Welzijnswerk in plattelandsgemeente Helenaveen: Opvangen van verdwenen voorzieningen

Niet alleen grote en middelgrote steden, maar ook plattelandsgemeenten staan steeds vaker in de schijnwerpers van het lokaal sociaal beleid. Het verdwijnen van voorzieningen, vergrijzing, stille armoe en bedrijfssluitingen in de agrarische sector met alle problemen van dien ‘Al twintig jaar diezelfde grammofoonplaat,’ verzucht Hans Elerie van de Brede Overleggroep Kleine Dorpen in Drenthe. Een portret van het Noord-Brabantse Helenaveen.

Een bezoek aan het 950 zielen tellende Helenaveen in

het gebied De Peel leert dat elk dorp zijn eigen historie en specifieke

omstandigheden heeft. Pas als die duidelijk in beeld zijn, kan men – in nauwe

samenwerking met bewoners – tot een aanpak komen om de leefbaarheid in een dorp

te verbeteren. In Helenaveen lukt dat met het DorpsServiceCentrum. Ook op het

platteland is maatwerk vereist. Dat de leefbaarheid in plattelandsgebieden hoger

op de politieke agenda is komen te staan, blijkt uit het regeerakkoord van Paars

II. Voor de 21ste eeuw ‘en voor de volgende generaties blijft een leefbaar

platteland van groot belang: economische concurrentiekracht, sociale cohesie,

ecologische duurzaamheid en culturele identiteit worden hiertoe bevorderd’.

Helenaveen valt onder de gemeente Deurne en ligt daar zo’n 14 kilometer

vandaan. Het dorp ligt vrij geïsoleerd. Op vier kilometer afstand is het

eveneens kleine Neerkant het dichtstbijzijnde dorp. Liessel en Griendtsveen zijn

groter, hebben een redelijk winkelbestand en liggen 6 kilometer van Helenaveen.

In het midden van de negentiende eeuw pakten de gebroeders Van de Griendt de

vervening in dit gebied aan. Zo ontstond Helenaveen, genoemd naar de echtgenote

van Jan van de Griendt. Twee zwarte wagentjes op rails herinneren nog aan de

turfwinning. De veenwerkers die zich er vestigden, kwamen uit verschillende

delen van het land, met name uit Drenthe. Vanwege hun gedeelde geschiedenis en

de geïsoleerde ligging van het dorp vormden de inwoners in de loop der tijd een

hechte gemeenschap.

Karakteristiek zijn de katholieke en de protestante kerken, basisschool De

Peelparel, café D’ouwe Peel en een aantal oude huizen en boerderijen. Helenaveen

heeft een beschermd dorpsgezicht en op verschillende plekken zijn wandel- en

fietsroutes voor de toeristen aangegeven. Tegenover De Peelparel en de Rabobank

staat gemeenschapshuis De Gouden Helm, genoemd naar de Romeinse helm die aan het

begin van de vorige eeuw is opgegraven. Daarnaast staat het twee jaar geleden

geopende DorpsServiceCentrum. De gemeente Deurne, woningbouwvereniging

Bergopwaarts, Stichting Welzijn Deurne, Kruisvereniging Helenaveen, huisartsen,

de VVV, Staatsbosbeheer en de Vrijwillige Hulpdienst Deurne Zuid bieden er

informatie en diensten aan.

Dorpsraad

Aan de balie van het centrum kan de inwoner van Helenaveen onder meer

terecht voor, zoals men het noemt, wonen, welzijn, weten en zorg. Achter de

balie staat vrijwilliger Lies Vermeulen. ‘Vroeger waren hier twee kruideniers,

twee bakkers, een slagerij, een winkel voor huishoudelijke artikelen, een

bloemenzaakje en een winkel voor bestrijdingsmiddelen,’ vertelt ze. ‘Onlangs is

de laatste winkel gesloten. Een supermarkt waar je alles kon kopen. De eigenaar

houdt alleen nog zijn postagentschap aan. Maar voor hoe lang nog?’

Twee huisartsen delen een kamer waarin ze om beurten spreekuren houden.

De Kruisvereniging heeft een ruimte waarin hulpmiddelen als krukken, klossen en

steken te vinden zijn. De dorpsconciërge heeft een kamer die hij deelt met de

GGD, als die er spreekuur houdt. In die kamer staat momenteel de door de

Dorpsraad aangekochte fonkelende replica van de gouden helm. Die moet deel gaan

uitmaken van een permanente tentoonstelling in het DorpsServiceCentrum over de

cultuur-historische geschiedenis van het dorp.

Aan tafel in de ontmoetingsruimte zitten dorpsconciërge Jan Houtkamp,

Gerrit Vermeulen en Theo Boots koffie te drinken. Vermeulen zoekt zijn vrouw op

en Boots heeft ouderen in het dorp en in het naburige Neerkant hun maaltijd

bezorgd. ‘Jan haalt de maaltijden op bij het verzorgingshuis in Deurne en van

hieruit breng ik ze dan rond,’ legt de gepensioneerde tuinder uit. Vermeulen

vertelt over het ontstaan van tuinbouwbedrijven uit de ‘venerij’ en over het

rijke verenigingsleven van het dorp. ‘In de Gouden Helm repeteren de fanfare en

de toneelvereniging. Ook geven ze daar hun uitvoeringen, want D’Ouwe Peel heeft

geen grote zaal.

