Hulpverleners in de jeugdzorg worstelen met ‘affectief neutrale’ aanpak: Intimiteit tussen warmte en afstand

Door een vloed aan ontuchtaffaires is de afgelopen vijftien jaar de omgang tussen hulpverleners en jeugdigen in de jeugdzorg onder grote spanning komen te staan. Sommige instellingen hebben sindsdien een heel arsenaal aan maatregelen genomen om seksuele intimidatie en zogeheten grensoverschrijdend gedrag te voorkomen. Inclusief regels die verbieden dat groepsleiders al te confidentieel met hun pupillen omgaan. Is intimiteit tussen volwassenen en kinderen heden ten dage nog altijd een heikel punt? Of heeft de ‘nieuwe afstandelijkheid’ inmiddels overal al zijn intrede gedaan?

‘Als je met jeugdigen werkt, moet je je eigen grenzen

kennen. Als ik een jongen naar bed breng en hij wil nog een knuffel, ga ik op

mijn gevoel af. Als ik het idee heb dat het kan, dan doe ik het. Anders niet.’

In de orthopedagogische instelling voor licht verstandelijk gehandicapten waar

deze groepsleidster – die anoniem wil blijven – werkzaam is, is intimiteit

nauwelijks een onderwerp van gesprek. Er is een protocol voor seksueel misbruik,

maar verder zijn er geen regels geformuleerd. Collegiaal overleg vindt er amper

plaats. In haar vorige betrekkingen lag dat wel anders. ‘In beide instellingen

hadden zich incidenten voorgedaan en waren allerlei gedragsregels van kracht. Zo

was het in mijn laatste baan bijvoorbeeld niet toegestaan om alleen met een

jongere op een kamer te zijn.’ Qua werkhouding kan ze zich prima vinden in de

‘affectief neutrale’ aanpak die haar huidige werkgever propageert. In deze

benadering wordt een evenwicht nagestreefd tussen afstand houden en warmte

geven. Om de jeugdige te beschermen, uiteraard. Want, zegt ze, ‘het is niet goed

om een al te intensieve band met de kinderen op te bouwen. Jij gaat op een

gegeven moment weg en dan zit zo’n kind met de gebakken peren.’

Hans Bart, hoofd stafbureau van het Orthopedagogisch Centrum Kennemerland

(OCK), weet niet zo goed raad met een dergelijke houding. ‘Affectief neutraal,

dat klinkt heel kil. Ik denk dat het juist belangrijk is om affectie te tonen.

Je moet als groepwerker goed met emoties kunnen omgaan. Waar het om gaat is dat

de gevoelens die een hulpverlener ten opzichte van een kind uit functioneel

zijn.’ Zijn instelling heeft een heel beleid geformuleerd rond

grensoverschrijdend gedrag. ‘Wij hebben niet alleen een protocol tegen seksueel

misbruik. Als je daar als instelling mee volstaat, dan is het niet meer dan een

doekje voor het bloeden. Bij het OCK doen we daarnaast aan trainingen en

deskundigheidsbevordering rond dit onderwerp. En we hanteren gedragsregels die

de vertaling zijn van onze beleidslijn op de werkvloer. Wij kunnen niet

garanderen dat een personeelslid niet in een moeilijke situatie verzeild raakt.

We zijn er vooral op uit dat de medewerkers maar ook de jongeren en hun ouders

zich van dit soort zaken bewust worden,’ aldus Bart.

Valse beschuldiging

Een rondvraag leert dat geruchtmakende ontuchtzaken als De Bolderkar en

Finkensieper een flinke omslag in de jeugdzorg hebben teweeggebracht. Herman

Baartman, bijzonder hoogleraar preventie en hulpverlening inzake

kindermishandeling aan de VU, schat dat het gros van de instellingen onderhand

minstens enig beleid ontwikkeld heeft. ‘Geen enkele instelling kan het zich nu

nog permitteren op dit gebied niets te doen. Maar dat moet natuurlijk wel verder

reiken dan een A-viertje dat op een achternamiddag in elkaar is gezet.’Hij

is het met Hans Bart eens dat een goed beleid meer vergt dan het klakkeloos

overnemen van het standaard-protocol van de VOG. ‘Een instelling moet vooral

stimuleren dat er openheid bestaat rond dit onderwerp,’ stelt Baartman. ‘Dat er

een klimaat is waarin men met elkaar van gedachten kan wisselen over hoe met de

jongeren om te gaan. Want alleen dan is het mogelijk om tijdig eventuele

spanningen te signaleren. Ongewenste contacten tussen medewerkers en jeugdigen

ontstaan nu eenmaal niet van de ene op de andere dag. Daar gaat een zekere tijd

overheen.

