Roland Koel van GGZ-Nederland over inefficiënte crisisopvang: ‘Politie en ggz mogen hun zorgtaken niet ontlopen’

De politie wil niet langer politiecellen beschikbaar stellen voor de opvang van psychiatrische patiënten en verslaafden. Deze stellingname van de korpsbeheerders en de hoofdcommissarissen kreeg direct bijval van de woordvoerders van alle Kamerfracties. Zij buitelden over elkaar heen om 24-uurs opvang voor psychiatrische patiënten af te dwingen. Roland Koel, unitcoördinator zorg bij GGZ-Nederland, heeft zich over alle ophef verbaasd. 'Over de capaciteitsproblemen in de ggz, de werkelijke oorzaak voor het problemen met de opvang van psychiatrische patiënten, heb ik weinig gehoord.'

De politie komt ze steeds vaker tegen; verwarde mensen,

die kampen met een complexe problematiek. Zij hebben psychosociale problemen,

zijn verslaafd of dakloos. Een groep die soms acuut zorg nodig heeft, als er

sprake is van een psychose bijvoorbeeld. In de praktijk blijkt het vaak de

politie die deze mensen op straat treft. Het organiseren van de juiste hulp is

niet altijd even makkelijk. Buiten kantooruren kan de politie een gedwongen

opname aanvragen bij een crisisdienst. Als de noodzaak voor een gedwongen opname

er echter niet is, komt het voor dat de politie met de persoon in kwestie in de

maag blijft zitten. Om aan deze situatie een einde te maken moet de politie

beter samenwerken met de hulpverlening. Dat concludeerden de ministers van VWS,

Binnenlandse Zaken en Justitie in het in mei verschenen rapport Mensen zonder

zorg. Nu ligt er een eerste antwoord van het Korpsbeheerdersberaad en de raad

van Hoofdcommissarissen. De politie weigert ‘probleemeigenaar’ te worden en

meent dat de lokale overheid zich meer moet inspannen om het zorgaanbod voor

deze groep mensen beter te coördineren. Om dit pleidooi kracht bij te zetten,

stopt de politie met de opvang van psychiatrische patiënten in

politiecellen.

Is het een redelijke eis van de politie om geen

probleemeigenaar te willen zijn, zoals de korpsbeheerders en commissarissen in

hun reactie op het rapport stellen?
‘Als de politie ervaart dat

zij er in deze problematiek alleen voorstaat, kan ik mij de reactie voorstellen.

Het is niet zo dat zij door de ggz of een andere hulpverleningsorganisaties tot

probleemeigenaar wordt bestempeld. Zij is echter wel mede-probleemeigenaar.

Wettelijk heeft de politie nu eenmaal een verantwoordelijkheid om orde te

handhaven en eerstelijns hulp te bieden. Zij kan die verantwoordelijkheid niet

ontlopen, net zoals de ggz dat niet kan. Natuurlijk is het zo dat politiecellen

niet de aangewezen locatie zijn voor de opvang van psychiatrische patiënten,

maar het is niet aan de politie om te beoordelen wie tot die categorie behoort.

Zij mag wel van de ggz verwachten dat deze beschikbaar is om die beoordeling uit

te voeren en passende hulp te bieden.’

De korpsbeheerders en hoofdcommissarissen leggen de bal bij de

lokale overheid. Die moet de verantwoordelijkheid op zich nemen voor een betere

organisatie van de zorg voor deze groep mensen. Is dat een realistische

eis?
‘Ja. Bovendien komt deze opvatting van de politietop niet

uit de lucht vallen. Gemeenten hebben een verantwoordelijkheid voor de openbare

gezondheidszorg. Via de GGD’en zijn zij bovendien een belangrijke speler op de

hulpverleningsmarkt. Het ligt daarom voor de hand de lokale overheid het

zorgaanbod te laten coördineren. Dat is ook al lang afgesproken met de

gemeenten. Verleden jaar is tussen vertegenwoordigers van gemeenten,

zorgverzekeraars en vertegenwoordigers van de ggz, de maatschappelijke opvang,

de verslavingszorg en de GGD’en een convenant afgesloten dat ertoe moet leiden

dat de gemeenten medio 2001 hun regierol concreet in hebben gevuld. Het

convenant is bedoeld om de rollen van de lokale uitvoerders van de openbare

geestelijke gezondheidszorg goed op elkaar af te stemmen. Ik vind dat een goede

ontwikkeling. Te lang hebben de gemeenten zich te passief opgesteld. Daar komt

nu verandering in. Ik heb gemerkt dat de gemeenten bereid zijn hun

verantwoordelijkheid te nemen.’