Momenteel wordt het hele carnavalsgebeuren er in de startblokken gezet, er

zijn activiteiten van de ouderenbond en de plattelandsvrouwen. Er zijn

gymnastieklessen van de school en er is gymnastiek, volksdansen en kaarten voor

ouderen. De tennisclub zit erin en de bibliotheek. En tenslotte zijn er ook

bruiloften en koffietafels na begrafenissen.’ Verder heeft het dorp een

voetbalvereniging, een ijsbaanvereniging en hebben de kerken ieder een koor. In

de voormalige protestante school is kinderopvang en een soos voor jonge tieners

ondergebracht en de scouting heeft een blokhut. Oudere tieners komen in

tuindersschuren bijeen. Spreekbuis van de bevolking is de Dorpsraad, waarin

agrariërs en de verenigingen vertegenwoordigd zijn.

Obligaat

Omdat er steeds meer signalen kwamen over de verslechterende

leefbaarheid op het platteland heeft de rijksoverheid het thema opgepakt. Als

uitwerking van de bovenomschreven beleidsintentie uit het regeerakkoord

verscheen in mei 2000 de gezamenlijke uitgave van de ministeries van VWS en

Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) en het Interprovinciaal Overleg (IPO),

getiteld ‘Vernieuwen en versterken. Op weg naar een vitaler platteland’.

Als eerste probleem op het platteland noemen de auteurs de gevolgen van

toenemende druk op boeren om volgens de regels van de vrije markt en met in acht

neming van milieuregels te produceren. De dreiging van bedrijfssluitingen en tal

van sociaal-psychologische problemen zijn het resultaat. Andere problemen zijn

‘te lage inkomens en te weinig banen’ en het lage opleidingsniveau van de

bewoners. Het openbaar vervoer schiet tekort en vooral voor fietsers zijn de

wegen onveilig.

Voorzieningen op het gebied van zorg, educatie en welzijn verdwijnen, zijn

er onvoldoende of slecht bereikbaar. De criminaliteit verplaatst zich van de

steden naar het platteland zodat de onveiligheid er toeneemt. De

milieuvervuiling door de agrarische sector groeit. Bewoners verhuizen naar

elders. Sommige dorpen kennen leegstand, andere hebben te maken met nieuwkomers

die geen binding willen met het dorp. Vervolgens presenteren de auteurs een

aantal algemene maatregelen om deze problemen te bestrijden. Vanwege ‘de

reconstructie van de varkenssector’ zouden er in De Peel ‘vooral nieuwe banen’

moeten komen. De oplossing van het probleem van de toenemende onveiligheid is

nóg obligater: ‘Het gaat hierbij niet alleen om het omlaag brengen van de

misdaadcijfers, maar ook om het vergroten van het gevoel van veiligheid: op

straat, ‘s avonds, overdag. Wie zich veilig voelt, voelt zich beter thuis in een

gemeenschap.’ Geen speld tussen te krijgen, maar waar het om gaat is: Wie moet

dat doen? Hoe? En wie betaalt dat?

Hans Elerie, directeur van de Brede Overleggroep Kleine Dorpen in Drenthe,

wordt een beetje moe van die algemene probleemdefinities en oplossingen. ‘Al

twintig jaar wordt dezelfde grammofoonplaat afgedraaid van vergrijzing en het

verdwijnen van voorzieningen. In Drenthe hebben wij demografisch onderzoek laten

doen, en daaruit bleek onder meer dat er ook veel dorpen zijn die zich juist

verjongen! Situaties zijn heel specifiek. Als er honderd jaar geleden veel

industriearbeiders of landarbeiders in zo’n dorp kwamen wonen, had dat

consequenties voor de bebouwing en die kunnen doorwerken tot in het heden. Per

regio kunnen dorpen sterk verschillen en binnen een regio kunnen ook nog weer

grote verschillen tussen dorpen bestaan. Daarom pleit ik voor een

regiospecifieke benadering.’

Een ander bezwaar van Elerie tegen de algemene rapporten en onderzoeken

is dat daarin keer op keer plattelandsgebieden als probleemgebieden worden

benaderd: ‘Beleidsmakers houden veel te weinig rekening met het

probleemoplossend vermogen van bewoners. Als voorzieningen wegvallen, vinden

bewoners zelf vaak goede oplossingen. Dat heb ik zelf ook ontdekt toen ik tien

jaar geleden onderzoek deed voor de Rijks Planologische Dienst. Vroeger woonden

ouderen bij hun kinderen op de boerderij. Later zag je naast die boerderijen

aparte bungalows voor de ouderen. En nu is de trend dat ouderen verhuizen naar

het hoofddorp in de regio, waar voldoende voorzieningen geconcentreerd zijn. Op

die manier blijft hun netwerk in stand. Het dorp hoeft niet altijd de woonplek

tot de dood te zijn. Dorpen met minder dan 1500 inwoners hoeven niet per se alle

voorzieningen voor ouderen te hebben.’Plattelandsontwikkeling is dus pas

effectief als specifieke problemen van een dorp in kaart worden gebracht en het

de inbreng van en vrijwilligerswerk door de inwoners optimaal wordt benut. Dat

blijkt duidelijk uit de ervaringen van Helenaveen.