Ook Alice van Unen, beleidsmedewerkster jeugdzorg bij de provincie

Friesland, benadrukt dat instellingen er veel mee kunnen winnen door met open

vizier de wijze van omgang te bespreken. Zij weet echter ook dat intervisie lang

niet overal gebruikelijk is. ‘Toch kun je niet zonder. Pas wanneer de

medewerkers met elkaar in discussie raken, komen de verschillen in aanpak boven

water. En dan kun je als directie op basis daarvan uiteindelijk het beleid

bepalen.’Ook lijkt, in vergelijking met de alles moet kunnen-mentaliteit van

de jaren ‘60 en ‘70, een meer afstandelijke professionele houding gemeengoed

geworden te zijn onder de werkenden in de jeugdhulpverlening. Volgens Saskia

Stern, cliëntvertrouwenspersoon bij twee Amsterdamse instellingen, zijn

groepsleiders er erg op gespitst om een professionele houding te ontwikkelen.

Die komt onder meer tot uiting in een striktere scheiding tussen werk en

privé-leven. ‘Medewerkers wordt bijvoorbeeld sterk afgeraden om een kind mee

naar huis te nemen.

Ook Joanka Prakken, auteur van de NIZW-publicatie Intimiteit: bedreigd of

bedreigend?, constateert dat jeugdwerkers een stuk terughoudender zijn geworden.

‘Dat is typisch iets wat je in de jeugdzorg ziet. In de zorg voor ouderen is er

eerder sprake van een omgekeerde tendens, waarin lichamelijk contact juist wordt

aangemoedigd. Voor een deel is die afstandelijkheid te verklaren uit de angst om

van een misstap beticht te worden. Groepsleiders zijn als de dood dat een

jongere op valse gronden een beschuldiging van seksuele intimidatie of van

seksueel misbruik tegen hen inbrengt. Ook als die aantijging achteraf nergens op

blijkt te slaan, is het immers heel moeilijk om je naam te zuiveren.’

Valkuil

De vrees ten onrechte beschuldigd te worden heeft er mede toe bijgedragen

dat medewerkers in de jeugdhulpverlening en masse bevangen zijn van

‘aanrakingsangst’. Oud-inspecteur voor de Jeugdgezondheidszorg Frits Wafelbakker

betreurt deze ontwikkeling ten zeerste. ‘Kinderen hebben behoefte aan

lichamelijkheid, aan stoeicontacten. En dan kan het gebeuren dat een zekere

seksuele opwinding zijn kop opsteekt. Dat is op zich niet erg – een vader die

met zijn kinderen speelt, kan hetzelfde overkomen -zolang die opwinding maar

geen eigen leven gaat leiden. Want een kind gebruiken voor je eigen bevrediging

is uit den boze. Wat nu echter aan de hand lijkt is dat alles wat met

lijfelijkheid te maken heeft in een kwaad daglicht wordt gesteld. Daardoor

durven mensen die in de jeugdzorg werken helemaal niets meer te doen.’

Herman Baartman deelt Wafelbakkers bezorgdheid bepaald niet. Volgens hem

wordt er in dit debat nogal eens vergeten dat veel kinderen die in de jeugdzorg

opgevangen worden helemaal niet zitten te wachten op lichamelijke toenadering.

‘Die kinderen zijn vaak misbruikt, fysiek mishandeld of verwaarloosd. De fysieke

en psychische nabijheid van een ander is voor hen bedreigend geworden. Ze hebben

heel wat deuken opgelopen. Daardoor zijn ze nogal eens kopschuw voor elke vorm

van contact, al of niet lichamelijk. Je moet als werker bijzonder goed de

specifieke voorgeschiedenis van een kind of jongere in de gaten houden. Het

bieden van affectie dient te zijn afgestemd op de hulpvraag van de jongere en

niet op de eigen behoefte van de professional. Je moet oppassen niet in de

valkuil te trappen om met een affectieve benadering een band te willen opbouwen,

terwijl de jeugdige dat helemaal niet ziet zitten.’

Dat is ook de les die Ina Postma, stafmedewerkster bij de Hoenderloo Groep,

heeft geleerd. Ten behoeve van het boek van Joanka Prakken heeft ze destijds een

paar jongeren die in een internaat geplaatst waren geïnterviewd. ‘De boodschap

die ze me meegaven, was heel duidelijk. Van hen hoefden al die regels niet. Als

je wilt weten wat wel en niet kan, zeiden ze me, dan kun je dat ook gewoon aan

ons vragen. Ik heb daarvan geleerd dat je als hulpverlener altijd bij de ander

moet checken of je manier van doen op prijs gesteld wordt.’ Een protocol voor

seksueel misbruik kent de Hoenderloo Groep al sinds ‘92. Wat daarin ontbreekt,

vindt Postma, is een paragraaf over intimiteit. ‘Dat zou ik voor ik hier vertrek

nog voor elkaar willen krijgen. Omdat ik denk dat intimiteit een existentiële

levensbehoefte is. Waarbij je je wel elke keer moet afvragen wat acceptabel is.

Die discussie wil ik nog graag een impuls geven.’/Marty PN van

Kerkhof

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Heb je nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.