies ingaan, dat opstandige vond ik mooi. Volkomen terecht heeft hij het probleem met de buitenlanders aan de orde gesteld. Dat taboe heeft hij opengebroken.’/Martin Zuithof

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.

Zorgwelzijn is een uitgave van Bohn Stafleu van Loghum, onderdeel van Springer Media B.V.
Voorwaarden