Publiek-private samenwerking

Welke problemen zijn er in Helenaveen? Aan de tafel in het

DorpsServiceCentrum, waaraan ook projectcoördinator Juul Swinkels van Stichting

Welzijn Deurne zit, is iedereen het er over eens dat in agrarische gezinnen

sprake is van stille armoede en mogelijke bedrijfssluitingen. Varkensbedrijven

heeft het dorp niet, maar de milieu-eisen worden steeds strenger omdat De Peel

een natuurgebied is. ‘Van de gemeente hebben we extra middelen gekregen om de

agrarische gemeenschap te ondersteunen. Eerst kregen we ze op projectbasis, maar

nu zijn deze middelen structureel geworden,’ zegt Swinkels. ‘Maar boeren komen

niet gauw met hun problemen naar buiten, ze lossen ze liever zelf op. Soms gaan

ze uit zichzelf naar één van onze maatschappelijk werksters, soms worden ze

doorverwezen.’

Een ander probleem in Helenaveen was het verdwijnen van

zorgvoorzieningen voor ouderen, gehandicapten en ouders met kleine kinderen. Op

basis van analyses verscheen in 1997 het projectontwerp ‘DorpsserviceCentra

Kleine Kernen in de gemeente Deurne’ van Stichting Welzijn Deurne. Behalve

Helenaveen zouden ook Neerkant en Liessel voor zo’n centrum in aanmerking komen,

maar na presentaties in de drie kernen bleek de behoefte daarin in Helenaveen

het grootst. Ook wensten de dorpelingen een ontmoetingsfunctie voor centrum en

wilden ze dat er mogelijkheden kwamen voor informatiebijeenkomsten. En het moest

de thuisbasis zijn van de dorpsconciërge.

‘Ik ben een beetje het gezicht van de instellingen,’ vertelt Houtkamp,

tevens dorpsconciërge in Neerkant. ‘Een luisterend oor soms ook. Als ik bij de

glasbak sta, kan het gebeuren dat een vrouw haar verhaal aan me kwijt wil over

het overlijden van haar man. Klusjes doe ik ook. Voor een oudje de bladeren uit

de dakgoot halen, bijvoorbeeld. Of ik zet een omgevallen brievenbus weer

overeind. Als er zwerfvuil ligt, bel ik de gemeente.’

Het DorpsServiceCentrum draait nu twee jaar. Draagt het werkelijk bij aan

de leefbaarheid en sociale samenhang in het dorp? ‘Absoluut,’ antwoordt

Swinkels. ‘In Helenaveen wonen relatief veel ouderen en die kunnen hier dankzij

deze voorziening blijven wonen.’ Ook voor gezinnen met kleine kinderen is het

centrum belangrijk. ‘We zijn blij dat kinderen hier weer terecht kunnen voor

inentingen,’ zegt dorpsgenoot Geesje Sijben, die tevens verpleegkundige is. ‘En

er komt weer een wekelijks spreekuur voor moeders met jonge kinderen en we hopen

hier volgend jaar weer een consultatiebureau te openen.’

Onveiligheid, criminaliteit, werkloosheid en een laag opleidingsniveau

noemt niemand als problemen. Wat wel als duidelijk knelpunt wordt ervaren is dat

er per jaar slechts enkele woningen mogen worden bijgebouwd, zodat geboren

Helenaveners niet altijd de kans hebben om daar aan een huis te komen.

Boerderijen die na bedrijfsbeëindigingen vrij komen, zijn vaak te duur, zodat

daarin meestal nieuwkomers komen te wonen, die vaak geen binding met het dorp

krijgen. De Dorpsraad en de instellingen die in het DorpsServiceCentrum

samenwerken, doen er alles aan om het dorp voor jong en oud zo aantrekkelijk

mogelijk te maken. Zo denkt de welzijnsstichting eraan om jongerenavonden te

organiseren.

Publiek-private samenwerking hoort bij Helenaveen. Het DorpsServiceCentrum

heeft toekomstplannen waarin melding wordt gemaakt van een rijdende winkel die

elke week komt. Ook wordt gedacht aan overname van het postagentschap als de

huidige eigenaar ermee stopt. En om het centrum nog beter te kunnen laten

draaien zijn er plannen om aan fietsverhuur te doen. De Zuidelijke Land en

Tuinbouw Organisatie wil er graag ‘nevenproducten’ van agrariërs verkopen, zoals

boerenkaas en honing. Swinkels: ‘En we moeten er natuurlijk wel voor waken dat

de zorg- en welzijnsfuncties niet ondergesneeuwd raken’./Kees

Neefjes

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.