Dus eigenlijk is de oplossing voor het probleem in

zicht?
‘De gemeenten en hulpverleningsinstellingen zien de

noodzaak om nauwer te gaan samenwerken. Wat dat betreft denk ik dat er op korte

termijn het nodige zal veranderen en dat het huidige zorgaanbod verstandiger

ingezet zal worden. Het bieden van één centrale telefonische ingang voor alle

hulpverleningsinstellingen is vaak al een goede stap op weg naar een oplossing.

Maar met een betere organisatie is het probleem nog niet uit de wereld. Het gaat

om een groep mensen die langdurige en intensieve zorg nodig heeft. Alleen bij

adequaat case-management kan tijdig worden gesignaleerd dat het met een

psychiatrisch patiënt de verkeerde kant op gaat. Het probleem is dat de caseload

van veel hulpverleners veel te hoog is. 60 personen per hulpverlener is eerder

uitzondering dan regel, terwijl 25 wel zo’n beetje het maximum is om nog van

effectief case-management te kunnen spreken. Hulpverleners uit de ggz moeten dus

noodgedwongen prioriteiten stellen.’

Wat is de oorzaak van die capaciteitstekorten? Is het een

gevolg van de vermaatschappelijking van de ggz?
‘De vraag naar

geestelijke gezondheidszorg is de afgelopen jaren sterk gestegen. Nu groeit het

beroep dat op de ggz wordt gedaan ook nog steeds. Omdat de beschikbare

capaciteit niet is gestegen, zijn er lang wachtlijsten ontstaan. Dat heeft

invloed op de mogelijkheden van de ggz om altijd en overal beschikbaar te zijn.

De problematiek vloeit zeker niet voort uit de vermaatschappelijking van de ggz.

Zo’n tien jaar geleden is de gedachtenvorming over de vermaatschappelijking in

gang gezet. Uitgangspunt is dat het beter is voor psychiatrische patiënten dat

zij zelfstandig wonen dan in een instelling. Feitelijk is het aantal beschikbare

bedden in Nederland niet of nauwelijks gedaald. Het is een hardnekkig

misverstand dat de huidige problemen zouden zijn ontstaan door een reductie van

het aantal bedden in de instellingen. De werkelijke oorzaak is de toegenomen

vraag naar geestelijke gezondheidszorg.’

Maar daarover bleef het stil in de pers.

‘Ik heb me verbaasd over alle ophef die ontstond over de reactie van de

korpsbeheerders en commissarissen op het rapport Mensen zonder zorg. Er werd

door Kamerleden 24-uursopvang door de hulpverleningsinstelling geëist. Een

vreemde eis, want de crisisopvang werkt over het algemeen goed. Psychiatrische

patiënten zouden ook sneller verplicht opgenomen moeten kunnen worden. Het is

nog maar de vraag of een patiënt daarbij gebaat is. Het besluit iemand gedwongen

op te nemen moet zorgvuldig tot stand komen. Je kunt niet zomaar stellen dat

mensen maar sneller opgeborgen moeten worden als zij geen direct gevaar vormen

voor zichzelf of hun omgeving. Natuurlijk valt er het nodige te verbeteren in de

samenwerking tussen de instellingen en in het zorgaanbod. Maar daarover zijn al

eerder afspraken gemaakt. Alle ophef is dus wat mij betreft om niets. Ik maak

mij zorgen over de beeldvorming van de psychiatrie. De hulpverlening krijgt al

snel het verwijt niet het juiste zorgaanbod te leveren, waarbij voor het gemak

vergeten wordt dat de werkdruk al erg hoog is. Daarnaast signaleer ik dat er

veel aandacht is voor incidenten met psychiatrische patiënten. Afwijkend gedrag

wordt steeds minder getolereerd en de hulpverlening wordt geacht de problemen op

te lossen. Ik maak mij misschien nog wel het meest zorgen over deze verharding

van de samenleving en het denken over psychiatrisch patiënten.’/Ivo van

Duijneveldt

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.